Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2118

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ak_25_3223_tu
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12, eerste lid, AwbArt. 8:51a, eerste lid, AwbArt. 8:80a AwbArt. 8:51b, eerste lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd besluit WIA-uitkering bij CVS/ME

Eiseres, voormalig voorvrouw bij een schoonmaakbedrijf, vordert een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheidspercentage in het kader van de WIA-uitkering vanwege CVS/ME. Na eerdere procedures en een herbeoordeling waarbij het UWV het percentage op 44,20% stelde, werd bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres stelt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en beroept zich op recente jurisprudentie en medische rapporten die de ernst van haar aandoening onderstrepen.

De rechtbank beoordeelt dat het UWV zijn besluit onzorgvuldig heeft genomen en onvoldoende heeft gemotiveerd. De verzekeringsarts B&B heeft onvoldoende rekening gehouden met eerdere medische rapporten en de recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over de wetenschappelijke waarde van de gebruikte onderzoeksmethoden. Ook is onduidelijk of het UWV adequaat informatie heeft opgevraagd bij Cardiozorg.

De rechtbank beveelt het UWV aan het besluit te herzien, waarbij alle relevante medische informatie en jurisprudentie betrokken moeten worden. Tevens moet het UWV opnieuw informatie opvragen bij Cardiozorg. De rechtbank stelt een termijn van acht weken voor het herstel van het besluit en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het UWV onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd heeft gehandeld en geeft het UWV de gelegenheid het besluit te herstellen binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3223 T

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

Deze tussenuitspraak gaat over het beroep van eiseres over haar recht op een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 44,20%. Hierover heeft zij al eerder geprocedeerd. Eiseres stelt dat dat zij vanwege onder meer CVS/ME volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.

Inleiding

1. Eiseres was werkzaam als voorvrouw/objectleidster bij Novon Schoonmaak en is in 2013 uitgevallen. Met ingang van 21 augustus 2016 kreeg zij voor het eerst recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het bijbehorende arbeidsongeschiktheidspercentage was toen 36,79%.
1.1.
Met het besluit van 25 januari 2019 is de WIA-uitkering van eiseres met ingang van
26 maart 2019 beëindigd. Reden hiervoor was een herbeoordelingsverzoek van de ex-werkgever van eiseres, waarna de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%, namelijk 16,30%. Het bezwaar tegen deze beslissing is ongegrond verklaard. Met de uitspraak [1] van 23 december 2019 van deze rechtbank is ook het door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard. Vervolgens is eiseres in hoger beroep gegaan. Met de uitspraak [2] van 17 maart 2021 van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) is de uitspraak bevestigd.
1.2.
Op 26 maart 2021 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling vanwege toegenomen klachten op grond van dezelfde ziekteoorzaak CVS/ME. Bij deze herbeoordeling is het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 0,0%. Met het besluit van 6 januari 2022 is de aanvraag dan ook afgewezen. Het bezwaar tegen dat besluit is ongegrond verklaard. Met de uitspraak [3] van 14 februari 2023 van deze rechtbank is ook het ingestelde beroep ongegrond verklaard.
1.3.
Op 25 maart 2024 heeft eiseres opnieuw verzocht om een herbeoordeling vanwege toegenomen klachten op grond van dezelfde ziekteoorzaak CVS/ME. Deze herbeoordeling vond plaats in november en december 2024 en resulteerde in een mate van arbeidsongeschiktheid van 44,20%. Vervolgens heeft het UWV met het besluit van
9 december 2024 met ingang van 1 april 2023 een WGA-vervolguitkering aan eiseres toegekend.
1.4.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met het bestreden besluit van
28 oktober 2025 is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.
1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een rapport van
12 december 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Standpunt UWV

2. Volgens het UWV is eiseres met ingang van 1 april 2023 gedeeltelijk arbeidsongeschikt, omdat zij ondanks haar gezondheidsklachten en beperkingen wel in staat kan worden geacht om in theorie de volgende functies te verrichten: baliemedewerker, administratief ondersteunend medewerker en medewerker binderij, grafisch nabewerker. Op basis van het middelste loon van deze drie functies, afgezet tegen het loon dat eiseres verdiende, is het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 44,20%. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van 27 oktober 2025 en 12 december 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) en het rapport van 26 november 2024 van de arbeidsdeskundige.

