Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de schuldsaneringsregeling (Wsnp) en tevens verzocht om een eerdere ingangsdatum van de regeling, namelijk 24 juni 2025, het moment waarop het minnelijk traject is gestart.
De rechtbank beoordeelt het verzoek als een hoofdinsolventieprocedure en stelt vast dat verzoekster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de omstandigheden die tot haar schulden hebben geleid onder controle heeft gekregen en dat zij de verplichtingen uit de regeling zal nakomen. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe.
Echter, de rechtbank wijst het verzoek tot een eerdere ingangsdatum af. Dit omdat in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek nieuwe schulden zijn ontstaan die niet te goeder trouw zijn, waaronder een veroordeling wegens rijden zonder rijbewijs. Dit maakt het bepalen van een eerdere ingangsdatum niet gerechtvaardigd.
De rechtbank stelt de termijn van de schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden vanaf 9 februari 2026, benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder, en bepaalt dat de bewindvoerder de post van verzoekster mag inzien en een voorschot op vergoeding mag opnemen. Tevens komen alle gelegde beslagen te vervallen.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na de uitspraak.