Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2152

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/08/343706 / ES RK 26-147
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap en regeling hoofdverblijfplaats en verhuizing kinderen

De rechtbank Overijssel heeft op 15 april 2026 het geregistreerd partnerschap tussen de man en de vrouw ontbonden. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen wordt bij de vader vastgesteld. De moeder krijgt vervangende toestemming om te verhuizen naar een andere plaats voor de periodes waarin de kinderen bij haar verblijven. Tevens is een zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen verdeeld zijn over de ouders volgens een co-ouderschapsregeling.

De procedure betrof twee verzoeken: de ontbinding van het geregistreerd partnerschap en de vervangende toestemming voor verhuizing en wijziging van school. De ouders konden geen ouderschapsplan overeenkomen vanwege onenigheid over de verhuizing. De rechtbank oordeelde dat de moeder noodzaak had om te verhuizen, maar dat het belang van de kinderen het best gediend is met het voortzetten van hun leven in de huidige woonplaats.

De rechtbank stelde vast dat de co-ouderschapsregeling ondanks de verhuizing voortgezet kan worden, ondanks de reistijd tussen de woonplaatsen. De financiële aspecten, waaronder kinderalimentatie, werden berekend en vastgesteld dat de vader een bijdrage van €11 per kind per maand aan de moeder moet betalen. De afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden werd aangehouden voor nader overleg.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap, stelt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader vast, verleent de moeder vervangende toestemming tot verhuizing en stelt een zorgregeling vast.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/343706 / ES RK 26-147 (ontbinding geregistreerd partnerschap)
C/08/343236 / FA RK 25-3302 (vervangende toestemming verhuizing/school)
Beschikking van 15 april 2026
in de zaak van:
[de vader],
verzoeker in de ontbinding geregistreerd partnerschap,
belanghebbende in de vervangende toestemming tot verhuizing/school,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man of de vader,
advocaat: mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn,
tegen
[de moeder],
verzoeker in de vervangende toestemming verhuizing/school,
belanghebbende in de ontbinding geregistreerd partnerschap,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vrouw of de moeder,
advocaat: mr. J.E. Bruning.

1.De procedure

Ontbinding geregistreerd partnerschap
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de man (met bijlagen), binnengekomen op 15 januari 2026;
  • het exploot van de betekening van 27 januari 2026, binnengekomen op 29 januari 2026;
  • de op 9 maart 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Bruning;
  • het verweerschrift, met bijlagen, met zelfstandige verzoeken, binnengekomen op
  • het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, met bijlagen, binnengekomen op
Vervangende toestemming verhuizing/school
1.2.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, binnengekomen op 30 december 2025;
  • de op 8 januari 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Bruning;
  • het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 5 februari 2026;
  • de op 5 februari 2026 binnengekomen brief van mr. De Munnik-Hoogendoorn;
  • de op 6 februari 2026 binnengekomen brief van mr. Bruning;
  • het aanvullend verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 6 maart 2026;
  • de op 9 maart 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Bruning;
  • de op 13 maart 2026 binnengekomen brief, met bijlagen van mr. De Munnik-Hoogendoorn;
  • het verweerschrift tegen het aanvullende verweerschrift, binnengekomen op
1.3.
De verzoeken in beide procedures zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 19 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat:
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).

2.De feiten

2.1.
De man en de vrouw zijn op [datum] 2018 in [plaats 1] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan onder partnerschapsvoorwaarden.
2.2.
Zij zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021.
2.3.
Bij beschikking van 11 februari 2026 heeft de rechtbank in het kader van voorlopige voorzieningen een zorgregeling vastgesteld tussen de ouders en de kinderen in de echtelijke woning, in overeenstemming met productie 10 die als bijlage is aangehecht.