Standpunt eiseres

3. Eiseres stelt dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat zij met terugwerkende kracht recht heeft op een IVA-uitkering. Hiertoe voert zij aan dat op 28 mei 2025 een ‘themazitting’ bij de CRvB heeft plaatsgevonden over CVS/ME. Daarbij is prof. dr. J. van der Meer als deskundige benoemd. De CRvB heeft op 17 juli 2025 drie tussenuitspraken gedaan [4] waarin is geoordeeld dat de onderzoeksmethoden en rapporten van cardiologen dr. F.C. Visser en dr. C.M.C. van Campen van Stichting Cardiozorg wetenschappelijk verantwoord zijn en dus volledig dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van de beperkingen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML). Na die drie tussenuitspraken heeft het UWV in die zaken alsnog met terugwerkende kracht een IVA-uitkering toegekend. Volgens eiseres zijn deze tussenuitspraken en gewijzigde besluiten ook voor haar situatie van belang, omdat de eerdere uitspraken van deze rechtbank en de CRvB over haar situatie hierdoor in een volledig ander daglicht zijn komen te staan. Met name ook omdat Visser en Van Campen op 16 augustus 2019 al rapporten hadden uitgebracht over eiseres.
3.1.
Ook stelt eiseres dat de verzekeringsarts B&B het door haar geanonimiseerde rapport van Van der Meer wel in zijn rapport heeft genoemd, maar niet heeft laten blijken dat het rapport is gelezen, laat staan dat hij de juiste conclusie heeft getrokken. Daarnaast stelt de verzekeringsarts B&B ten onrechte dat in het rapport van Visser van 13 januari 2024 Post Inspanningsmalaise (PEM) niet wordt genoemd. Zo werd PEM al in het rapport van
30 augustus 2022 van Van Campen vermeld.
3.2.
Volgens de gemachtigde van eiseres hebben de medisch adviseur bezwaar en beroep en stafverzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV tijdens de themazitting bij de CRvB aangegeven dat de verzekeringsartsen van het UWV in het verleden PEM niet hebben meegewogen. De gemachtigde was daarbij zelf aanwezig.
3.3.
Verder stelt eiseres dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat bij Cardiozorg geen informatie is opgevraagd, terwijl zij daarvoor wel een machtiging heeft ondertekend. Ook merkt eiseres op dat zij het UWV tijdens de bezwaarprocedure heeft geïnformeerd over de themazitting die toen aanstaande was en ook op de hoogte heeft gebracht van de tussenuitspraken. Desalniettemin lijkt een en ander niet te zijn meegewogen. Tot slot verzoekt eiseres de rechtbank om Van der Meer of dr. mr. J. Faas als deskundige te benoemen.
3.4.
Ter onderbouwing van haar beroepsgronden heeft eiseres de rapporten van 30 augustus 2022 van Van Campen en van 16 augustus 2019 van zowel Visser als Van Campen overgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
Het UWV mag zijn besluiten over het recht op een WIA-uitkering baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch zijn.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
4.2.
De primaire verzekeringsarts heeft eiseres tijdens het spreekuur op 9 september 2024 onderzocht en de medische informatie die beschikbaar was beoordeeld. In het rapport van 12 november 2024 staat dat eiseres onder meer bekend is met ME, hartritmestoornissen, verhoogde bloeddruk, prikkelbaredarmsyndroom, allergieën en gynaecologische klachten. Ook heeft zij een corona-infectie gehad in maart 2023. De verzekeringsarts heeft vanwege deze gezondheidsklachten verschillende beperkingen vastgesteld in de FML van
12 november 2024. Vanwege het beperkte energieniveau van eiseres is een urenbeperking vastgesteld. Deze beperking blijkt volgens de verzekeringsarts uit het dagverhaal met concrete ervaren belemmeringen, zoals de noodzaak tot doseren van energie. De urenbeperking is gemiddeld 6 uur per dag (5-6 uur) en gemiddeld 30 uur per week (25-30).
4.3.
In het rapport van 27 oktober 2025 concludeert de verzekeringsarts B&B dat die beoordeling juist is geweest. Het rapport van 13 januari 2024 van cardioloog Visser is door de verzekeringsarts wel meegewogen, net als de informatie van de huisarts en ergotherapeut. Deze informatie heeft bijgedragen aan de conclusie dat bij eiseres sprake is van een afgenomen energetische belastbaarheid in vergelijking met de voorgaande beoordeling. Dit heeft geleid tot de urenbeperking.
4.4.
Volgens de verzekeringsarts B&B zijn tijdens de bezwaarprocedure geen inhoudelijke gronden naar voren gebracht die toezien op de situatie van eiseres. De lopende hoger beroepsprocedures bij de CRvB hadden geen betrekking op de procedure van eiseres. Ook merkt de verzekeringsarts B&B op dat Visser in het rapport van 13 januari 2024 geen melding heeft gemaakt van PEM-klachten of van POTS. De verzekeringsarts heeft tijdens het lichamelijk onderzoek ook geen kenmerken van orthostatische intolerantie vastgesteld.
