Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1806

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
AK_25_2304_26_804
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbCirculaire Wapens en Munitie 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit over extra voorschrift wapenverlof wegens onvoldoende motivering psychische gesteldheid

Verzoeker kreeg op 6 maart 2024 een extra voorschrift opgelegd bij zijn jachtakte en wapenverlof, waardoor hij zijn wapens niet langer thuis mocht bewaren vanwege een burenconflict. Na afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van dit voorschrift door de korpschef en minister, stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat verzoeker onder sterke psychische druk staat die het verantwoord bewaren van wapens onmogelijk maakt. De politierapportages over het burenconflict bieden onvoldoende aanwijzingen voor onvoorspelbaar gedrag of ernstige psychische gesteldheid. Verzoeker heeft zich juist de-escalerend opgesteld en stappen ondernomen om het conflict op te lossen.

Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De minister moet binnen zes weken opnieuw op het administratief beroep beslissen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verzoeker krijgt vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot het opleggen van het extra voorschrift wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over de psychische gesteldheid van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/2304 en ZWO 26/804
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[verzoeker], uit [woonplaats],
hierna: [verzoeker],
(gemachtigde: mr. G.J. van Oosten),
en
de minister van Justitie en Veiligheid,
hierna: de minister,
(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).

1.Samenvatting

1.1.
Aan de aan [verzoeker] verleende omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit (hierna: jachtakte) en zijn wapenverlof is per 6 maart 2024 door de korpschef van de politie (hierna: korpschef) een extra voorschrift verbonden, inhoudende dat [verzoeker] zijn wapens niet langer thuis mag bewaren. Reden daartoe betreft een conflict met de buurman over de erfafscheiding. [verzoeker] heeft op 1 oktober 2024 verzocht het voorschrift te laten vervallen, omdat volgens hem de wapens aan hem kunnen worden toevertrouwd. Het verzoek is echter afgewezen door de korpschef en dit besluit is door de minister gehandhaafd. [verzoeker] is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen op 15 augustus 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank. Omdat hij door het voorschrift niet kan voldoen aan zijn verplichtingen ten aanzien van de schadebestrijding en mogelijk zijn jachtveld zal verliezen, heeft hij de voorzieningenrechter op 27 februari 2026 om een voorlopige voorziening verzocht.
1.2.
De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak op het beroep- en het verzoekschrift. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, omdat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat [verzoeker] als gevolg van het burenconflict onder psychische druk staat en het stellen van het voorschrift nodig is. De minister zal opnieuw op het administratief beroep van [verzoeker] moeten beslissen. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