3.Het verzoek ontbinding geregistreerd partnerschap

3.1.
De man verzoekt de rechtbank om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
tussen partijen de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken;
primair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de man zal zijn en de
hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vrouw en dat er een zorgregeling geldt tussen ouders en de kinderen van:
  • in de A weken:
  • zaterdag 16.30 uur bij de man tot dinsdag 16.30 uur;
  • van dinsdag 16.30 uur bij de vrouw zijn tot zaterdag 16.30 uur;
  • in de B weken:
  • van zaterdag 16.30 uur bij de man tot woensdag 16.00 uur;
  • van woensdag 16.00 uur tot zaterdag 16.30 uur bij de vrouw;
  • alsmede de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg vast te stellen;
3. dan wel subsidiair in geval de vrouw verhuist naar [plaats 2] , gemeente [gemeente] , te
bepalen dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de man en een zorgregeling vast te stellen tussen de vrouw en de kinderen van drie weekenden per vier weken van vrijdag na school tot zondag 16.30 uur waarbij de kinderen door de vrouw zullen worden gehaald en gebracht;
4. de vrouw te verbieden zonder toestemming van de man met de kinderen te verhuizen
naar [plaats 2] dan wel een andere plaats buiten [plaats 1] ;
5. de door de vrouw ingestelde procedure met zaaknummer C/08/343236 FA RK 253302
(verzoekschrift vervangende toestemming voor verhuizing en wijziging school ex art.1:253a BW) te voegen in deze ontbinding geregistreerd partnerschapsprocedure en de mondelinge behandeling van dat verzoekschrift tezamen met de mondelinge behandeling onderhavig verzoekschrift tot ontbinding geregistreerd partnerschap te plannen;
6. het nog nader te overleggen convenant deel uit te laten maken van de ontbinding
geregistreerd partnerschapsbeschikking dan wel, bij gebreke daarvan, te bepalen conform hetgeen de man zal verzoeken in het nog in te dienen aanvullend verzoek voor de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden.
4. Het verweer ontbinding geregistreerd partnerschap en de zelfstandige verzoeken
4.1.
De vrouw wendt zich tot de rechtbank met het verzoek, om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. het verzoek van de man om het geregistreerd partnerschap te ontbinden, toe te
wijzen;
de verzoeken van de man ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de
zorgregeling (zoals verwoord onder II en III van zijn petitum) af te wijzen;
het verzoek van de man om de vrouw te verbieden zonder toestemming van de man
met de kinderen te verhuizen naar [plaats 2] dan wel een andere plaats buiten [plaats 1] af te wijzen als zijnde ongegrond;
het verzoek om de procedure vervangende toestemming voor verhuizing en wijziging
school te voegen met de onderhavige procedure toe te wijzen;
het verzoek van de man om het nog nader te overleggen convenant deel uit te laten
maken van de ontbinding geregistreerd partnerschapsbeschikking toe te wijzen.
En voorts, bij wijze van zelfstandige verzoeken:
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw is;
een zorgregeling vast te stellen inhoudende:
- de kinderen verblijven iedere week van maandag tot dinsdagavond na etenstijd (18.30
uur) bij de man en daarnaast in de oneven weken (en dus om de week) een weekend
ingaande op vrijdagmiddag na schooltijd;
- de kinderen verblijven iedere week van dinsdagavond 18.30 uur tot vrijdagmiddag
schooltijd bij de vrouw en daarnaast in de even weken (en dus om de week) een weekend ingaande op vrijdagmiddag na schooltijd;
een vakantieregeling vast te stellen inhoudende:
- de zomervakantie wordt bij helfte gedeeld in die zin dat de kinderen twee
aaneengesloten weken bij de ene ouder verblijven en daarna twee aaneengesloten
weken bij de andere ouder, waarna de kinderen nog één week bij hun vader en één week bij hun moeder verblijven, waarbij de vrouw de keuze heeft voor welke twee
aaneengesloten weken in de even jaren en de man in de oneven jaren;
- de meivakantie wordt bij helfte gedeeld, waarbij de vrouw de keuze voor de eerste of
de laatste week heeft in de even jaren en de man in de oneven jaren;
- de kerstvakantie bij helfte wordt gedeeld, in goed overleg tussen partijen overeen te
komen waarbij de kinderen eerste kerstdag bij de ene ouder zijn en tweede kerstdag bij de andere ouder en daarnaast om het jaar met oud en nieuw bij de ene dan wel bij de andere ouder verblijven;
- de reguliere regeling loopt door in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie;
i. te bepalen dat de man, met ingang van de datum van de beschikking ontbinding
geregistreerd partnerschap, dient bij te dragen aan de kosten van de kinderen met een bedrag van € 148,- per kind per maand (€ 296,- per maand in totaal), welk bedrag bij
vooruitbetaling uiterlijk op de dag voorafgaand aan de eerste dag van de betreffende maand aan de vrouw dient te worden overgemaakt;
- kosten rechtens.
5. Het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken ontbinding geregistreerd partnerschap
5.1.
De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
7. de afwikkeling van partnerschapsvoorwaarden aan te houden en partijen daarbij de gelegenheid te geven in onderling overleg te komen tot een convenant, en waarbij dit niet mocht lukken partijen de gelegenheid te geven een aanvullend verzoek in te dienen;
8. het zelfstandig verzoek van de vrouw ter zake de vaststelling van de kinderalimentatie af te wijzen dan wel subsidiair:
- de behoefte van de kinderen vast te stellen op € 710,-- per kind per maand;
- in de berekening uit te gaan ten aanzien van het salaris van de man met een bonus van € 5.815,31;
- in de berekening van het salaris van de man mee te nemen de bijtelling van de auto en de eigen bijdrage leaseauto zoals deze blijken uit de overgelegde salarisstroken, te weten € 1.033,-- per maand bijtelling en eigen bijdrage € 47,-- per maand;
9. uiterst subsidiair: ingeval de vrouw vervangende toestemming krijgt te verhuizen een zorgregeling tussen de vrouw en de kinderen vast te stellen conform de zorgregeling zoals die blijkt uit productie 13 van de man, waarbij de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man, op hun school in [plaats 1] zullen blijven en alle buitenschoolse activiteiten eveneens in [plaats 1] / [plaats 3] zullen plaatsvinden;
10. de voorgestelde vakantieregeling van de vrouw tussen partijen vast te stellen, met daarbij de aanvulling dat in de even jaren Pasen bij de ene ouder en Pinksteren bij de andere ouder is, en in de oneven jaren omgekeerd en dat vakanties beginnen op de vrijdag;
11. de overige verzoeken van de vrouw af te wijzen.
- voor het overige tot persistit.

