Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2344

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
24_3924
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 8.6a Wmo 2015Art. 1.1.1 Wlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van Wmo 2015 bevestigd

Eiseres, met een indicatie voor 24 uur per dag zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), vroeg bij het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente een maatwerkvoorziening aan voor individuele begeleiding van 8,5 uur per week op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze aanvraag werd afgewezen omdat de gevraagde begeleiding onder de Wlz valt en het college discretionaire bevoegdheid heeft om de aanvraag te weigeren.

De rechtbank oordeelt dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de hulpvraag van eiseres, mede gelet op eerdere procedures en aanvullende informatieverzoeken. De activiteiten waarvoor begeleiding werd gevraagd, zoals ondersteuning bij post, administratie en communicatie, vallen grotendeels onder de Wlz-begeleiding waarvoor eiseres reeds een persoonsgebonden budget ontvangt.

Hoewel eiseres stelt dat het Wlz-budget ontoereikend is en dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan, acht de rechtbank dit onvoldoende onderbouwd. Het is niet vastgesteld dat alle mogelijkheden voor extra Wlz-budget zijn uitgeput en nader deskundig onderzoek is nodig om de zorgsituatie volledig te beoordelen.

De rechtbank concludeert dat de Wlz de voorliggende voorziening is en dat eiseres geen aanspraak kan maken op aanvullende Wmo-voorzieningen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3924

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. K. Wevers,
en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (college),

gemachtigde: T. Koopman en G.H. Stomps.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de afwijzing van haar aanvraag om een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Daarbij gaat het om individuele begeleiding van 8,5 uur per week door zorgverlener [zorgverlener] .
1.1.
[eiseres] woont samen met haar man en zoon. Zij ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb), omdat zij een indicatie heeft voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het bijbehorend zorgprofiel is ‘lichamelijke handicap 5LG, wonen met begeleiding en intensieve verzorging’. [eiseres] heeft meerdere aandoeningen van het bewegingsapparaat, het immuunsysteem en het zenuwstelsel. Zij is daardoor volledig rolstoelafhankelijk, kan nauwelijks zelfstandig rechtop zitten en zij kan niet lopen of staan. Zij kampt ook met functiestoornissen van de ademhaling, regulatie van de hartfrequentie en incontinentie. Ook is sprake van een voedingsstoornis, slikproblemen, een vertraagde maagontlediging en veel allergische reacties op voeding en een intolerantie voor temperatuurverschillen.
1.2.
[eiseres] heeft bij Zorgkantoor Menzis (hierna: het zorgkantoor) een pgb aanvraag voor Extra Kosten Thuis (EKT) ingediend en daarvoor een budgetplan ingevuld. Daarin staat dat naast de zorg die haar man en zoon (elk 40 uur per week) verlenen voor persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en huishoudelijke werkzaamheden, ook extra zorg ingezet wordt door mevrouw [zorgverlener] voor 8,5 uur per week. Dit is voor begeleiding. In het budgetplan staat dat [eiseres] anderstalig is (Engels), een autismespectrumstoornis (ASS) en een zeer gecompliceerde medische situatie heeft en dat haar totale pgb al op gaat aan de medisch noodzakelijke zorg die door haar twee zorgverleners wordt verleend. De extra begeleiding van 8,5 uur per week door mevrouw [zorgverlener] is nodig bij de dagelijkse inkomende en uitgaande mail en post, omdat [eiseres] die niet begrijpt. Ook is de ondersteuning nodig bij de postverwerking, administratie en communicatie op verschillende levensgebieden.
1.3.
Met het besluit van 13 oktober 2022 heeft het zorgkantoor de aanvraag afgewezen.
1.4.
[eiseres] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 24 januari 2023 is het zorgkantoor, met een aangepaste motivering, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard [1] .
1.5.
Vervolgens heeft [eiseres] op 18 juli 2023 bij het college een melding gedaan voor een maatwerkvoorziening voor begeleiding op grond van de Wmo 2015. Op 7 oktober 2023 heeft [eiseres] hiervoor de aanvraag ingediend.
1.6.
Het college heeft de aanvraag met het besluit van 8 mei 2024 afgewezen. [eiseres] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. [eiseres] heeft vervolgens beroep ingesteld.
1.7.
Het college heeft op 30 januari 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 9 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , mevrouw [zorgverlener] , de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigden van het college.