2.Inleiding: feiten en procesverloop

2.1.
Met het besluit van 6 maart 2024 heeft de korpschef een extra voorschrift verbonden aan de jachtakte en het wapenverlof van [verzoeker], inhoudende dat hij zijn wapens niet (langer) thuis mag bewaren. Aanleiding betreft een conflict met de achterbuurman over de erfafscheiding. [verzoeker] heeft daarop zijn zes wapens in bewaring gegeven bij een wapenhandel in [plaats].
2.2.
Het conflict over de erfafscheiding is ontstaan nadat [verzoeker] aan de buurman kenbaar had gemaakt dat hij zijn tuin wilde herinrichten. Er volgde een discussie over waar de erfgrens tussen hun beider percelen liep, waarbij onder meer, op verzoek van [verzoeker], door het kadaster een grensreconstructie is uitgevoerd. Ook heeft het conflict geleid tot een kort geding, geïnitieerd door de buurman, waarbij het ging om de locatie van de erfgrens en de erfafscheiding die [verzoeker] heeft geplaatst. De buurman is in die procedure met het vonnis van 28 mei 2024 in het ongelijk gesteld. [verzoeker] heeft van deze omstandigheden melding gedaan bij de politie.
2.3.
Daarnaast is gedurende het conflict driemaal melding gedaan bij de politie. Op basis van de rapportages van die meldingen is de korpschef, en in navolging daarvan de minister, tot het besluit gekomen dat [verzoeker] zijn wapens niet langer in huis mag bewaren.
2.4.
Het gaat om de volgende rapportages.
PL0600-2024085750-2 d.d. 9 oktober 2024
De buurman meldt zich bij de politie over de schutting. Er zou nog een stuk weggehaald worden. U zou daaraan meebetalen en in meewerken volgens hem, maar dat zou nu niet meer gebeuren.
PL0600-2024085750-1 d.d. 4 juli 2024 (een gedeelte daaruit door de korpschef geciteerd):
In gesprek gegaan met [afkorting 1] [verzoeker] die zijn tuin aan het herinrichten is. Hij zegt alles met het kadaster te hebben geregeld en dat de erfgrenzen kloppen. Hij heeft inmiddels op de grens met de tuin van de achterbuurman een ijzeren hok geplaatst. De achterbuurman [afkorting 2] [naam] is het hier niet mee eens. Duidelijk aangegeven dat dit een civiele zaak is en dat wij hier geen uitspraak over kunnen doen. [afkorting 1] [verzoeker] wil dat [afkorting 2] [naam] stopt met het maken van foto's. Gezegd dat hij een doek kan spannen aan het hekwerk. Dit gaat hij doen. Terwijl wij in de tuin stonden te praten stond [afkorting 2] [naam] in de achtertuin. Hem gezegd dat wij zo ook nog bij hem langs zouden gaan. Om te horen hoe de verstandhouding tussen [afkorting 2] [naam] on [afkorting 2] [verzoeker] is gegaan naar [afkorting 2] [naam]. Dit op verzoek van de wijkagent. [afkorting 2] [naam] vertelde dat hij [afkorting 2] [verzoeker] heeft gevraagd voor een kop koffie om over de zaak te praten. [afkorting 2] [verzoeker] heeft aangegeven dat hij hier over wil nadenken. [afkorting 2] [verzoeker] heeft gezegd al de rechtszaken wel zat te zijn. [afkorting 2] [naam] heeft het ijzeren hek, dat nu als afscheiding tussen de erven staat laten zien. Hij is het absoluut niet eens dat dit vieze roestige hek er staat. Kortom het is nog niet rustig tussen beide partijen.