6.Het verzoek vervangende toestemming verhuizing

6.1.
De vrouw wendt zich tot de rechtbank met het verzoek om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
aan haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met de kinderen naar [plaats 2] ;
aan haar vervangende toestemming te verlenen voor het wijzigen van de school van de kinderen met ingang van na de voorjaarsvakantie 2026 naar een school in de buurt van de woonplaats van de vrouw, in onderling overleg met de man te bepalen.
Kosten rechtens.

7.Het (aanvullend) verweer vervangende toestemming verhuizing

7.1.
De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de verzoeken van de vrouw af te wijzen;
deze door de vrouw ingestelde procedure met zaaknummer C/08/343236 FA RK 25-3302 te voegen in de procedure ontbinding geregistreerd partnerschap met zaaknummer C/08/343706 ES-RK 26-147 en de mondelinge behandeling van het door de vrouw gedane verzoek tezamen met de mondelinge behandeling van het verzoekschrift ontbinding geregistreerd partnerschap te plannen;
indien vervangende toestemming voor de verhuizing wordt verleend, deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
subsidiair indien vervangende toestemming voor de verhuizing wordt verleend dan:
  • de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij vader vast te stellen;
  • alsmede te bepalen dat de kinderen op hun school in [plaats 1] blijven;
  • alsmede te bepalen dat het halen en brengen van de kinderen geschiedt door de vrouw;
  • alsmede te bepalen dat de kinderen alle buitenschoolse activiteiten zoals bijvoorbeeld zwemles, sport, muziek, et cetera zullen hebben in [plaats 1] / [plaats 3] .
  • alsmede te bepalen dat er een zorgregeling vastgesteld wordt tussen de vader en de kinderen inhoudende de regeling zoals is beschreven in productie 4 het gewenste schema (in OP) van [de vader] ;
5. uiterst subsidiair indien vervangende toestemming voor de verhuizing wordt verleend dan:
  • de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij vader vast te stellen;
  • alsmede te bepalen dat de kinderen op hun school in [plaats 1] blijven;
  • alsmede te bepalen dat de kinderen alle buitenschoolse activiteiten zoals bijvoorbeeld zwemles, sport, muziek, et cetera zullen hebben in [plaats 1] / [plaats 3] ;
  • alsmede te bepalen dat er een zorgregeling vastgesteld wordt tussen de moeder en de kinderen inhoudende de regeling zoals is beschreven in productie 13 van de man.

8.Het verweerschrift tegen het aanvullend verweer

8.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn aanvullend verzoek om te bepalen dat de kinderen alle buitenschoolse activiteiten zoals bijvoorbeeld zwemles, sport, muziek, et cetera zullen hebben in [plaats 1] / [plaats 3] , dan wel dit verzoek af te wijzen.

9.Het advies van de raad

9.1.
De raad vindt het voortzetten van birdnesting alleen wenselijk als beide partijen daar achter staan. Dat is hier niet het geval. De raad vindt het echter niet in het belang van de kinderen dat zij verhuizen naar [plaats 2] . Het leven van de kinderen bevindt zich in [plaats 1] en dat moet volgens de raad zo blijven. De beslissing van de moeder om een huurwoning in [plaats 2] te accepteren is genomen vanuit noodzaak. Ook de moeder zou het voor de kinderen beter vinden als zij in [plaats 1] zou kunnen blijven wonen. Volgens de raad kan de co-ouderschapsregeling niet in stand blijven met een verhuizing van de moeder naar [plaats 2] . De raad vindt de reistijd die de kinderen moeten afleggen tussen [plaats 1] en [plaats 2] te belastend voor de kinderen. De raad voorziet dat dit ook problemen zal opleveren voor de buitenschoolse activiteiten en speelafspraakjes van de kinderen. Als de raad moet uitgaan van een verhuizing van de moeder naar [plaats 2] , dan adviseert de raad de rechtbank om de kinderen in [plaats 1] te laten wonen en een andere zorgregeling vast te stellen tussen de moeder en de kinderen met een lagere frequentie dan de huidige regeling. De raad benadrukt dat zij dit niet het meest in het belang van de kinderen vindt, maar dat dit wel een gevolg is van de keuze van de moeder om naar [plaats 2] te verhuizen.