Standpunt van het college

2. Volgens het college biedt de Wlz-indicatie voldoende mogelijkheden om aan de hulpvraag van [eiseres] te beantwoorden, omdat de activiteiten, waarvoor zij nu ondersteuning vraagt, (deels) vallen onder begeleiding als bedoeld in de Wlz. Daarnaast biedt de Wmo 2015 geen grondslag voor ondersteuning bij juridische procedures, het bijhouden van administratie en het behandelen van post. Deze ondersteuningshandelingen vallen bovendien onder gebruikelijke hulp. Indien de Wlz-indicatie voor [eiseres] ontoereikend is, ligt het volgens het college voor de hand om een nieuwe indicatie aan te vragen.

Standpunten van [eiseres]

3. [eiseres] stelt dat haar Wmo-aanvraag voor begeleiding onterecht is afgewezen, omdat de Wlz geen voorliggende voorziening (meer) is. Uit een eerdere (hiervoor onder 1.2. tot en met 1.4. genoemde) beroepsprocedure is gebleken dat [eiseres] geen aanspraak kan maken op extra budget op grond van de Wlz. Verder is uit gesprekken met het zorgkantoor gebleken dat zij niet in aanmerking komt voor een andere Wlz-indicatie met een uitgebreider zorgpakket, omdat het huidige pakket bij haar beperkingen en aandoeningen hoort. Dat haar gezondheidssituatie veel slechter is dan wellicht bij anderen met een gelijk pakket, maakt dat niet anders. Het probleem zit niet in een inefficiënte inzet van zorg door haar hulpverleners, maar in de zeer grote zorgbehoefte van [eiseres] . Deze zorgbehoefte is groter dan het Wlz-budget toelaat. Volgens [eiseres] is dit uit andere procedures ook bij het college bekend.
3.1.
Ook voert [eiseres] aan dat het onderzoek door het college onzorgvuldig is geweest. Haar hulpvraag en de zorg- en begeleidingsbehoefte is onvoldoende onderzocht. De hulpvraag is onvoldoende in kaart gebracht doordat het college meteen naar de laatste vragen van het stappenplan is gegaan. Daarnaast is in de beslissing op bezwaar niets terug te vinden over de begeleiding, terwijl mevrouw [zorgverlener] tijdens de hoorzitting heeft uitgelegd wat de begeleiding inhoudt en ook heeft toegelicht waarom de Wlz daarvoor geen uitkomst biedt. Ook een schriftelijke toelichting, die [eiseres] na de hoorzitting heeft toegestuurd, heeft het college niet meegewogen.
3.2.
Verder stelt [eiseres] dat het college een onjuist beeld heeft van wat een gemachtigde in een procedure doet en dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de begeleiding ook wordt gevraagd voor het voeren van juridische procedures. De begeleiding gaat om het doornemen en opstellen van e-mails en brieven en het verzamelen van informatie ten behoeve van juridische procedures, omdat zij dat zelf niet goed kan. Ook zorgt mevrouw [zorgverlener] ervoor dat zij af en toe naar geschikte plekken kan gaan waar het rustig is en zij niet overprikkeld raakt.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het betreden besluit aan de hand van de beroepsgronden.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en licht dit als volgt toe.
Zorgvuldigheid
5. Een besluit moet zorgvuldig tot stand zijn gekomen en voldoende zijn gemotiveerd. [2] Dit betekent dat het college bij een onderzoek voldoende kennis moet verzamelen over de voor het nemen van het besluit van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak [3] moet het college daarvoor eerst vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Daarna moet het college vaststellen welke problemen iemand ondervindt bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Verder moet bepaald worden welke ondersteuning naar aard en omvang voor iemand nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Vervolgens moet onderzocht worden in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Ook moet beoordeeld worden of er nog een ondersteuningsvraag overblijf die gecompenseerd moet worden (stap 5). Alleen voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn moet het college een maatwerkvoorziening verlenen. Als voor het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid is vereist, moet het college zo’n onderzoek laten uitvoeren.