Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2461

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
AK_25_2808
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:8 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen niet in behandeling nemen Wajong-aanvraag terecht gegrond verklaard

Eiser diende in 2016 een Wajong-aanvraag in die werd afgewezen. In 2025 diende hij opnieuw een aanvraag in, die door het UWV niet in behandeling werd genomen met verwijzing naar het besluit uit 2016. Eiser maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.

De rechtbank oordeelt dat het bezwaar niet gericht was tegen het besluit uit 2016, maar tegen het niet in behandeling nemen van de nieuwe aanvraag. Het UWV had de nieuwe aanvraag als een herhaalde aanvraag moeten behandelen. Omdat eiser sinds 2016 geen actie had ondernomen, wordt geacht dat hij berustte in het besluit uit 2016.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoed. De uitspraak benadrukt de noodzaak van correcte behandeling van herhaalde aanvragen en de toepassing van relevante rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2808

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 10 november 2016 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij geen Wajong-uitkering krijgt.
1.2
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Het UWV heeft dit bezwaar gericht geacht tegen het besluit van 10 november 2016. Met het bestreden besluit van 18 september 2025 heeft het UWV eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Feiten en omstandigheden

2.1
Eiser heeft op 16 september 2016 een aanvraag Beoordeling arbeidsvermogen ingediend. Op 2 november 2016 heeft eiser contact opgenomen met het klantcontactcentrum van het UWV over zijn Wajong-aanvraag. De aanvraag is afgewezen met het besluit van 10 november 2016.
2.2
Op 23 april 2025 heeft eiser opnieuw een Wajong-aanvraag ingediend. Bij brief van
7 mei 2025 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij eerder een Wajong-aanvraag heeft ingediend en dat daarop is beslist met het besluit van 10 november 2016. Het UWV heeft besloten de hernieuwde aanvraag niet verder in behandeling te nemen; de beslissing van
10 november 2016 blijft ongewijzigd van kracht. Een kopie van dit besluit en een kopie van het verzekeringsgeneeskundige rapport van 14 oktober 2016 zijn bijgevoegd.
2.3
Op 25 juni 2025 heeft eiser een kopie opgevraagd van de beslissing van 7 mei 2025. Bij brief van 26 juni 2025 heeft het UWV eiser de beslissing van 7 mei 2025 toegestuurd en een kopie van het verzekeringsgeneeskundige rapport van 14 oktober 2016.
2.4
Eiser heeft op 16 juli 2025 een bezwaarschrift ingediend. Als datum van het besluit heeft hij 7 mei 2025 genoemd. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift vermeld dat hij de brief van het UWV nooit heeft ontvangen en dat hij na bellen alsnog de afwijzingsbrief heeft gekregen.
2.5
Het UWV heeft op 24 juli 2025 telefonisch met eiser gesproken. Bij brief van
24 juli 2025 heeft het UWV eiser onder toezending van de gedingstukken verzocht mee te delen waarom hij zo laat bezwaar heeft aangetekend tegen het besluit van 10 november 2016.
2.6
Op 13 augustus 2025 heeft eisers begeleider [naam] gebeld met het UWV en aangegeven dat eiser de brief van 24 juli 2025 niet heeft ontvangen. Op 14 augustus 2025 heeft het UWV getracht haar terug te bellen, maar het UWV heeft haar niet kunnen bereiken. Bij brief van 14 augustus 2025 heeft het UWV de brief van 24 juli 2025 opnieuw toegezonden aan eiser. Eiser is een nieuwe termijn gegeven om aan te geven waarom hij zo laat bezwaar heeft aangetekend.
2.7
Bij brief van 13 augustus 2025, door het UWV ontvangen op 19 augustus 2025, heeft eiser meegedeeld dat hij in de periode van 2016 (het hele jaar) in een Forensische Verslavingskliniek (FVK) zat. Hij kan zich niet herinneren en dat hij een Wajong-aanvraag had ingediend. Waarschijnlijk heeft de maatschappelijk werker dat gedaan. Na de FVK opname is eiser in detentie gekomen. Nu verblijft hij bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) Transfore en daar werd geadviseerd een Wajong-uitkering aan te vragen. Eiser was dan ook verbaasd te horen dat hij in het verleden al een Wajong-uitkering had aangevraagd. Eiser heeft gevraagd hem mee te delen of het UWV toch nog zijn nieuwe Wajong-aanvraag in behandeling kan nemen.
2.8
Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