10.De beoordeling

Het ontbreken van het ouderschapsplan
10.1.
Het is de ouders nog niet gelukt een ouderschapsplan te maken. In een ouderschapsplan staan de afspraken over de kinderen, zoals wanneer de kinderen bij wie zijn en hoe de ouders elkaar op de hoogte houden over de kinderen. Als de ouders geen ouderschapsplan hebben gemaakt, neemt de rechtbank geen beslissing totdat zij zo’n plan hebben gemaakt. De rechtbank kan daarop een uitzondering maken als niet van de ouders kan worden verwacht dat zij samen een ouderschapsplan maken.
10.2.
De rechtbank bepaalt dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Dat wil zeggen dat dit verzoek en de andere verzoeken die daarmee samenhangen inhoudelijk kunnen worden behandeld. De rechtbank vindt namelijk dat van de ouders niet kan worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat zij het niet eens kunnen worden over de voorgenomen verhuizing van de moeder naar [plaats 2] . Dit maakt dat het hen ook niet lukt om afspraken te maken over de kinderen. De rechtbank zal daarom beslissen op de verzoeken van de ouders die zij hierover hebben gedaan.
Ontbinding geregistreerd partnerschap
10.3.
De rechtbank zal de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen de man en de vrouw uitspreken, omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan.
Hoofdverblijfplaats, verhuizing/school en de zorgregeling
10.4.
De rechtbank zal:
  • bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;
  • de moeder vervangende toestemming geven voor de verhuizing naar [plaats 2] ;
  • een zorgregeling vaststellen waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op maandag, dinsdag en woensdagochtend bij de vader verblijven. De vader brengt de kinderen op woensdagochtend naar school en de moeder haalt de kinderen op uit school. De kinderen verblijven dan van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdag bij de moeder. De kinderen verblijven in de even weken aansluitend van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder. De kinderen verblijven in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader;
  • vaststellen dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de vakantie- en feestdagen;
  • de overige verzoeken hierover in allebei de procedures afwijzen.
10.5.
Dit betekent dat de rechtbank een eindbeslissing zal nemen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat zij voldoende is voorgelicht om nu een eindbeslissing te nemen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
10.6.
De situatie is als volgt. Er is al een geruime periode sprake van birdnesting door de ouders. De moeder heeft naar voren gebracht dat dit voor haar door de spanningen niet langer houdbaar is. De moeder zou graag voor de kinderen in [plaats 1] willen blijven wonen, maar heeft naar voren gebracht dat zij geen woning kan krijgen in [plaats 1] . Bij de woningbouwvereniging in [gemeente] staat zij al geruime tijd ingeschreven en is het haar gelukt om een huurwoning te krijgen in [plaats 2] . Zij wil daarom naar [plaats 2] verhuizen. Voor haar is dit geen tijdelijke oplossing, zij wil zich voor langere tijd vestigen in [plaats 2] . De woning is grotendeels klaar om bewoond te worden, maar zij wacht hiermee tot de beslissing in deze procedure. Tot die tijd woont zij bij haar ouders als zij niet in de echtelijke woning verblijft met de kinderen. De kinderen zijn nog niet op de hoogte van de woning in [plaats 2] . De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderen, ongeacht de verhuizing naar [plaats 2] , hun hoofdverblijfplaats bij haar moeten hebben. Volgens de moeder kan de co-ouderschapsregeling (in een andere vorm) worden voortgezet als zij in [plaats 2] woont.
De vader is het niet eens met de voorgenomen verhuizing van de moeder. De vader wil graag de birdnesting-constructie voortzetten tot de moeder wel een woning in [plaats 1] heeft gevonden. Hij wil daarom ook dat de rechtbank de moeder verbiedt om te verhuizen naar [plaats 2] . Hij stelt zich in eerste instantie op het standpunt dat de moeder in [plaats 1] moet blijven wonen, zodat de co-ouderschapsregeling kan worden voortgezet. [minderjarige 1] moet in dat geval haar hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en [minderjarige 2] bij de moeder. De vader heeft de intentie om, na verkoop van de echtelijke woning, in [plaats 1] te blijven wonen. Als de rechtbank de moeder wel vervangende toestemming verleent, dan moeten de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en moet er een zorgregeling worden vastgesteld tussen de kinderen en de moeder waarin zij drie weekenden per vier weken bij de moeder verblijven dan wel een zorgregeling waarin de kinderen op maandag en dinsdag bij de moeder verblijven en om het weekend.
10.7.
De situatie in deze zaak wijkt af van de gebruikelijke (1:253a BW) verhuiszaak, omdat in dat soort zaken de ouders al zijn gescheiden, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling al is vastgesteld en de ouders al een plek voor zichzelf met de kinderen hebben. In deze zaak heeft de rechtbank geen van deze vertrekpunten, omdat de ouders nog moeten scheiden, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling (na de scheiding) nog niet is vastgesteld en beiden nog geen duidelijkheid hebben over hun woonplek na de scheiding. De hoofdverblijfplaats, de verhuizing en de zorgregeling zijn sterk met elkaar verweven. Dat maakt dat het in deze zaak lastig is om één vertrekpunt te kiezen. De rechtbank zal daarom verschillende vertrekpunten naast elkaar beoordelen om zo tot een beslissing te komen en maakt daarbij gebruik van de criteria uit de rechtspraak van de Hoge Raad in verhuiszaken. De rechtbank houdt er verder rekening mee dat in geval van co-ouderschap deze zogenoemde verhuiscriteria ook worden toegepast als de ouder bij wie niet het hoofdverblijf van de kinderen is, wil verhuizen. De rechtbank houdt rekening met alle omstandigheden en maakt een belangenafweging. Het belang van de kinderen staat hierbij voorop, maar afhankelijk van de omstandigheden kunnen andere belangen zwaarder wegen. In deze zaak spelen met name de volgende criteria een rol:
- leeftijd van de kinderen en in hoeverre zij zijn gewend aan hun omgeving;
- noodzaak om te verhuizen;
- hoe vaak er contact plaatsvindt tussen de kinderen en de ouders voor en na de verhuizing;
- hoe goed de ouders met elkaar kunnen overleggen.
Leeftijd van de kinderen en hun omgeving
