ECLI:NL:RBOVE:2026:198

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
AK_25_2724
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraken over niet tijdig beslissen door UWV en de gevolgen voor beslistermijnen

De meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel heeft op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in een zaak over het niet tijdig beslissen door het UWV. Eiseres, Sportbedrijf Deventer, had een herbeoordeling van de uitkering van een (ex-) werknemer aangevraagd, maar het UWV had niet tijdig beslist. De rechtbank oordeelde dat het UWV een langere termijn moet krijgen om te beslissen, gezien het structurele tekort aan verzekeringsartsen. De rechtbank maakte een onderscheid tussen beroepen van werknemers, die betrekking hebben op inkomenszekerheid, en die van werkgevers, die meer gericht zijn op lastenverlaging. Voor werknemers geldt een beslistermijn van drie maanden, terwijl werkgevers vier maanden krijgen. De rechtbank oordeelde dat het UWV in dit geval een dwangsom van €100 per dag moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor het UWV om adequaat te reageren op aanvragen, terwijl ook de capaciteitsproblemen worden erkend. De rechtbank heeft het beroep van eiseres gegrond verklaard en het UWV opgedragen binnen vier weken een besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2724

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Sportbedrijf Deventer, eiseres

gemachtigde: [gemachtigde],
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(het UWV).

Samenvatting

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat het UWV volgens haar niet tijdig heeft beslist op haar verzoek van 6 mei 2025 om een herbeoordeling van de uitkering van (ex-) werknemer [naam 1] (hierna werknemer).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar gemachtigde en [naam 2] en namens het UWV [naam 3], [naam 4] en [naam 5].
1.3.
In deze uitspraak van de meervoudige kamer wordt overwogen dat de lijn die is ingezet met de uitspraken van 8 oktober 2024 en 2 januari 2025 wordt voortgezet, inhoudende dat in dit soort zaken sprake is van een bijzonder geval en dat een nadere beslistermijn van drie, respectievelijk vier maanden aan verweerder moet worden gegeven om alsnog te beslissen.

Overwegingen

De wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
2.1.
Als een bestuursorgaan niet tijdig beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen [1] .
De feiten
2.2.
Eiseres is de (voormalig) werkgeefster van werknemer. Werknemer ontvangt vanaf
6 mei 2022 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsgeschiktheid (Wet WIA) op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid.
2.3.
Op 6 mei 2025 heeft eiseres het UWV gevraagd een herbeoordeling uit te voeren. Als hieruit blijkt dat geen verbetering is opgetreden ten opzichte van de voorgaande keuring is werknemer volgens eiseres niet alleen volledig maar ook duurzaam arbeidsongeschikt. Dat betekent dat werknemer in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Als van volledige arbeidsongeschiktheid geen sprake meer is, verzoekt eiseres de uitkering aan te passen naar het daarvoor in aanmerking komende arbeidsongeschiktheidspercentage.
2.4.
Op 10 juli 2025 heeft eiseres het UWV in gebreke gesteld. Het UWV heeft op 10 september 2025 een dwangsombesluit genomen en een maximale dwangsom van € 1.442,- aan eiseres toegekend.
2.5.
Op 20 oktober 2025 heeft eiseres beroep ingesteld in verband met het uitblijven van een beslissing van het UWV. Gemachtigde heeft de rechtbank verzocht het UWV opdracht te geven binnen negen weken een beslissing te nemen. Eiseres is van mening dat dit een realistische termijn is [2] .
2.6.
In het verweerschrift heeft het UWV toegelicht dat het niet is gelukt om de beslissing op het herbeoordelingsverzoek af te geven in verband met een tekort aan verzekeringsartsen. Geprobeerd wordt het verzoek spoedig af te handelen.
De ontvankelijkheid van het beroep
3. Partijen zijn het erover eens dat het UWV niet binnen de geldende termijnen heeft beslist op het verzoek om herbeoordeling dat eiseres heeft ingediend. Ook heeft eiseres het UWV correct in gebreke gesteld. De rechtbank heeft het beroepschrift meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat het UWV niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en gegrond.

