Uitspraak
RECHTBANK
1.De procedure
2.De feiten
3.Het wrakingsverzoek
4.Het standpunt van mr. Rozeboom
5.De beoordeling
De vermeende onjuistheid van de beslissing van 14 mei 2025 kan op zichzelf geen grond voor wraking opleveren. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van beslissingen die de rechter eerder heeft genomen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van hoger beroep belast is met de behandeling van de zaak in hoger beroep.
Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 18 december 2020 [1] heeft overwogen, moet een wrakingsgrond zijn gebaseerd op feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter van wie wraking is verzocht. Een vermeend onjuiste beslissing van de rechter kan alleen leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek, indien die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden opgevat dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Weliswaar heeft de Hoge Raad deze rechtsoverwegingen gedaan in een zaak waarin een wrakingsverzoek werd gedaan als verkapt rechtsmiddel tegen een onwelgevallige (tussen)beslissing, en is daarvan in deze zaak geen sprake, maar deze rechtsoverwegingen van de Hoge Raad zijn in dit geval wel van overeenkomstige toepassing.