10.8.
De rechtbank is van oordeel dat een verhuizing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 2] niet in hun belang is. Hoewel [minderjarige 1] gelet op haar leeftijd misschien meer gewend zal zijn aan [plaats 1] dan [minderjarige 2] , hebben beiden hier een (sociaal) leven opgebouwd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn allebei geboren en tot nu toe opgegroeid in [plaats 1] . Zij gaan beiden in [plaats 1] naar school en naar de BSO en hebben daar vrienden gemaakt. Op school gaat het ondanks de scheidingssituatie goed met de kinderen. [minderjarige 1] heeft wekelijks speelafspraakjes, zit op dansen en gaat in [plaats 3] naar zwemles. [minderjarige 2] staat op de wachtlijst in [plaats 3] om te beginnen met zwemles. Een groot deel van het netwerk van de ouders bevindt zich in [plaats 1] , zoals de opa van de vaderszijde die wekelijks oppast. Door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar [plaats 2] te laten verhuizen, worden zij uit hun vertrouwde omgeving gehaald. De rechtbank weegt hier ook in mee dat het juist in de huidige scheidingssituatie van belang is dat de kinderen zoveel mogelijk rust, stabiliteit en duidelijkheid ervaren. Een verhuizing naar [plaats 2] zal hier niet aan bijdragen.
Noodzaak om te verhuizen
10.9.
Aan de andere kant is de rechtbank van oordeel dat de moeder, ondanks het verweer van de vader, voldoende heeft onderbouwd dat zij een noodzaak heeft om te verhuizen naar [plaats 2] . De moeder heeft onderbouwd gesteld dat zij, vanwege de korte duur van de inschrijving bij de woningbouwvereniging, niet snel in aanmerking komt voor een sociale huurwoning in [plaats 1] . De kans op een particuliere huurwoning is ook klein vanwege de, niet door de vader betwiste, voorwaarden die hieraan worden gesteld, zoals een vast contract met een bepaald inkomen dat een aantal keer zo hoog moet zijn als de huur. Voor de moeder is dat niet haalbaar gelet op het feit dat zij pas sinds maart weer aan het werk is nadat zij bijna twee jaar in de Ziektewet heeft gezeten vanwege een burn-out. De moeder is met een jaarcontract aan het re-integreren bij de gemeente Hellendoorn voor drie dagen per week. De moeder heeft gelet hierop daarom ook voldoende onderbouwd dat zij niet in staat is om met haar huidige inkomen een hypotheek te krijgen waarmee zij een woning in [plaats 1] zou kunnen kopen. Nu de echtelijke woning nog niet is verkocht en de ouders nog met elkaar in overleg zijn over de partnerschapsvoorwaarden, is het nog onduidelijk of er een overwaarde is dan wel hoe hoog deze is. Daarnaast stelt de vader dat hij een vergoedingsrecht heeft op de moeder en stelt de moeder op haar beurt dat zij een schuld bij haar ouders heeft die moet worden afgelost uit de overwaarde. Of de moeder hiermee een huis zou kunnen kopen in [plaats 1] , is dus onduidelijk. De rechtbank weegt ook mee dat de ouders al ruim negen maanden in een birdnesting-constructie zitten. Hoewel dit voor de vader goed verloopt en hij de constructie wil voortzetten totdat de moeder een woning in [plaats 1] heeft gevonden, is dit voor de moeder niet het geval. Birdnesting vraagt veel van beide ouders en is een (tijdelijke) constructie waar beide ouders ook achter moeten staan. Nu dit voor de moeder niet meer vol te houden is, kan niet van haar worden verwacht dat zij birdnesting moet voortzetten in afwachting van een woning in [plaats 1] zonder dat zij hier binnen afzienbare tijd zicht op heeft.
Zorgregeling na de verhuizing
10.10.
Een andere belangrijke afweging die de rechtbank moet maken is of de huidige zorgregeling kan worden voortgezet na een eventuele verhuizing en zo niet, hoe het contact tussen de ouders en de kinderen er dan uit moet komen te zien. De ouders geven op dit moment uitvoering aan een birdnesting-constructie die in feite neerkomt op een co-ouderschapsregeling. De vraag is dus of (een andere invulling van) een co-ouderschapsregeling met een eventuele verhuizing van de moeder naar [plaats 2] haalbaar is.
Volgens de vader is dit gelet op de reistijd en de wagenziekte van [minderjarige 1] niet haalbaar en ook de raad heeft hierover negatief geadviseerd. De reistijd tussen [plaats 1] en [plaats 2] bedraagt ongeveer 40 minuten. De kinderen zullen bij een co-ouderschapsregeling meerdere reisbewegingen per week moeten maken, ongeacht waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben en naar school gaan. Dit is geen ideale situatie voor de kinderen. Ten aanzien van de wagenziekte van [minderjarige 1] overweegt de rechtbank dat tijdens de zitting is gebleken dat [minderjarige 1] hier geen last meer van heeft sinds zij voorin zit. Aan de andere kant ziet de rechtbank dat het creëren van een ideale situatie in deze kwestie niet meer haalbaar is. De rechtbank moet een afweging maken tussen twee situaties die - ten opzichte van de huidige situatie - allebei nadelen meebrengen voor de kinderen. Aan de ene kant de situatie waarin de co-ouderschapsregeling wel kan worden voortgezet, maar de kinderen veel reisbewegingen zullen moeten maken tussen [plaats 1] en [plaats 2] . En aan de andere kant de situatie waarin er een beperkte zorgregeling – zoals de weekendregeling die vader subsidiair heeft verzocht – zal zijn tussen de moeder en de kinderen als gevolg van haar keuze, wat volgens de raad ook niet in het belang is van de kinderen. De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat een co-ouderschapsregeling bij een verhuizing naar [plaats 2] wel kan worden voortgezet. Hoewel dit gelet op de reistijd een belasting zal zijn voor de kinderen, weegt dit naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het nadeel dat de kinderen veel minder contact zouden hebben met de moeder. De rechtbank komt daarmee tot de tussenconclusie dat een verhuizing van de moeder naar [plaats 2] geen gevolgen zal hebben voor het contact met één van de ouders.
Communicatie tussen de ouders
10.11.
Ondanks dat de ouders op dit moment op gespannen voet staan gelet op de scheidingssituatie en de verhuizingskwestie, ziet de rechtbank dat het de ouders wel lukt om goed met elkaar te communiceren over de kinderen. Dat is hen de afgelopen negen maanden goed gelukt na het feitelijk uiteengaan en in de birdnesting-constructie. De rechtbank vindt dat een compliment waard en voorziet hier ook geen problemen in als de moeder naar [plaats 2] verhuist. De ouders weten elkaar te vinden, met name via e-mailbericht, om te communiceren over de kinderen. De rechtbank verwacht dat de onderlinge spanningen zullen afnemen zodra de ouders duidelijkheid hebben over de verhuizing en samen met de kinderen hun plek hebben gevonden en gewend zijn aan de situatie. Dat zal ten goede komen van de onderlinge communicatie.
