4.8.Tussen partijen is niet in geschil dat de verleende omgevingsvergunning geen afbreuk doet aan het streven om de populaties reeën in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Partijen verschillen van mening over de vraag of het afschot van reeën nodig is en over de vraag of er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De rechtbank zal hierna eerst beoordelen of afschot nodig is in verband met een of meer in artikel 8.74l, eerste lid, onder b, van het Bkl genoemde belangen. Daarna zal de rechtbank beoordelen of voldaan is aan het vereiste dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
4.9.1.Naar aanleiding van het standpunt van het college dat de activiteit nodig is omdat sprake is van een reëel gevaar voor de openbare veiligheid, als bedoeld in artikel 8.74l, eerste lid, onder b, sub 3⁰, van het Bkl, en dat de activiteit nodig is in het algemeen belang, als bedoeld in artikel 8.74l, eerste lid, onder b, sub 13⁰, van het Bkl, oordeelt de rechtbank dat de verkeersveiligheid onder de reikwijdte van deze bepalingen valt. Wel ligt het op de weg van het college om aannemelijk te maken dat sprake is van een relatie tussen het afschieten van reeën en de beoogde verbetering van de verkeersveiligheid.
4.9.2.De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verkeersveiligheid in gevaar komt door aanrijdingen met reeën en dat sprake is van een relatie tussen het afschieten van reeën enerzijds en de verbetering van de verkeersveiligheid anderzijds. Het college heeft in dit verband gewezen op een rapport van Groot Buinderink waaruit volgt dat de kans op aanrijdingen groter wordt naarmate de populatie reeën groter wordt. Ook heeft het college gewezen op de situatie in de provincie Drenthe, waar in het voorjaar van 2025 geen afschot kon plaatsvinden. Dat heeft toen geleid tot een aanzienlijke stijging van het aantal aanrijdingen in die provincie. Voor wat betreft het effect van afschot op het aantal aanrijdingen heeft het college zich gebaseerd op de reewildbeheerplannen. Daarin zijn de uitkomsten van de uitgevoerde analyses en verzamelde feiten voor alle 32 WBE’s weergegeven. Toegelicht is waarop deze verzamelde feiten en analyses zijn gebaseerd. Op basis van al deze gegevens heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van causaal verband tussen het aantal aanrijdingen en afschot.
4.9.3.Dat het valwildpercentage niet in alle werkgebieden van WBE’s hoger is dan 8% leidt niet tot het oordeel dat afschot niet nodig is met het oog op de verkeersveiligheid. Er is geen rechtsregel die het college verplicht om enkel in geval van een valwildpercentage dat hoger is dan 8% aan te nemen dat sprake is van een onveilige verkeerssituatie.
4.9.4.De rechtbank is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat voldaan is aan het bepaalde in artikel 8.74l, eerste lid, onder b, van het Bkl.
4.10.1.Ten aanzien van de stelling van de stichtingen dat niet voldaan is aan de voorwaarde dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, stelt de rechtbank vast dat de stichtingen verscheidene alternatieve oplossingen hebben genoemd waarmee aanrijdingen met reeën kunnen worden voorkomen. In het bijzonder hebben de stichtingen gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van dynamische wildwaarschuwingssystemen en op de mogelijkheid om de maximumsnelheid te verlagen.
4.10.2.Voor wat betreft de mogelijkheid om gebruik te maken van dynamische wildwaarschuwingssystemen overweegt de rechtbank dat namens het college is aangegeven dat op drie plekken een dergelijk systeem is toegepast. Voldoende toegelicht is dat veel andere plekken hiervoor niet geschikt zijn. Ook is gebleken dat reeën na verloop van tijd gewend raken aan dergelijke systemen waardoor deze dan niet altijd meer afdoende zijn om aanrijdingen te voorkomen. Dat maakt dat dynamische wildwaarschuwingssystemen in de praktijk een beperkt en plaatsgebonden effect hebben en niet zonder meer structureel voorzien in het terugdringen van het aantal aanrijdingen met reeën. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat dergelijke systemen niet in alle gevallen een bevredigende alternatieve oplossing vormen. Daarnaast mocht het college bij de keuze tussen de verschillende alternatieven ook rekening houden met de kosten van het plaatsen van een dergelijk systeem. Uitgaande van het door de stichtingen genoemde bedrag van € 250.000 per systeem, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een gebiedsdekkende toepassing van dergelijke systemen, gelet op de kosten en de effectiviteit daarvan, geen bevredigende alternatieve oplossing vormt.
4.10.3.Vervolgens komt de vraag aan de orde of het verlagen van de maximumsnelheid een bevredigende alternatieve oplossing vormt. Ter zitting is namens het college toegelicht dat op basis van de beleidslijn rijsnelheden wordt bezien welke maximumsnelheid passend is op wegen waarvan de provincie wegbeheerder is. Naast het belang van een goede doorstroming van het verkeer wordt onder meer rekening gehouden met de veiligheid van wegen voor weggebruikers en hulpverleners bij noodsituaties en de vraag in hoeverre een bepaalde maximumsnelheid geloofwaardig en controleerbaar is. Bij deze belangenafweging wordt, zoals ter zitting toegelicht, ook de aanwezigheid van faunaknelpunten betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank kan een beperking van de maximumsnelheid weliswaar bijdragen aan het beperken van risico’s en de gevolgen van aanrijdingen, maar heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze maatregel, gelet op de aard en omvang van het probleem, onvoldoende is om aanrijdingen structureel te voorkomen. De rechtbank is verder van oordeel dat het college daarnaast ook rekening mag houden met andere belangen, waaronder het belang van een goede doorstroming van het verkeer. Daarbij geldt dat binnen de provincie Overijssel ook andere wegbeheerders zijn. Het college is niet bevoegd om maatregelen te nemen met betrekking tot wegen die in beheer zijn bij het Rijk, gemeenten en waterschappen. Gelet op hetgeen het college over de werking van snelheidsverlaging naar voren heeft gebracht, vormt het beperken van de maximumsnelheid naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen bevredigende alternatieve oplossing.
4.10.4.Het college heeft op de zitting toegelicht dat afschot in Overijssel als aanvullend middel wordt toegepast. Naast afschot wordt ook bermbeheer toegepast en worden waar de plaatselijke situatie zich daarvoor leent ook rasters geplaatst. Bermbeheer houdt in dat gekozen wordt voor eiwitarme begroeiing in bermen van wegen. Een dergelijke begroeiing is onaantrekkelijk voor reeën.
4.10.5De rechtbank is, gelet op wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat het college voldoende heeft toegelicht waarom afschot van reeën noodzakelijk is naast andere maatregelen die zijn genomen om aanrijdingen met reeën te voorkomen. Aan het bepaalde in artikel 8.74l, eerste lid, onder a, van het Bkl is dan ook voldaan.