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Het college had in de eerste plaats al veel informatie van [eiseres] vanwege de vele andere (nog lopende) procedures. Ook heeft het college na ontvangst van de aanvraag op 22 januari 2024 aan [eiseres] meer informatie gevraagd en gekregen. Vervolgens heeft het college op
12 februari 2024 aanvullende vragen aan [eiseres] gesteld. Gelet op deze feiten en navraag is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig heeft plaatsgevonden.
Begeleiding
6. In artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 is bepaald, dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. In de rechtspraak [4] wordt hierbij veelal overwogen, dat uit de tekst van artikel 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015 en de memorie van toelichting van zowel de Wmo 2015 als de Wlz volgt, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest bij deze wetten een duidelijke scheiding in zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen. Indien iemand een indicatie heeft op grond van de Wlz of daarvoor in aanmerking zou kunnen komen, is het college, behoudens het bepaalde in artikel 8.6a van de Wmo 2015, niet verplicht een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te treffen. Deze situatie doet zich in deze zaak voor, zodat het college de discretionaire bevoegdheid heeft om de aanvraag voor begeleiding te weigeren.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college de gevraagde begeleiding op grond van de Wmo 2015 ook in dit specifieke geval van [eiseres] heeft kunnen weigeren.
6.1.1.
Op de eerste plaats acht de rechtbank daarvoor relevant dat op grond van artikel 3.1.1. van de Wlz “begeleiding” ook onder de verzekerde vormen van zorg onder de Wlz valt. Volgens artikel 1.1.1. Wlz wordt onder die begeleiding verstaan: activiteiten waarmee een persoon wordt ondersteund bij het uitvoeren van algemene dagelijkse levensverrichtingen en bij het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven.
6.1.2.
[eiseres] heeft in een e-mail van 11 maart 2024 toegelicht dat haar aanvraag voor begeleiding op grond van de Wmo gericht is op de volgende activiteiten: het begeleiden bij de dagelijkse inkomende en uitgaande email en fysieke post, ondersteuning bij de administratie en communicatie in de verschillende levensgebieden, het uitzoeken, organiseren en plannen van geschikte dagbesteding/activiteiten, het begeleiden bij uitjes of bezoeken, het praktisch ondersteunen in huis of elders, en hulp bij het uitzoeken en selecteren van allerlei zaken om overprikkeling door scrollen te voorkomen
6.1.3.
Deze activiteiten, waarvoor [eiseres] de begeleiding heeft aangevraagd, vallen goeddeels onder de hiervoor genoemde omschrijving van begeleiding in artikel 1.1.1. Wlz en moeten daarom geacht worden te vallen onder de zorg waarvoor [eiseres] reeds een pgb op grond van de Wlz ontvangt. De rechtbank realiseert zich dat dit in tegenspraak lijkt met de uitspraak die rechtbank op 21 juni 2023 tussen [eiseres] en het zorgkantoor over EKT heeft gedaan. Daarin oordeelde de rechtbank immers, dat de gevraagde begeleiding geen Wlz-zorg in de zin van artikel 3.1.1. Wlz was. Maar in die zaak beperkte de activiteiten, waarvoor [eiseres] begeleiding vroeg, zich vooral tot administratieve ondersteuning ten behoeve van met name juridische procedures. En in deze zaak, waar het in deze procedure om gaat, heeft [eiseres] begeleiding gevraagd voor een breder scala aan begeleidingsactiviteiten, die dus, zoals al overwogen, goeddeels onder de begeleiding van artikel 1.1.1. Wlz vallen.