Conclusie hoofdverblijfplaats, verhuizing/school en zorgregeling
10.12.
De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de volgende eindconclusie. De rechtbank vindt het niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij verhuizen naar [plaats 2] . Aan de andere kant ziet de rechtbank ook dat de moeder geen woning kan vinden in [plaats 1] en genoodzaakt is om te verhuizen naar [plaats 2] . Als de moeder gaat verhuizen, dan is het volgens de rechtbank wel mogelijk om de co-ouderschapsregeling (in een andere vorm) voort te zetten. Vanuit dat oogpunt zal de verhuizing van de moeder geen grote, negatieve, gevolgen hebben voor het contact tussen de ouders en de kinderen. Het lukt de ouders ook, ondanks de huidige spanningen, om goed met elkaar te communiceren over de kinderen. Dat staat een verhuizing van de moeder voor de periodes waarin de kinderen rechtmatig bij haar verblijven dus ook niet in de weg. De rechtbank vindt daarom ook dat de moeder mag verhuizen naar [plaats 2] en zal haar hier toestemming voor geven. Het verzoek van de vader om haar te verbieden om te verhuizen naar [plaats 2] zal dus worden afgewezen. Dit neemt niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat zij hun huidige leven in [plaats 1] kunnen voortzetten en dus daar naar school kunnen blijven gaan. Juist in deze scheidingssituatie is het belangrijk dat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven. Dit betekent dat de rechtbank zal bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben. Het financiële belang (toeslagen) dat de ouders allebei stellen te hebben bij het bepalen van de hoofdverblijfplaats, speelt voor de rechtbank geen (doorslaggevende) rol in deze beslissing. Dit betekent dat de financiële belangen niet tot een andere beslissing zullen leiden. Het (subsidiaire) verzoek van de vader over de hoofdverblijfplaats wordt daarom toegewezen en het verzoek van de moeder afgewezen. Ook zal gelet hierop het verzoek van de moeder over de school van de kinderen worden afgewezen.
10.13.
De volgende vraag is hoe in die situatie vormgegeven moet worden aan de co-ouderschapsregeling. De rechtbank volgt hierin vanuit praktisch oogpunt grotendeels het verzoek van de moeder, omdat dit het beste aansluit bij de huidige werkdagen van de ouders. In tegenstelling tot het verzoek van de moeder om het wisselmoment op dinsdagavond te laten plaatsvinden, zal deze op woensdag na school plaatsvinden. In dat geval verblijven de kinderen evenveel bij de vader als de moeder. De regeling ziet er dan als volgt uit:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op maandag, dinsdag en woensdagochtend naar school bij de vader;
  • de vader brengt de kinderen op woensdagochtend naar school en de moeder haalt de kinderen op woensdagmiddag op uit school;
  • de kinderen verblijven van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdag bij de moeder;
  • de kinderen verblijven in de even weken aansluitend van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder;
  • de kinderen verblijven in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader.
10.14.
De ouders hebben overeenstemming bereikt over de vakantieregeling. De rechtbank zal die vaststellen.
Uitvoerbaar bij voorraad
10.15.
De rechtbank zal de beslissing over de verhuizing, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De rechtbank overweegt hierover dat er een einde moet komen aan de huidige situatie waarin de ouders en de kinderen onzekerheid en onduidelijkheid ervaren over de situatie na de scheiding. Het in stand laten van de huidige situatie, en dus ook van de voor de moeder onhoudbare birdnesting-constructie, zal tot meer spanningen leiden tussen de ouders. Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet in het belang van de kinderen. Daarnaast zal bij een eventuele vernietiging van deze beschikking van een formele terugverhuizing geen sprake zijn, omdat de kinderen in [plaats 1] blijven wonen en daar ook naar school blijven gaan. Dit neemt niet weg dat de kinderen ook zullen wennen aan [plaats 2] , maar dit weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het nadeel van het in stand laten van de huidige situatie.
Buitenschoolse activiteiten
10.16.
De rechtbank zal het verzoek van de vader over de buitenschoolse activiteiten afwijzen en overweegt hierover als volgt.
10.17.
De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is om hierover een beslissing te nemen, omdat dit een geschil is tussen de ouders dat gaat over de uitoefening van het gezag. Dit kan op grond van artikel 1:253a BW worden voorgelegd aan de rechtbank.
10.18.
Hoewel de rechtbank het belangrijk vindt dat de kinderen in hun vertrouwde omgeving in [plaats 1] blijven wonen, betekent dit niet dat zij geen leven mogen opbouwen met de moeder in [plaats 2] . De moeder zal naar [plaats 2] verhuizen en een deel van het leven van de kinderen zal zich daar dus ook gaan afspelen. Het is aan de ouders om gaandeweg en in onderling overleg vorm te geven aan hoe het leven er voor de kinderen na de scheiding zowel in [plaats 1] als in [plaats 2] uit gaat zien. Het is niet aan de rechtbank om hierover vooruitlopend voor nu en in de toekomst over alle buitenschoolse activiteiten te beslissen.
De kinderalimentatie
Vooraf
10.19.
Zoals hiervoor blijkt, zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man bepalen. Dit betekent dat de rechtbank in de berekening ervan uitgaat dat de man dus de kinderbijslag en het kindgebonden budget ontvangt. Het is gebruikelijk dat de kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie de kinderen de hoofdverblijfplaats hebben, maar ook de ouder bij wie de kinderen niet de hoofdverblijfplaats hebben kan om kinderalimentatie verzoeken. In dat geval moet ‘gewoon’ getoetst worden aan de wettelijke maatstaven. [1]
10.20.
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 11,- per kind per
maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf de datum van de beschikking. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
De ingangsdatum