Het oordeel van de rechtbank

4.1.
Bij een gegrond beroep niet-tijdig beslissen moet de rechtbank bepalen binnen welke termijn het UWV alsnog een besluit bekend moet maken. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
4.2.
In de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 8 oktober 2024 [3] heeft de rechtbank bepaald dat het structurele tekort aan verzekeringsartsen maakt dat sprake is van een bijzonder geval, wat reden geeft af te wijken van het uitgangspunt van een nadere beslistermijn van twee weken. In die uitspraak heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat de termijn die aan het UWV gegeven wordt in de eerste plaats recht moet doen aan de reële mogelijkheden om op het verzoek om herbeoordeling te beslissen. Zorgvuldige besluitvorming vereist immers dat het UWV de tijd krijgt om de noodzakelijke medische beoordeling te verrichten. Capaciteitsproblemen bij het UWV kunnen echter niet onbeperkt op de aanvrager van het besluit worden afgewenteld.
4.3.
In de uitspraak van 8 oktober 2024 ging het ook om een herbeoordeling van een lopende uitkering op verzoek van de (ex-) werkgever, net als in de nu voorliggende zaak. Een herbeoordeling kan mogelijk leiden tot een lastenvermindering van die werkgever. De rechtbank heeft overwogen dat ook die werkgever belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid op zijn verzoek. De rechtbank heeft het UWV een termijn van vier maanden gegeven om alsnog een besluit bekend te maken, vanaf de datum van verzending van de uitspraak. Daaraan is toegevoegd dat bijzondere feiten en omstandigheden aanleiding kunnen zijn om van de termijn van vier maanden af te wijken. In andere uitspraken heeft deze rechtbank zich uitgesproken over de situatie waarin het verzoek om een beoordeling is gedaan door de uitkeringsgerechtigde zelf, zoals bijvoorbeeld bij een aanvraag om uitkering, of bij een verzoek om te beslissen op een ingediend bezwaar. Bij een dergelijk verzoek gaat het om de inkomenssituatie van de betrokken uitkeringsgerechtigde. De rechtbank heeft in dit soort zaken een termijn van drie maanden gerechtvaardigd geacht, gerekend vanaf de datum van verzending van de uitspraak [4] .
4.4.
Om meer informatie te krijgen over de huidige stand van zaken bij het UWV en om te bepalen of de hiervoor genoemde termijnen moeten worden aangepast, zijn partijen uitgenodigd voor een behandeling van het beroep bij de meervoudige kamer van de
rechtbank. Een beslissing was op het moment van de zitting nog niet genomen.
De toelichting van het UWV op de zitting
4.5.
Het UWV heeft op de zitting toegelicht dat de omvang van de problematiek per UWV-kantoor verschilt maar er onveranderd overal een tekort aan artsen is. Voor de kantoren Hengelo en Zwolle is volgens de begroting 76,8 fte artsen nodig en de bezetting is momenteel 46,9 fte. De achterstand van de voorgaande jaren is niet ingelopen maar nog verder toegenomen. Dit heeft verschillende oorzaken. Zo neemt het aantal aanvragen om uitkering nog steeds toe. Ook heeft het UWV per 1 oktober 2025 afscheid moeten nemen van de ZZP-artsen in verband met het beëindigen van het handhavingsmoratorium van de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties. Het UWV heeft de vertrekkende artsen wel een dienstverband aangeboden, maar met weinig succes. Ook is de 60-plusregeling stopgezet en mochten artsen niet meer overwerken. Gemiddeld duurt het 137 dagen voordat een eerste spreekuur na de aanvraag plaatsvindt. De verwachting is dat de achterstanden nog verder oplopen.
In de primaire fase wordt inmiddels onderscheid gemaakt in prioritering waarbij voorrang wordt gegeven aan Wajongbeoordelingen en claimbeoordelingen WIA, maar ook aan schrijnende situaties (bijvoorbeeld zaken met schuldenproblematiek) en zaken waarin bij de rechtbank een Beroep Niet Tijdig is ingediend. Die prioritering gaat ten koste van de behandelduur van overige zaken, wat een ongewenst gevolg is en een voortdurend dilemma.
Het UWV heeft landelijk van januari 2025 tot en met augustus 2025 bijna € 16,8 miljoen aan dwangsommen verbeurd, wat meer is dan over dezelfde periode in 2024, te weten €11,2 miljoen. Voor de kantoren Hengelo en Zwolle geldt dat de helft van de zaken inmiddels gaat over de beslistermijn en niet over de inhoud.
Als tijdelijke maatregel heeft de directie van het UWV besloten om per 1 januari 2026 bij claimbeoordelingen gebruik te gaan maken van de mogelijkheid die artikel 4:14 van de Awb biedt om de beslistermijn te verdagen. In de media heeft deze verlenging van de beslistermijn stof doen opwaaien, maar de werkwijze is aangepast in samenspraak met de staatssecretaris [5] en past binnen de kaders van de Awb.
De beslistermijn
5.1.