6.1.4.
Voor zover de activiteiten van mevrouw [zorgverlener] de begeleiding op grond van de Wlz te buiten gaan (bijvoorbeeld voor het verzamelen van informatie ten behoeve van juridische procedures), kan de rechtbank het college goed volgen in zijn standpunt dat deze activiteiten vallen onder “gebruikelijke zorg” als bedoeld in artikel 1.1.1. Wmo 2015 of dat hiervoor een oplossing kan worden gevonden in individuele cliëntondersteuning.
6.1.5.
Dat het college niettemin toch begeleiding vanuit de Wmo 2015 ter beschikking zou moeten stellen, omdat het zorgbudget op grond van de Wlz, zoals [eiseres] stelt, ontoereikend is, acht de rechtbank niet steekhoudend en ook onvoldoende overtuigend onderbouwd. In de volgende overwegingen gaat de rechtbank verder in op de argumenten, die [eiseres] hiervoor heeft aangevoerd.
6.1.6.
Hoewel het zorgkantoor de EKT-aanvraag van [eiseres] heeft afgewezen, staat voor de rechtbank nog onvoldoende vast dat daarmee alle mogelijkheden voor extra Wlz-budget (bijvoorbeeld op grond van artikel 2.2. en 5.1.a van de Regeling langdurige zorg) zijn uitgeput. Daarnaast geldt, zoals de rechtbank ook al in de hiervoor onder 6.1.1. genoemde uitspraak van 21 juni 2023 – in een overweging ten overvloede – heeft overwogen, dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij haar pgb ten behoeve van de door haar gevraagde begeleiding niet doelmatiger zou kunnen inzetten.
6.1.7.
Of en in hoeverre het pgb, dat [eiseres] thans op grond van de Wlz ontvangt, daadwerkelijk ontoereikend is, zodat zij daarnaast nog een voorziening voor de activiteiten van mevrouw [zorgverlener] nodig heeft, kan de rechtbank nu niet zonder meer vaststellen. Daarvoor zou meer deskundig onderzoek naar de zorgsituatie van [eiseres] nodig zijn. Dat het college daar geen onderzoek naar gedaan heeft, kan de rechtbank alleszins billijken, omdat het college immers uitvoerder van de Wmo is en haar taken zich niet uitstrekken tot de zorg uit de Wlz.
6.1.8.
Of een andere zorgmodaliteit uitkomst zou kunnen bieden kan de rechtbank om dezelfde reden evenmin vaststellen.
6.1.9.
Ook de stelling van [eiseres] dat zij niet in aanmerking komt voor een andere
Wlz-indicatie met een uitgebreider zorgpakket staat voor de rechtbank nog onvoldoende vast. [eiseres] baseert zich hierbij op informatie van het zorgkantoor, maar dat acht de rechtbank in dit verband onvoldoende gezaghebbend, omdat het CIZ de instantie is die beslist over Wlz-indicaties.
7. De rechtbank komt op grond van voorgaande overwegingen tot de slotsom dat de
Wlz met betrekking tot de aangevraagde begeleiding de voorliggende voorzieningen biedt en dat [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht om tot de conclusie te kunnen komen dat zij naast die voorzieningen uit de Wlz toch ook nog aanspraak kan maken op aanvullende voorzieningen uit de Wmo 2015. Het college heeft de gevraagde voorziening terecht en op goede gronden geweigerd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van Rechtbank Overijssel van 21 juni 2023, kenmerk: ECLI:NL:RBOVE:2023:2301
2.Dit volgt uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015.
3.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819
4.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 mei 2018, kenmerk: ECLI:NL:CRVB:2018:1525