10.21.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de nieuwe kinderalimentatie gaat gelden. [2] De rechtbank vindt dat de man de kinderalimentatie vanaf de datum van deze beschikking moet betalen, omdat de vrouw dit heeft verzocht en daar geen verweer tegen is gevoerd.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
10.22.
De rechtbank volgt de berekening van de vrouw (pr. 7) en stelt de behoefte van de kinderen vast op € 723,- per kind per maand in 2026. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
10.23.
De man en de vrouw gaan uit van dezelfde inkomensgegevens. Een jaarinkomen van de man van € 82.594,- minus de bijtelling van € 12.396,- per jaar. En een jaarinkomen van de vrouw van € 25.864,-. Het verschil tussen de door de man gestelde behoefte van € 710,- in 2026 per kind per maand en de door de vrouw gestelde behoefte van afgerond € 723,- in 2026 per kind per maand is niet groot. Het verschil in de behoefteberekeningen is dat de vrouw (pr. 7) bij de berekening van de man de bijtelling van de auto vooraf heeft afgetrokken van zijn inkomen en de man dit in zijn berekening heeft gedaan. De bijtelling heeft (onder andere) invloed op de hoogte van het verzamelinkomen en dus op de hoogte van de toeslagen, zoals het kindgebonden budget. Dit heeft er waarschijnlijk toe geleid dat in de berekening van de vrouw rekening wordt gehouden met kindgebonden budget (€ 70,-) en in de berekening van de man niet. Volgens de richtlijnen is het gebruikelijk om de bijtelling weg te laten in de berekening, ook voor het verzamelinkomen, zodat de rechtbank de berekening van de vrouw op dit punt volgt. Daarnaast houdt de vrouw in haar berekening aan de zijde van de man rekening met de algemene heffingskorting en de man niet. De man en de vrouw zijn het erover eens dat hier wel rekening mee gehouden moet worden, zodat de rechtbank de berekening van de vrouw op dit punt ook volgt.
De draagkracht van beide ouders
10.24.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de man
10.25.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.379,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
10.26.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de loonstrook februari 2026, waarin een inkomen van € 4.995,- bruto per maand staat genoemd.
10.27.
De man en de vrouw zijn het erover eens dat de door de man jaarlijks te ontvangen bonussen moeten worden gemiddeld. Tussen hen is in geschil met welk gemiddelde moet worden gerekend. De vrouw stelt zich op het standpunt dat gerekend moet worden met het gemiddelde over de jaren 2023 tot en met 2025, zijnde € 7.100,-. De man betwist het standpunt van de vrouw en stelt dat rekening gehouden moet worden met het gemiddelde over de jaren 2023 tot en met 2026, zijnde € 5.815,31.
10.28.
De rechtbank is van oordeel dat rekening moet worden gehouden met een bonus van € 6.020,- per jaar. De rechtbank sluit aan bij de vuistregel over de winst uit onderneming, waarbij rekening wordt gehouden met de cijfers over de afgelopen drie jaren. Op die manier worden schommelingen van goede en slechte jaren opgevangen. Dat is in dit geval ook goed te zien, omdat de bonus van 2025 (ontvangen in 2026) een minder jaar was (€ 1.961,-), 2024 (ontvangen in 2025) een goed jaar (€ 10.000,-) en 2023 (ontvangen in 2024) een gemiddeld jaar (€ 6.000,-). De rechtbank acht het daarom redelijk om uit te gaan van het gemiddelde van deze cijfers en dus van € 6.020,- per jaar.
10.29.
De rechtbank heeft berekend dat het netto besteedbaar inkomen voor de man € 4.764,- per maand is.
10.30.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
10.31.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 4.764 =) € 1.429,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.365,- per maand.
10.32.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (4.764 -/- 1.429 -/- 1.365 =) € 2.794,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 1.379,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
10.33.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 693,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
10.34.
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. Voor dat inkomen gaat de rechtbank uit van de pro forma salarisstrook waarin een inkomen van € 3.264,- bruto per maand staat genoemd. De rechtbank heeft berekend dat dit € 3.365,- netto per maand is.
10.35.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
10.36.
Daarvoor maakt de rechtbank weer gebruik van de ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van 3.365=) € 1.010,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimum bedrag aan overige vaste lasten van € 1.365,- per maand.
10.37.
Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft dan een bedrag van (3.365-/- 1.365 -/- 1.010 =) € 2.375,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 693,- per maand.
De verdeling van de kosten
10.38.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
10.39.
Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 1.379,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 693,- per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 2.072,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te betalen, want die zijn € 1.446,- (723 x 2) per maand. Dit betekent dat de man een deel van (1.379/2.072 x 1.446 =) € 962,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (693/2.072 x 1.446 =) € 484,- per maand dragen.
Zorgkorting
10.40.
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
10.41.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en er zal een co-ouderschapsregeling gelden. Volgens de Expertgroep Alimentatie past daarbij een zorgkorting van 35% van de behoefte. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met dat de man de verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen moet betalen wat neerkomt op 30% van de behoefte. In totaal heeft de man daarom recht op een zorgkorting van 65% van de behoefte. Dat komt neer op € 940,-.
10.42.
Het voorgaande komt erop neer dat de man in totaal (962 -/- 940 =) € 22,- per maand en dus € 11,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
10.43.
De rechtbank zal beslissen dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden
10.44.
De man en de vrouw verzoeken de rechtbank om de beslissing op de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden aan te houden voor de duur van twee maanden, omdat zij gaan proberen om er in onderling overleg uit te komen. De rechtbank zal daarom de verzoeken hierover aanhouden.
10.45.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