PL0600-2023526917 d.d. 16 november 2023 en gaat over 14 november 2023 (een gedeelte door de korpschef geciteerd):
Melding omtrent een burenconflict tussen [afkorting 1] en [afkorting 2]'s. [afkorting 1] heeft een heg verwijderd i.v.m. het aanleggen van een nieuwe garage. Nu beroepen [afkorting 2]'s zich op het feit dat deze heg er al meer dan 30 jaar staat en zij deze zeker voor 20 jaar verzorgd hebben. Nu is het volgens hen zo dat de grond dan verjaart en deze toebehoort aan hun. [afkorting 1] heeft een procedure gestart en [afkorting 2]'s hebben een advocaat in armen genomen. Nu waren [afkorting 2]’s druk bezig met het plaatsen van paaltjes op de volgens hun 'erfafscheiding'. Men moest dit voor de advocaat doen om zodoende een foto te maken. Hierbij hadden ze de paaltjes van [afkorting 1] verwijderd. Al met al dus veel geduw en getrek en men wees vooral naar elkaar. Rapss hebben [afkorting 2]'s de paaltjes laten verwijderen zodat er nu geen paaltjes meer staan (op 1 na welke niet meer makkelijk te verwijderen was). Hiervan hebben wij beide partijen in kennis gesteld zodat dit nu zo blijft totdat er een uitspraak is. Rapps hebben beiden verzocht elkaar met rust te laten.
2.5.
Op 1 oktober 2024 heeft [verzoeker] de korpschef verzocht het extra voorschrift te doen vervallen, omdat er geen enkele reden meer zou bestaan tot het handhaven van dit voorschrift.
2.6.
Op 6 november 2024 heeft de korpschef kenbaar gemaakt voornemens te zijn het verzoek af te wijzen, omdat er volgens hem – kort weergeven – vanwege de psychische gesteldheid van [verzoeker] sprake is van vrees voor misbruik of van geringe twijfel dat het onder zich houden van wapens niet langer aan [verzoeker] kan worden toevertrouwd. [verzoeker] heeft daartegen op 20 november 2024 een zienswijze ingediend.
2.7.
Dit heeft de korpschef niet tot een andere conclusie gebracht. Met het besluit van 11 december 2024 heeft de korpschef het verzoek tot opheffing van het extra voorschrift afgewezen.
2.8.
[verzoeker] heeft tegen dit besluit op 20 januari 2025 administratief beroep ingesteld.
2.9.
Met de beslissing van 16 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het administratief beroep ongegrond verklaard en het besluit van de korpschef van 11 december 2024 gehandhaafd.
2.10.
[verzoeker] heeft hiertegen op 16 augustus 2025 beroep bij de rechtbank ingesteld.
2.11.
Op 27 februari 2026 heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aanleiding daarvoor betreft – kort weergegeven – de omstandigheid dat [verzoeker], doordat hij niet vrijuit kan beschikken over zijn wapens en munitie, zijn verplichtingen ten aanzien van de schadebestrijding richting zijn opdrachtgever niet kan nakomen en mogelijk zijn jachtveld op korte termijn zal verliezen.
2.12.
De minister heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.13.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker], J. Karstens als waarnemer van de gemachtigde van [verzoeker], en de gemachtigde van de minister.
2.14.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

