ECLI:NL:RBOVE:2026:204

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
AK_25_2548
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraken over niet tijdig beslissen door UWV en de gevolgen voor beslistermijnen

Op 19 januari 2026 heeft de meervoudige kamer van de Rechtbank Overijssel opnieuw uitspraken gedaan over het thema 'niet tijdig beslissen' door het UWV. De rechtbank constateert dat er een structureel tekort aan verzekeringsartsen is, wat leidt tot vertragingen in de besluitvorming. In deze uitspraak wordt de lijn voortgezet die is ingezet met eerdere uitspraken van 8 oktober 2024 en 2 januari 2025. De rechtbank maakt een onderscheid tussen beroepen van werknemers, die betrekking hebben op hun recht op uitkering, en beroepen van werkgevers, die gericht zijn op lastenverlaging. Voor werknemers blijft de beslistermijn drie maanden, terwijl werkgevers vier maanden krijgen. De rechtbank oordeelt dat deze termijnen niet onredelijk zijn, gezien de omstandigheden.

De zaak betreft een beroep van eiser tegen het UWV, omdat het UWV niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering. Eiser heeft op 26 juli 2024 een WIA-uitkering aangevraagd, maar zijn aanvraag werd op 19 november 2024 afgewezen. Na het indienen van een bezwaarschrift op 19 december 2024, heeft eiser het UWV in gebreke gesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat het UWV niet binnen de geldende termijnen heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen vier weken na de uitspraak een besluit moet nemen en legt een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af, omdat de gemachtigde op persoonlijke titel heeft opgetreden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2548

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

gemachtigde: [gemachtigde],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(het UWV).

Samenvatting

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat het UWV niet tijdig heeft beslist op het bezwaarschrift dat hij heeft ingediend tegen de weigering van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en namens het UWV [naam 1],
[naam 2] en [naam 3].
1.3.
In deze uitspraak van de meervoudige kamer wordt overwogen dat de lijn die is ingezet met de uitspraken van 8 oktober 2024 en 2 januari 2025 wordt voortgezet, inhoudende dat in dit soort zaken sprake is van een bijzonder geval en dat een nadere beslistermijn van drie, respectievelijk vier maanden aan verweerder moet worden gegeven om alsnog te beslissen.

Overwegingen

De wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
2.1.
Als een bestuursorgaan niet tijdig beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen [1] .
De feiten
2.2.
Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd op 26 juli 2024. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV eisers aanvraag afgewezen met een besluit van
19 november 2024. Tegen deze afwijzing heeft eiser op 19 december 2024 een bezwaarschrift ingediend. De aanvullende gronden heeft hij op 20 januari 2025 ingezonden.
2.3.
Op 30 april 2025 heeft eiser het UWV prematuur in gebreke gesteld. Met brieven van 11 en 12 juni 2025 heeft hij het UWV er nogmaals op gewezen dat de termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, en dat hij aanspraak wenst te maken op een dwangsom als niet binnen twee weken een besluit is genomen. Het UWV heeft op 3 september 2025 een dwangsombesluit genomen en een maximale dwangsom van € 1.442,- aan eiser toegekend.
2.4.
Op 25 september 2025 heeft eiser beroep ingesteld in verband met het uitblijven van een beslissing van het UWV. Gemachtigde heeft de rechtbank verzocht een termijn te stellen (van twee of vier weken) waarbinnen het UWV een beslissing moet nemen, en ook te bepalen dat na afloop daarvan een rechterlijke dwangsom gaat lopen. De gemachtigde van eiser heeft ook gevraagd om vergoeding van de gemaakte proceskosten en erop gewezen dat hij in het verleden professioneel rechtsbijstand heeft verleend [2] . Met een (ongedateerde) brief heeft gemachtigde de rechtbank laten weten deze procedure op persoonlijke titel te voeren. In een brief van 30 november 2025 heeft hij diverse suggesties gedaan om de problematiek bij het UWV aan te pakken, zoals het invoeren van een triagesysteem en het inhoudelijk moderniseren van de beoordelingsmethodiek.
2.5.
In het verweerschrift heeft het UWV toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege de achterstanden in de sociaal-medische beoordelingen als gevolg van het artsentekort bij het UWV. Het UWV kan niet zeggen binnen welke termijn het besluit verwacht wordt. Aan de rechtbank wordt verzocht met inachtneming van de uitspraak van 8 oktober 2024 [3] op het beroep van eiser te beslissen.
De ontvankelijkheid van het beroep
3. Partijen zijn het erover eens dat het UWV niet binnen de geldende termijnen heeft beslist op het bezwaarschrift dat eiser heeft ingediend [4] . Ook heeft eiser het UWV correct in gebreke gesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat het UWV niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en gegrond.

Het oordeel van de rechtbank

4.1.
Bij een gegrond beroep niet-tijdig beslissen moet de rechtbank bepalen binnen welke termijn het UWV alsnog een besluit bekend moet maken. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
4.2.
In de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank bepaald dat het structurele tekort aan verzekeringsartsen maakt dat sprake is van een bijzonder geval, wat reden geeft af te wijken van het uitgangspunt van een nadere beslistermijn van twee weken. In die uitspraak heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat de termijn die aan het UWV gegeven wordt in de eerste plaats recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek om herbeoordeling te beslissen. Zorgvuldige besluitvorming vereist immers dat het UWV de tijd krijgt om de noodzakelijke medische beoordeling te verrichten. Capaciteitsproblemen bij het UWV kunnen echter niet onbeperkt op de aanvrager van het besluit worden afgewenteld.
4.3.
In de uitspraak van 8 oktober 2024 ging het om een herbeoordeling van een lopende uitkering op verzoek van de (ex-)werkgever. Deze herbeoordeling zou voor de werkgever kunnen leiden tot een lastenvermindering. De rechtbank heeft overwogen dat ook die werkgever belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid op zijn verzoek. De rechtbank heeft het UWV een termijn van vier maanden gegeven om alsnog een besluit bekend te maken, vanaf de datum van verzending van de uitspraak. Daaraan is toegevoegd dat bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding kunnen zijn om van de termijn van vier maanden af te wijken. In andere uitspraken heeft deze rechtbank zich uitgesproken over de situatie waarin het verzoek om een beoordeling is gedaan door de uitkeringsgerechtigde zelf, zoals bijvoorbeeld bij een aanvraag om uitkering, of bij een verzoek om te beslissen op een ingediend bezwaar. Bij een dergelijk verzoek gaat het om de inkomenssituatie van de betrokken uitkeringsgerechtigde. De rechtbank heeft in dit soort zaken een termijn van drie maanden gerechtvaardigd geacht, gerekend vanaf de datum van verzending van de uitspraak [5] .
4.4.
Om meer informatie te krijgen over de huidige stand van zaken bij het UWV en om te bepalen of de hiervoor genoemde termijnen moeten worden aangepast, zijn partijen uitgenodigd voor een behandeling van het beroep bij de meervoudige kamer van de rechtbank op 9 december 2025. Een beslissing op het bezwaar van eiser was op het moment van de zitting nog niet genomen.
De toelichting van het UWV op de zitting
4.5.
Het UWV heeft op de zitting met name de actuele situatie bij de kantoren Hengelo en Zwolle toegelicht. Er is onveranderd een nijpend tekort aan artsen. Voor het behandelen van de zaken in bezwaar is volgens de begroting 8,6 fte artsen nodig. De bruto capaciteit is momenteel 5,9 fte, maar rekening houdend met ziekte en opleiding is effectief 3,23 fte beschikbaar. Met ingang van 1 januari 2026 blijft daarvan nog 2,23 fte over. De achterstand van de voorgaande jaren is niet ingelopen maar nog verder toegenomen. Dit heeft verschillende oorzaken. Zo neemt het aantal aanvragen om een uitkering nog steeds toe. Ook heeft het UWV per 1 oktober 2025 afscheid moeten nemen van de ZZP-artsen in verband met het beëindigen van het handhavingsmoratorium van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties. Het UWV heeft de vertrekkende artsen wel een dienstverband aangeboden, maar met weinig succes.
De behandelduur van een zaak bij de afdeling bezwaar en beroep bedraagt bij beide kantoren op dit moment gemiddeld tussen de 14 en 16 maanden. Het UWV neemt de mensen die bezwaar maken daarom bewust mee in het proces. Zij worden bij de ontvangstbevestiging geïnformeerd over de te verwachten duur van de behandeling en in voorkomende gevallen wordt hen gevraagd zelf alvast medische informatie in te winnen.
In beginsel wordt de volgorde van behandeling bepaald door het einde van de beslistermijn, maar inmiddels wordt voorrang gegeven aan schrijnende situaties en zaken waarin bij de rechtbank een beroep niet tijdig is ingediend. Binnen die laatste categorie wordt ook weer gekeken welke belangen bij de herbeoordeling gemoeid zijn. Die prioritering gaat ten koste van de behandelduur van overige zaken, wat een ongewenst gevolg is en een voortdurend dilemma.
Het UWV heeft landelijk van januari 2025 tot en met augustus 2025 bijna € 16,8 miljoen aan dwangsommen verbeurd, wat meer is dan over dezelfde periode in 2024, te weten € 11,2 miljoen. Voor de kantoren Hengelo en Zwolle geldt dat de helft van de zaken inmiddels gaat over de tijdigheid van de beslistermijn en niet over de inhoud.
Als een van de oorzaken van de problematiek wordt in de politiek de complexiteit genoemd van de huidige wijze van beoordeling, maar de voorgestelde stelselherziening [6] zal nog jaren op zich laten wachten. Als tijdelijke maatregel heeft de directie van het UWV besloten om per 1 januari 2026 bij claimbeoordelingen gebruik te gaan maken van de mogelijkheid die artikel 4:14 van de Awb biedt om de beslistermijn te verdagen. In de media heeft deze verlenging van de beslistermijn stof doen opwaaien, maar de werkwijze is aangepast in samenspraak met de staatssecretaris [7] en past binnen de kaders van de Awb.