11.De beslissing

De rechtbank:
In de ontbinding van het geregistreerd partnerschap C/08/343706 / ES RK 26-147
11.1.
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen verzoekers, op
[datum] 2018 te [plaats 1] aangegaan;
11.2.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben;
11.3.
stelt de volgende zorgregeling vast:
  • [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op maandag, dinsdag en woensdagochtend naar school bij de vader;
  • de vader brengt de kinderen op woensdagochtend naar school en de moeder haalt de kinderen op woensdagmiddag op uit school;
  • de kinderen verblijven van woensdagmiddag tot en met vrijdag bij de moeder;
  • de kinderen verblijven in de even weken aansluitend van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder;
  • de kinderen verblijven in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader;
  • de ouder bij wie de kinderen op zondag verblijven, brengt de kinderen op maandagochtend naar school;
11.4.
stelt vast dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de vakantie- en feestdagen en dit er als volgt uitziet:
- de zomervakantie wordt bij helfte gedeeld in die zin dat de kinderen twee
aaneengesloten weken bij de ene ouder verblijven en daarna twee aaneengesloten
weken bij de andere ouder, waarna de kinderen nog één week bij hun vader en één week bij hun moeder verblijven, waarbij de moeder de keuze heeft voor welke twee
aaneengesloten weken in de even jaren en de vader in de oneven jaren;
  • de meivakantie wordt bij helfte gedeeld, waarbij de moeder de keuze voor de eerste of de laatste week heeft in de even jaren en de vader in de oneven jaren;
  • de kerstvakantie wordt bij helfte gedeeld, in goed overleg tussen de ouders overeen te komen waarbij de kinderen eerste kerstdag bij de ene ouder zijn en tweede kerstdag bij de andere ouder en daarnaast om het jaar met oud en nieuw bij de ene dan wel bij de andere ouder verblijven;
  • de reguliere regeling loopt door in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie;
  • in de even jaren Pasen bij de ene ouder en Pinksteren bij de andere ouder en in de
oneven jaren omgekeerd;
  • de vakanties beginnen op de vrijdag;
  • de kinderen verblijven dit jaar met Hemelvaart en het daarop aansluitende weekend bij de moeder (donderdag 14 mei 2026 tot en met maandagochtend naar school);
11.5.
bepaalt dat de man met ingang van heden een bedrag van € 11,- per kind per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;
11.6.
bepaalt dat de man deze kinderalimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
11.7.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de ontbinding van het geregistreerd partnerschap betreft;
11.8.
wijst de overige verzoeken van de man en de vrouw, met uitzondering van de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden, af;
11.9.
houdt iedere beslissing over
de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaardenaan en verzoekt de advocaten om zich uiterlijk op
19 mei 2026uit te laten over de stand van zaken en het verdere verloop van de procedure.
In het verzoek over de verhuizing en de school C/08/343236 / FA RK 25-3302
11.10.
verleent de moeder vervangende toestemming voor verhuizing naar [plaats 2] met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periodes waarin die rechtmatig bij haar verblijven;
11.11.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
11.12.
wijst de overige verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Bruggen, C.W. Couperus-Van Kooten en
M. Vodegel, allen (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]

Voetnoten

1.Hoge Raad 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1924 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2022:1924)
2.Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek