ECLI:NL:RBOVE:2026:1688
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op Ziektewetuitkering afgewezen wegens onvoldoende gemotiveerd besluit UWV
Eiser, werkzaam als chauffeur, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde bij besluit van 11 juli 2024 vast dat hij vanaf 20 september 2024 geen recht meer had op deze uitkering. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het bestreden besluit van 8 september 2025, dat het UWV handhaafde.
De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht had vastgesteld dat eiser met zijn beperkingen meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de medische gegevens van circa een jaar na de datum in geding niet relevant waren voor die datum. Eiser bracht echter een MRI-scan in van 1 september 2025 met een afwijking die leidde tot een operatie in oktober 2025, en stelde dat deze afwijking ook voor de datum in geding van belang was.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de MRI-uitslag niet relevant was voor de datum in geding. De medische stukken toonden een consistent beeld van toegenomen klachten, maar het was onduidelijk of de objectieve afwijking al op de datum in geding bestond en wat de gevolgen daarvan waren voor de belastbaarheid. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV binnen zestien weken een nieuw besluit moet nemen, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV moet een nieuw besluit nemen.