Standpunten van partijen

3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden beluit op het standpunt dat eisers bezwaar niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Eiser heeft in juni 2025 de beslissing van 10 november 2016 opgevraagd. Volgens eiser had hij deze niet ontvangen. Eiser heeft op 16 juli 2025 bezwaar gemaakt. Eiser heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een Wajong-aanvraag heeft ingediend. Het UWV heeft vastgesteld dat eiser de aanvraag van 8 september 2016 heeft ondertekend en ingediend. Gebleken is dat eiser op 2 november 2016 met het UWV heeft gebeld over Aanvragen Beoordeling arbeidsvermogen. Het UWV gaat er daarom vanuit dat eiser in 2016 de aanvraag zelf heeft gedaan en daarvan op de hoogte was. Eiser heeft na 10 november 2016 niet binnen een redelijke termijn met het UWV gebeld dat hij nog steeds geen beslissing op zijn aanvraag heeft ontvangen. Dat eiser zich nu, ongeveer 9 jaar later, niet kan herinneren dat hij een aanvraag voor een Wajong-uitkering heeft ingediend, doet daar niets aan af. Het UWV vindt dat eiser zijn bezwaar tegen de beslissing van 10 november 2016 tijdig binnen zes weken had kunnen indienen.
3.2
Eiser stelt dat hij het besluit van 10 november 2016 destijds niet heeft ontvangen. Niet vast staat dat dit besluit schriftelijk op een eerder moment aan eiser is gestuurd. Het besluit van 10 november 2016 is niet rechtsgeldig bekend gemaakt. Nadat eiser een nieuwe Wajong-uitkering wilde aanvragen, heeft het UWV telefonisch meegedeeld dat hij al in 2016 een uitkering had aangevraagd. Het UWV heeft het besluit van 10 november 2016 op 24 juli 2025 voor het eerst rechtsgeldig bekend gemaakt. Maatschappelijk werker [naam] heeft op 13 augustus 2025 contact gehad met het UWV en tijdens het contact is aangegeven dat eiser de brief van 24 juli 2025 niet heeft ontvangen. Vervolgens heeft het UWV op
19 augustus 2025 alsnog een bezwaarschrift van eiser ontvangen, waarin hij de redenen geeft dat hij te laat is met het maken van bezwaar. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vangt de bezwaartermijn van zes weken aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Eiser stelt dat hij binnen die termijn en dus tijdig bezwaar heeft gemaakt.
3.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Het is niet navolgbaar dat eiser niet wist dat hij in 2016 een aanvraag Wajong heeft ingediend. Deze aanvraag is door hem ondertekend en hij heeft op 2 november 2016 telefonisch contact opgenomen over de aanvraag. Eiser heeft enkel de ontvangst van het besluit ontkend. Hij heeft geen (verdere) argumenten aangevoerd waarom hij niet eerder bezwaar heeft kunnen maken of waarom hij er negen jaar mee heeft gewacht.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het UWV eisers bezwaar van 16 juli 2025 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.
4.1
In zijn bezwaarschrift van 16 juli 2025 heeft eiser verwezen naar de brief van 7 mei 2025. Met dit besluit heeft het UWV eiser meegedeeld dat zijn aanvraag verder niet in behandeling wordt genomen. Het UWV heeft daarbij gewezen op het besluit van
10 november 2016, waarmee is beslist op de eerdere aanvraag van eiser.
4.2
Omdat eiser in zijn bezwaarschrift alleen de brief van 7 mei 2025 heeft genoemd en niets heeft gesteld ten aanzien van het besluit van 10 november 2016, is de rechtbank van oordeel dat het UWV eisers bezwaarschrift had moeten opvatten als een verzoek om alsnog te beslissen op zijn (herhaalde) aanvraag van 23 april 2025. Dit heeft eiser ook nog eens gevraagd in zijn brief van 13 augustus 2025.
4.3
Door het bezwaar aan te merken als gericht tegen het besluit van 10 november 2016 heeft het UWV een onjuiste uitleg gegeven aan de bedoeling van het bezwaarschrift.
Eiser is daar in beroep in mee gegaan door te stellen dat hij dit besluit nooit heeft ontvangen, maar vast staat dat eiser sinds 2016 nimmer een Wajong-uitkering heeft ontvangen en al die tijd geen actie heeft ondernomen tegen het eventueel uitblijven van een besluit op zijn eerdere Wajong-aanvraag. Eiser moet bekend zijn geweest met de Wajong-aanvraag, aangezien hij de aanvraag heeft ondertekend en nadien ook telefonisch contact heeft opgenomen met het UWV over de aanvraag. Nu eiser gedurende jaren geen actie heeft ondernomen tegen het uitblijven van een besluit op zijn eerdere Wajong-aanvraag, moet eiser geacht worden te hebben berust in het niet toekennen van een Wajong-uitkering in 2016. De rechtbank wijst in dit verband op rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). [1]
4.4
Zoals is overwogen in rechtspraak [2] van de CRvB, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Uit de gedingstukken valt af te leiden dat het hier een herhaalde aanvraag betreft. Het UWV zal daarom alsnog moeten beslissen op deze herhaalde aanvraag met inachtneming van deze rechtspraak. Dit betekent dat de nieuwe aanvraag in ieder geval moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het eerdere besluit van 10 november 2016. Wellicht moet de herhaalde aanvraag ook worden aangemerkt als een aanvraag voor een Wajong-uitkering vanaf de datum van de aanvraag of een beroep op de Amber-bepaling.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 september 2025;
- draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:971.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.