Gelet op de toelichting van het UWV op de zitting stelt de rechtbank vast dat de problematiek met betrekking tot het artsentekort en de gevolgen daarvan voor de beslistermijnen, onverminderd voortduurt. De instroom van zaken waarin een medische beoordeling nodig is, neemt toe terwijl het aantal beschikbare verzekeringsartsen blijft dalen. Bij deze stand van zaken ziet de rechtbank geen reden de in de uitspraak van 8 oktober 2024 genoemde beslistermijnen te verkorten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het UWV voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het artsentekort de wezenlijke oorzaak is van de structurele overschrijding van de beslistermijnen. Dit valt naar het oordeel van de rechtbank het UWV niet te verwijten, omdat het UWV wel de nodige maatregelen heeft ondernomen om het artsentekort op te lossen, maar het uitblijven van resultaat buiten zijn invloedsfeer ligt. De rechtbank ziet echter ook geen aanleiding om het UWV nu langere beslistermijnen te gunnen dan in de uitspraak van 8 oktober 2024. Daaraan legt de rechtbank ten grondslag dat op dit moment (nog) niet geconcludeerd kan worden dat het instellen van een beroep bij niet tijdig beslissen zinloos is, omdat het UWV voorrang geeft aan zaken aan schrijnende situaties en zaken waarin bij de rechtbank een beroep niet tijdig is ingediend. Ook kan de problematiek van het artsentekort en overschrijding van de beslistermijnen niet onbeperkt op werkgevers en werknemers worden afgewenteld en moet er een duidelijke prikkel blijven bestaan om deze problematiek op te lossen.
De rechtbank realiseert zich dat de andere rechtbanken andere beslistermijnen aan het UWV gunnen. Dit komt deels voort uit het feit dat de (omvang van de) problematiek per regio verschilt, maar ook door het feit dat iedere rechtbank zelfstandig tot beoordeling komt. Voor zover mogelijk, is het aan de Centrale Raad van Beroep om voor uniformiteit te zorgen.
5.2.
Concreet betekent dit dat de rechtbank het UWV drie maanden de tijd geeft een besluit bekend te maken als het gaat om een verzoek dat door of namens de uitkeringsgerechtigde zelf is gedaan, te rekenen vanaf de datum van de uitspraak. Bijzondere feiten en omstandigheden kunnen aanleiding zijn om van die termijn af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele zaak aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijn.
Als het gaat om een verzoek dat is gedaan door of namens de werkgever van de uitkeringsgerechtigde krijgt het UWV onveranderd een termijn van vier maanden vanaf de datum van de uitspraak. Ook hier geldt dat deze termijn verkort of verlengd kan worden als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.
5.3.
Met betrekking tot de termijn die in dit specifieke dossier aan het UWV wordt gegund overweegt de rechtbank het volgende. Het UWV heeft op de zitting toegelicht dat een medisch onderzoek is gepland op 15 december 2025. Mogelijk moet er daarna nog medische informatie worden ingewonnen of arbeidskundig onderzoek worden verricht. Een termijn van acht weken is volgens het UWV minimaal nodig. Omdat het onderzoek op 15 december 2025 is gepland, ziet de rechtbank reden om af te wijken van de hiervoor genoemde nadere termijn van vier maanden. In dit geval moet het naar het oordeel van de rechtbank voor het UWV te doen zijn om thans binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken.
De rechterlijke dwangsom
6. In overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken [6] bepaalt de rechtbank dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het UWV moet het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding van de proceskosten. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Zaken over het niet tijdig nemen van een besluit zijn volgens vaste rechtspraak [7] van licht gewicht, zodat een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt het UWV op binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het UWV eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van
€ 15.000,- ;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 385- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, voorzitter,
mr. H.W.H. Oude Aarninkhof en mr. E.C. Rozeboom, rechters, in aanwezigheid van
mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb
2.Eiseres verwijst naar de uitspraak van 31 maart 2025 van rechtbank Den Haag,
3.Op rechtspraak.nl gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RBOVE:2024:5276
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 2 januari 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:4
5.TK 2024-2025, Kamerstuk 26448, nr. 846, blz 9.
6.Dit is het “Beleid extra dwangsom”, te vinden op www.rechtspraak.nl
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:1301