4.5.
In het rapport van 12 december 2025 motiveert de verzekeringsarts B&B dat de medische informatie die in beroep is overgelegd niet ziet op de datum in geding. Het rapport van 30 augustus 2022 van Van Campen ziet op een eerdere procedure en bevat geen actuele medische informatie. Dit geldt ook voor het rapport van 16 augustus 2019 van Visser.
4.6.
De rechtbank kan de motivering van de verzekeringsarts B&B niet volgen. Het standpunt dat de informatie van Visser en Van Campen niet ziet op de datum in geding en dat de hoger beroepsprocedures bij de CRvB geen betrekking hebben op de procedure van eiseres, acht de rechtbank in dit geval te kort door de bocht.
4.6.1.
Het gaat hier om een beoordeling van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanwege CVS/ME, waarbij op 13 januari 2024 is gerapporteerd door Visser, maar ook in het verleden al rapporten over eiseres zijn uitgebracht door zowel Visser als Van Campen (twee rapporten van 16 augustus 2019 en een rapport van 30 augustus 2022). In de door eiseres aangehaalde tussenuitspraken heeft de CRvB in algemene zin - en in afwijking van het standpunt van het UWV - geoordeeld dat de onderzoeksmethoden van Visser en Van Campen wetenschappelijk verantwoord zijn en dat deze geschikt zijn om beperkingen te objectiveren. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het UWV dient te bezien of de rapporten die Visser en Van Campen over eiseres hebben uitgebracht nu, met inachtneming van het oordeel van de CRvB over de waarde van de gehanteerde onderzoeksmethoden, tot een ander oordeel over de beperkingen van eiseres dienen te leiden. Daarbij dient niet alleen naar het nieuwste rapport van 13 januari 2024 te worden gekeken, maar deze dient in onderlinge samenhang te worden bezien met de eerder uitgebrachte rapporten over eiseres van 2022 en 2019. Visser concludeert in het rapport van 13 januari 2024 immers dat sprake is van progressie van CVS/ME tot een meer ernstige vorm. Deze conclusie kan slechts op waarde worden geschat als daarbij ook de bevindingen uit de eerder over eiseres uitgebrachte rapportages worden betrokken. Daarbij merkt de rechtbank op dat in die eerdere rapportages wel degelijk melding wordt gemaakt van PEM en van orthostatische intolerantie.
4.7.
Met betrekking tot de beroepsgrond over het opvragen van informatie bij Cardiozorg overweegt de rechtbank als volgt. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 december 2025 volgt dat het UWV heeft getracht informatie op te vragen bij Visser door tweemaal een brief te sturen en eenmaal telefonisch navraag te doen, maar dat hierop geen reactie is ontvangen. De rechtbank leidt hieruit af dat het UWV - evenals eiseres - actuele informatie van Visser relevant acht voor de beoordeling. Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat uit navraag bij Cardiozorg is gebleken dat daar geen verzoek om informatie van het UWV is ontvangen. Nu het UWV, gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, opnieuw naar de zaak van eiseres zal moeten kijken, overweegt de rechtbank dat in dat verband ook opnieuw een informatieverzoek naar Visser zal moeten worden verstuurd. Daarbij doet het UWV er goed aan om - eventueel via de gemachtigde van
eiseres - de contactgegevens te verifiëren.
Conclusie
5. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld heeft het UWV onzorgvuldig gehandeld bij de voorbereiding van het bestreden besluit en is het besluit ook onvoldoende gemotiveerd. Het besluit is daarom in strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.1.
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om UWV in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen.
5.2.
Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV de gewijzigde jurisprudentie en het medische dossier bij de beoordeling betrekken, zoals in rechtsoverweging 4.6.1 is toegelicht. Voordat het UWV dat doet moet het UWV ook alsnog informatie bij Cardiozorg opvragen, omdat bij de eerdere poging mogelijk iets is misgegaan. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen UWV het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
5.3.
Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
5.4.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het UWV op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het UWV in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.