3.Standpunten van partijen

3.1.
De korpschef heeft het verzoek tot opheffing van het extra voorschrift afgewezen. De korpschef heeft zich bij zijn beoordeling gebaseerd op de drie onder 2.4. genoemde politierapportages over het conflict tussen [verzoeker] en zijn achterbuurman.
De korpschef komt op basis van deze rapportages tot de conclusie dat sprake is van een langslepend en actueel burenconflict, waarbij het nog niet rustig is en waarin [verzoeker] ook een rol en aandeel heeft. Volgens de korpschef is er – kort weergegeven – sprake van stressvolle omstandigheden, en daarmee van een sterke psychische druk, waardoor er sprake is van vrees voor misbruik of geringe twijfel dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan [verzoeker] kan worden toevertrouwd. De korpschef verwijst naar onderdeel B/1.2 onder ‘psychische gesteldheid’ van de Circulaire Wapens en Munitie 2019 (hierna: Cwm). Voor de aanwezigheid van wapens bij [verzoeker] thuis dient het eerst langere tijd rustig te zijn. De genoemde persoonlijke omstandigheden die Klopt aanvoert – hindering van het uitvoeren van schadebestrijding en het verlies van plezier in de schietsport – leiden de korpschef niet tot een andere conclusie, te meer omdat niet gekozen is voor een intrekking, maar slechts voor een beperkend voorschrift. [verzoeker] kan daarmee nog wel schieten en jagen. Volgens de korpschef is het extra voorschrift een passende maatregel, die nodig en redelijk is.
3.2.
De minister heeft het besluit van de korpschef in zijn beslissing van 16 juli 2025 gehandhaafd. Volgens de minister – in aanvulling op het besluit van de korpschef – kan op basis van de politierapportages gesteld worden dat er nog geen sprake is van een stabiele en rustige situatie en kan worden aangenomen dat er bij [verzoeker] sprake is van een onvoorspelbaar gedragspatroon. Ook wijst de minister erop dat in onderdeel B/1.2 onder ‘psychische gesteldheid’ van de Cwm stressvolle omstandigheden in de relationele sfeer expliciet wordt genoemd als risicofactor. Daarvan is met het langdurige conflict met de buren sprake. Er zijn meerdere meldingen bij de politie bekend en er heeft een fysieke confrontatie plaatsgevonden tussen [verzoeker] en zijn buurman. Verder dient volgens de minister een houder van een jachtakte of wapenverlof zich te allen tijde terughoudend en de-escalerend op te stellen, alsmede zich in te zetten voor een oplossing of maatregel in de gegeven omstandigheden. De minister wijst er in dat verband op dat met de politierapportage van 9 oktober 2024 is komen vast te staan dat [verzoeker] heeft afgezien van een eerdere afspraak, en dat hij heeft aangegeven dat hij op verder contact met de buurman geen prijs stelt. Voor het thuis bewaren van wapens dient de rust voor langere tijd te zijn teruggekeerd. Daarnaast geeft de minister aan dat in geval van [verzoeker] naar zijn belangen is gekeken, doordat niet meteen over is gegaan tot een intrekking, maar maatwerk is toegepast.
3.3.
[verzoeker] betwist dat er sprake is van vrees voor misbruik of van een situatie waarin het niet langer aan hem kan worden toevertrouwd dat hij de wapens onder zich heeft. Volgens hem is er geen sprake van een situatie waarbij hij onder sterke psychische druk staat, wat zou resulteren in een onvoorspelbaar gedragspatroon en waarbij hij zichzelf niet in de hand zou hebben. Daarvoor zijn geen aanwijzingen. Hij heeft zich juist te allen tijde correct, de-escalerend en rustig opgesteld. Het bestaan van tegenstrijdige belangen en standpunten is iets alledaags en onvermijdelijk. De enkele vaststelling dat er sprake is van een burenconflict, betekent daarmee niet automatisch dat [verzoeker] onder psychische druk staat. Sterker nog, hij heeft de situatie meermaals willen sussen door bijvoorbeeld een kop koffie te drinken met de buurman. En ook het betrekken van de politie is een weloverwogen poging geweest om de situatie te bedaren. Verder vindt [verzoeker] het besluit van de minister onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Ook vindt [verzoeker] dat zijn rol in het burengeschil en zijn persoonlijke belangen onvoldoende zijn betrokken. [verzoeker] wijst op praktische bezwaren zoals reistijd en kosten, en daarnaast op de omstandigheid dat hij niet kan voldoen aan zijn verplichtingen ten aanzien van de schadebestrijding. Bij melding van de aanwezigheid van een bepaalde diersoort, waarvoor hij bijvoorbeeld rond 04:00 uur het land dient op te gaan, kan hij niet meteen actie ondernemen, omdat hij daarvoor eerst zijn wapens dient op te halen en gebonden is aan de openingstijden van de wapenhandel. In het besluit wordt aangegeven dat [verzoeker] nog zijn hobby kan uitoefenen, maar in de praktijk kan hij zijn verplichtingen niet nakomen. Dit is volgens hem onvoldoende meegewogen.

4.Beoordeling door de voorzieningenrechter

4.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
Zoals volgt uit vaste rechtspraak [2] van de Afdeling [3] bevindt iemand die een jachtakte en/of wapenverlof heeft zich in een uitzonderingspositie. Diegene mag namelijk wapens en munitie onder zich hebben, terwijl daarvoor een algemeen wettelijk verbod geldt. Ter bescherming van de veiligheid van de samenleving is geringe twijfel aan het verantwoord kunnen omgaan met die uitzonderingspositie om die reden al voldoende grond om een jachtakte of wapenverlof in te trekken of, waarvoor de minister in dit geval heeft gekozen, daaraan extra voorschriften te verbinden.
4.3.
Of sprake is van vrees voor misbruik of sprake is van een situatie waarin het iemand niet (langer) kan worden toevertrouwd om wapens en munitie onder zich te hebben, kan volgens paragraaf B1/1.2. van de Cwm onder meer worden aangenomen op basis van veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken of andere omtrent de aanvrager (of houder) bekende feiten. Onder dit laatste valt ook de psychische gesteldheid van de aanvrager/houder, wat de minister in het geval van [verzoeker] aan zijn beslissing ten grondslag legt.
4.4.
Over de psychische gesteldheid staat in de Cwm – voor zover hier van belang – dat het in beginsel niet verantwoord is om aan iemand die – door oorzaken van zowel interne, als externe aard – onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. Als risicofactor ten aanzien van de psychische gesteldheid van aanvragers/houders wordt onder meer genoemd: stressvolle omstandigheden in relationele sfeer.
4.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan in dit geval niet worden geconcludeerd dat er bij [verzoeker] sprake is van een psychische gesteldheid, die de conclusie rechtvaardigt dat het niet langer aan hem kan worden toevertrouwd om wapens onder zich te houden. Weliswaar zijn er drie politierapportages over het conflict tussen [verzoeker] en zijn buurman, maar de inhoud daarvan biedt naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende grond om te concluderen dat [verzoeker] onder sterke psychische druk staat of onvoorspelbaar gedrag vertoont. Hoewel er in de melding van 13 november 2024 wordt gesproken over ‘geduw en getrek’, biedt de melding voor het overige onvoldoende aanwijzingen om duidelijk te krijgen of dit een daadwerkelijke fysieke confrontatie is geweest, wat de rol van [verzoeker] daarin is geweest en wat de ernst van de confrontatie is geweest. Evenmin valt uit de andere meldingen eenduidig op te maken dat sprake is van twijfel over de psychische gesteldheid bij [verzoeker]. Dat [verzoeker] een eerder gemaakte afspraak niet meer zou nakomen – zoals volgt uit de rapportage van 9 oktober 2024 – is zonder nadere toelichting onvoldoende om daartoe te concluderen. Bovendien heeft de minister op zitting toegelicht dat de enkele omstandigheid dat er een burenconflict gaande is niet meteen leidt tot de conclusie dat er sprake is van een sterke psychische druk, maar dat het gaat om het handelen binnen dat conflict door de vergunninghouder. Dit is van belang omdat met de lezing van niet enkel de politierapportages, maar het gehele dossier een beeld duidelijk wordt van iemand die probeert de juiste stappen te zetten om het conflict op te lossen en niet te laten escaleren. Zo is niet tussen partijen in geschil dat [verzoeker] na het ontstaan van de discussie over de erfgrens meermaals een kop koffie met de buurman heeft gedronken. Daarnaast is duidelijk tussen partijen dat [verzoeker], nadat overleg niet tot het gewenste resultaat leidde, op eigen initiatief het Kadaster heeft ingeschakeld om, in het bijzijn van de buurman, de erfgrens te laten bepalen. Verder volgt uit het vonnis in kort geding dat [verzoeker] meewerkend is geweest om via een gerechtelijke procedure duidelijkheid te krijgen over de erfgrens. Ook het inschakelen van de politie door [verzoeker] duidt er in dit geval op dat hij de juiste weg heeft willen bewandelen, en niet het heft in eigen handen heeft willen nemen. Daar komt bij dat is gebleken dat [verzoeker] zelf melding heeft gedaan bij de politie over het burengeschil en voorafgaand aan het besluit tot het opleggen van het extra voorschrift zelf heeft voorgesteld om zijn wapens tijdelijk onder te brengen bij een wapenhandelaar.
4.6.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook op basis van het gehele dossier niet worden geconcludeerd dat bij [verzoeker] sprake is van onvoorspelbaar gedrag, of van omstandigheden in de relatie met de buurman die zodanig stressvol zijn dat geconcludeerd moet worden dat [verzoeker] onder sterke psychische druk staat. Door enkel uit te gaan van de inhoud van de politierapportages heeft de minister in dit geval een te beperkte en op punten onduidelijke weergave van de omstandigheden aangehouden om deze conclusies te trekken. Dat het conflict langdurig is (geweest), althans vanaf de eerste melding bijna een jaar is verstreken, maakt gezien de houding van [verzoeker] in het conflict daarin geen verschil.
4.7.
De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd dat vanwege de psychische gesteldheid van [verzoeker] vrees bestaat voor misbruik of geringe twijfel bestaat dat het onder zich houden van wapens niet (langer) aan hem kan worden toevertrouwd. Daardoor is onvoldoende gemotiveerd dat er reden bestaat om het voorschrift, dat [verzoeker] de wapens niet (langer) thuis mag bewaren, aan de jachtakte en het wapenverlof te verbinden. Het beroep slaagt.

5.Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.
5.2.
De minister zal een nieuw besluit op het administratief beroep moeten nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is en de minister opnieuw op het administratief beroep moet beslissen zal de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening treffen.
5.4.
Daarnaast moet de minister het griffierecht aan [verzoeker] vergoeden en krijgt [verzoeker] ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het griffierecht bedraagt € 394,- (€ 194,- in beroep en € 200,- voor het verzoek). De vergoeding voor de proceskosten bedraagt € 2.802,-, omdat (de waarnemer van) de gemachtigde van [verzoeker] een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken opnieuw op het administratief beroep van [verzoeker] te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 394,- aan [verzoeker] moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan [verzoeker].
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:219.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.