Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1923

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
ak_25_3653
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht art. 2 lid 1 onder e
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep niet tijdig beslissen op Woo-verzoek wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft op 10 juli 2025 een Woo-verzoek ingediend bij het college van gedeputeerde staten van Overijssel over schade aan landbouwhuisdieren door predatoren. Na uitblijven van een tijdige beslissing stelde eiser verweerder in gebreke en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder gaf aan nog maximaal twaalf weken nodig te hebben voor een besluit.

Op 16 maart 2026 nam verweerder een besluit en maakte gedeeltelijk de gevraagde informatie openbaar. Hierdoor verloor eiser het procesbelang bij het beroep niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Eiser wilde vooral een vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank stelt vast dat het griffierecht vergoed moet worden omdat het beroep terecht was ingesteld. De gevraagde proceskostenvergoeding voor reiskosten en verletkosten wordt afgewezen omdat deze kosten niet redelijkerwijs nodig waren, aangezien het besluit al was genomen vóór de zitting. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het beroep niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; griffierecht wordt vergoed, proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3653

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder.

Procesverloop

1.1
Op 10 juli 2025 heeft eiser bij verweerder een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Hierin vraagt eiser om de ‘openbaarmaking van alle beschikbare documenten, rapporten en gegevens met betrekking tot schade aan landbouwhuisdieren door predatoren, voorgevallen binnen de provincie Overijssel in de periode van 1 januari 2015 tot heden’. Daarbij heeft eiser gespecificeerd aangegeven om welke informatie hij verzoekt.
1.2
Op 7 november 2025 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek.
1.3
Op 16 december 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn Woo-verzoek (hierna: het beroep niet tijdig beslissen).
1.4
Verweerder heeft op 8 januari 2026 een verweerschrift ingediend. Daarin is onder meer aangegeven dat verweerder om meerdere redenen nog hoogstens twaalf weken nodig heeft om een volledig besluit te kunnen nemen op het Woo-verzoek.
1.5
Naar aanleiding van het verweerschrift heeft de rechtbank besloten om in deze zaak een zitting te houden. Bij brieven van 15 januari 2026 heeft de rechtbank dat aan partijen meegedeeld.
1.6
Op 16 maart 2026 heeft verweerder een besluit genomen op eisers Woo-verzoek.
In dat besluit heeft verweerder de door eiser gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt.
1.7
Naar aanleiding van het besluit van 16 maart 2026 heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met eiser over de zitting, die gepland stond op 20 maart 2026. Eiser heeft in dat telefoongesprek meegedeeld dat hij wilde dat die zitting doorging.
1.8
Op 20 maart 2026 heeft de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen op zitting behandeld. Hierbij was eiser aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2]. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep niet tijdig beslissen
2.1
De rechtbank stelt vast dat eiser geen belang meer heeft bij de behandeling van het beroep niet tijdig beslissen, omdat hij inmiddels heeft wat hij met dat beroep kon bereiken, namelijk een besluit op zijn Woo-verzoek. Ter zitting heeft eiser ook aangegeven dat het hem in deze zaak voornamelijk nog gaat om het krijgen van een vergoeding van het griffierecht en om het krijgen van een proceskostenvergoeding. Wel acht hij ook van belang dat de rechtbank toch nog uitspraak doet in deze zaak, omdat het meer dan acht maanden heeft geduurd totdat verweerder een besluit op zijn Woo-verzoek heeft genomen.
Vanwege het ontbreken van procesbelang, zal de rechtbank het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren.
2.2
Verder heeft eiser ter zitting aangegeven dat hij bij verweerder bezwaar gaat maken tegen het besluit op zijn Woo-verzoek. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek had hij daartegen geen gronden bij de rechtbank ingediend. Voor een verwijzing van de beslissing op het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 16 maart 2026, zoals bedoeld in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bestaat dan ook geen aanleiding.
Vergoeding van het griffierecht en verzoek om proceskostenvergoeding
3.1
Niet in geschil is dat verweerder te laat op het Woo-verzoek heeft beslist en dat eiser het beroep niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld. In het begeleidend schrijven bij de toezending van het besluit van 16 maart 2026 aan de rechtbank heeft verweerder ook aangegeven bereid te zijn om een proceskostenvergoeding te betalen. Ook heeft verweerder in dat schrijven gesteld, met het oog op de zitting die was gepland op 20 maart 2026, dat er in deze zaak geen procesbelang meer is. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit betekent dat hij van mening is dat het griffierecht aan eiser moet worden vergoed en ook de proceskosten die hij in het kader van het beroep niet tijdig beslissen heeft gemaakt tot aan het besluit van 16 maart 2026. Omdat na dat besluit in deze zaak het procesbelang van eiser is komen te vervallen, komen de kosten voor het bijwonen van de zitting volgens verweerder niet voor vergoeding in aanmerking.
3.2
Nu eiser het beroep niet tijdig beslissen terecht heeft ingesteld, zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden.
3.3
Eiser heeft gevraagd om een proceskostenvergoeding, bestaande uit een vergoeding van de reiskosten die hij heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting op 20 maart 2026 en uit een vergoeding van verletkosten die hij heeft gemaakt vanwege het bijwonen van de zitting. De reiskosten bedragen volgens eiser € 45,92. De verletkosten heeft eiser bepaald op basis van een tijdsbesteding van 4,5 uur voor het bijwonen van de zitting en een uurtarief van € 89,-. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij freelancer is en iets heeft moeten afzeggen voor het bijwonen van de zitting.
3.4
De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de hoogte van het door hem gehanteerde uurtarief niet heeft onderbouwd. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in dat geval voor het bepalen van de hoogte van de verletkosten moet worden uitgegaan van het minimale uurtarief dat is genoemd in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). [1] Dat is een tarief van € 9,- per uur. Gelet hierop en op wat eiser heeft gevraagd, gaat het om een bedrag aan proceskostenvergoeding van in totaal € 86,42 (€ 45,92 + 4,5 x € 9,-).
3.5
De rechtbank overweegt dat gemaakte proceskosten doorgaans voor vergoeding in aanmerking komen als die redelijkerwijs nodig waren voor de behandeling van het beroep. De proceskosten waarvoor eiser een vergoeding vraagt zijn gemaakt voor het bijwonen van de zitting. Enkele dagen voor de zitting was echter al duidelijk dat die niet meer nodig was, omdat verweerder inmiddels een besluit op het Woo-verzoek had genomen, zodat eiser met het beroep niet tijdig beslissen had bereikt wat hij daarmee kon bereiken. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat de proceskosten waarvoor eiser een vergoeding vraagt redelijkerwijs niet nodig waren voor de behandeling van zijn beroep. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet meer voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder hoeft de proceskosten van eiser dus niet te vergoeden en de rechtbank zal het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Verweerder moet het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden. Het verzoek om een proceskostenvergoeding wijst de rechtbank af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
  • wijst eisers verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511, rechtsoverweging 2.6.1.