De beslistermijn
5.1.
Gelet op de toelichting van het UWV op de zitting stelt de rechtbank vast dat de problematiek met betrekking tot het artsentekort en de gevolgen daarvan voor de beslistermijnen, onverminderd voortduurt. De instroom van zaken waarin een medische beoordeling nodig is, neemt toe terwijl het aantal beschikbare verzekeringsartsen blijft dalen. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen reden de in de uitspraak van 8 oktober 2024 genoemde beslistermijnen te verkorten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het UWV voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het artsentekort de wezenlijke oorzaak is van de structurele overschrijding van de beslistermijnen. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank het UWV niet te verwijten, omdat het UWV wel de nodige maatregelen heeft ondernomen om het artsentekort op te lossen, maar het uitblijven van resultaat buiten zijn invloedsfeer ligt. De rechtbank ziet echter ook geen aanleiding om het UWV nu langere beslistermijnen te gunnen dan in de uitspraak van 8 oktober 2024. Daaraan legt de rechtbank ten grondslag dat op dit moment (nog) niet geconcludeerd kan worden dat het instellen van een beroep bij niet tijdig beslissen zinloos is, omdat het UWV voorrang geeft aan zaken aan schrijnende situaties en zaken waarin bij de rechtbank een beroep niet tijdig is ingediend. Ook kan de problematiek van het artsentekort en overschrijding van de beslistermijnen niet onbeperkt op werkgevers en werknemers worden afgewenteld en moet er een duidelijke prikkel blijven bestaan om deze problematiek op te lossen.
De rechtbank realiseert zich dat de andere rechtbanken andere beslistermijnen aan het UWV gunnen. Dit komt deels voort uit het feit dat de (omvang van de) problematiek per regio verschilt, maar ook door het feit dat iedere rechtbank zelfstandig tot beoordeling komt. Voor zover mogelijk, is het aan de Centrale Raad van Beroep om voor uniformiteit te zorgen.
5.2.
Concreet betekent dit dat de rechtbank het UWV drie maanden de tijd geeft om een besluit bekend te maken als het gaat om een verzoek dat door of namens de uitkeringsgerechtigde zelf is gedaan, te rekenen vanaf de datum van de uitspraak. Bijzondere feiten en omstandigheden kunnen aanleiding zijn om van die termijn af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele zaak aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijn.
Als het gaat om een verzoek dat is gedaan door of namens de werkgever van de uitkeringsgerechtigde krijgt het UWV onveranderd een termijn van vier maanden vanaf de datum van de uitspraak. Ook hier geldt dat deze termijn verkort of verlengd kan worden als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
5.3.
Met betrekking tot de termijn die in dit specifieke dossier aan het UWV wordt gegund overweegt de rechtbank het volgende. Het UWV heeft op de zitting toegelicht dat op 20 november 2025 een hoorzitting heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het dossier ligt bij de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep die mogelijk een nieuwe functieduiding moet uitvoeren, waarna een nieuw voorgenomen besluit aan eiser wordt voorgelegd. Een termijn van vier tot zes weken na de uitspraak moet volgens het UWV voldoende zijn hiervoor.
Omdat inmiddels een medisch onderzoek heeft plaatsgevonden, is er naar het oordeel van de rechtbank reden om af te wijken van de hiervoor genoemde nadere termijn van drie maanden. In dit geval moet het naar het oordeel van de rechtbank voor het UWV te doen zijn om thans binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken.
De rechterlijke dwangsom
6. In overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken [8] bepaalt de rechtbank dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt een maximum van
€ 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het UWV moet het griffierecht aan eiser vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat gemachtigde eiser op persoonlijke titel heeft bijgestaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt het UWV op binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter,
mr. H.W.H. Oude Aarninkhof en mr. E.C. Rozeboom, rechters, in aanwezigheid van
mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
2.Zie bijvoorbeeld CRvB 10 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2OO4:AQ7411, Rechtbank Noord-Holland ECLI:NL:RBNHO:2O16:6839; rechtbank Almelo 29 juli 1999, ECLI:NL:RBALM:1999:AA37O2.
4.De geldende termijn is een termijn van 17 weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken (artikel 112, eerste lid, van de Wet WIA), die op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb met zes weken is verdaagd.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 2 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:4
6.Advies van 29 februari 2024 van de Onafhankelijke commissie toekomst arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS).
7.TK 2024-2025, Kamerstuk 26448, nr. 846, blz 9.
8.Dit is het “Beleid extra dwangsom”, te vinden op www.rechtspraak.nl