Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1688

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
ak_25_2460
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 19 ZWArt. 19aa ZWArt. 19ab ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op Ziektewetuitkering afgewezen wegens onvoldoende gemotiveerd besluit UWV

Eiser, werkzaam als chauffeur, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde bij besluit van 11 juli 2024 vast dat hij vanaf 20 september 2024 geen recht meer had op deze uitkering. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het bestreden besluit van 8 september 2025, dat het UWV handhaafde.

De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht had vastgesteld dat eiser met zijn beperkingen meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de medische gegevens van circa een jaar na de datum in geding niet relevant waren voor die datum. Eiser bracht echter een MRI-scan in van 1 september 2025 met een afwijking die leidde tot een operatie in oktober 2025, en stelde dat deze afwijking ook voor de datum in geding van belang was.

De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de MRI-uitslag niet relevant was voor de datum in geding. De medische stukken toonden een consistent beeld van toegenomen klachten, maar het was onduidelijk of de objectieve afwijking al op de datum in geding bestond en wat de gevolgen daarvan waren voor de belastbaarheid. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV binnen zestien weken een nieuw besluit moet nemen, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2460

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. K. Aslan,
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: mr. Y.A. van Veelen.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 11 juli 2024 heeft het UWV eiser meegedeeld dat hij met ingang van
20 september 2024 geen recht (meer) heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 8 september 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij dit besluit gebleven.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1
Eiser is werkzaam geweest als chauffeur voor 38 uur per week. Op 5 augustus 2019 heeft hij zich ziek gemeld met rugklachten. Eiser heeft het UWV verzocht hem een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV bij besluit van 5 augustus 2021 geweigerd eiser met ingang van 2 augustus 2021 een WIA-uitkering toe te kennen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het UWV heeft eisers bezwaar na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in bezwaar bij besluit van 10 januari 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep met zaaknummer ZWO 22/306 op 19 juli 2023 ongegrond verklaard. [1] Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep in gesteld. Tijdens het hoger beroep is gerapporteerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de FML heeft aangepast. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft uitspraak gedaan op 22 mei 2024, waarbij de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. [2]
2.2
Met ingang van 13 februari 2023 is eiser gaan werken als productie/logistiek chauffeur voor 40 uur per week. Op 21 augustus 2023 heeft eiser zich ziek gemeld met toegenomen rugklachten. Eiser heeft een ZW-uitkering ontvangen. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling is verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser met ingang van
20 september 2024 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering. Eiser kan met zijn beperkingen de geduide functies verrichten. Hiermee kan hij meer dan 65% verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werk. Het UWV heeft verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
3.2
Eiser stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten. Eiser is wegens aanhoudende pijnklachten, met name pijn in de rug en benen doorverwezen. Op 1 september 2025 is een MRI-scan gemaakt, waaruit een afwijking is gebleken. Er is besloten een operatieve ingreep te doen. Eiser stelt dat de MRI-scan ook van belang is voor de datum in geding 20 september 2024. Eiser heeft de uitslag van de op 1 september 2025 gemaakte MRI in geding gebracht. Uit de MRI is een afwijking naar voren gekomen. Hiervoor is eiser op 16 oktober 2025 geopereerd.
Verder is eiser van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn medicatiegebruik. Eiser is op 6 september 2024 het medicijn amitriptyline gaan gebruiken in plaats van pregabaline. Dit zou moeten leiden tot beperkingen ten aanzien van de items 1.8.6 en 3.8.4.
Met eisers slaapproblematiek en vermoeidheidsklachten is ook onvoldoende rekening gehouden. Eiser slaapt overdag, waarschijnlijk doordat de medicatie hem suf maakt. Eiser heeft verwezen naar de medische informatie van de huisarts. Dit zou moeten leiden tot een urenbeperking en een beperking voor ploegendienst en avond- en nachtwerk.
3.3
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Hierbij heeft het UWV gewezen op de rapporten van 28 november 2025 en 11 december 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep

Wettelijk kader

4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

5. In geschil is of het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiser met ingang van de datum in geding, 20 september 2024, geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Hiervoor is van belang of het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiser met ingang van die datum met zijn beperkingen in staat wat om meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werk. De rechtbank doet dat aan de hand van de gronden die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep slaagt en overweegt hiertoe als volgt.
5.1
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 augustus 2025 geconcludeerd dat de primaire arts op goede gronden heeft vastgesteld dat bij eiser sprake is van aanvullende beperkingen op basis van toegenomen rugklachten en voetklachten. Eiser was al bekend met rug- en beenklachten na een hernia-operatie in het verleden. Uit de nu ontvangen medische stukken blijkt dat een duidelijke oorzaak/verklaring voor de toename van klachten niet is gevonden. Desondanks hebben de klachten wel aanleiding gegeven tot verwijzing en behandeling bij het pijncentrum. In die zin kan dan ook gesproken worden van een consistent beeld. De mate waarin de klachten van eiser zijn verdisconteerd in een toename van beperkingen in de FML door de primaire arts is passend bij de claimklachten en de ontvangen medische stukken, en derhalve navolgbaar. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat er toegenomen beperkingen ten aanzien van tillen en dragen zijn vastgesteld.
In zijn rapport van 11 december 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de in beroep ingebrachte medische gegevens geen aanleiding geven om de belastbaarheid van eiser per datum geding 20 september 2024 aan te passen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat de primaire arts bij zijn beoordeling al is uitgegaan van toegenomen rug- en voetklachten en dat hiervoor aanvullende beperkingen zijn vastgesteld. Daarnaast zien de ingebrachte gegevens toe op de toestand van eiser ongeveer een jaar na de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gewezen op zijn voorgaande rapportage van 28 november 2028. Daarin heeft hij erop gewezen dat er een jaar zit tussen de MRI-scan van 1 september 2025 en de datum in geding. In het huisartsendossier wordt geen melding gemaakt van rugklachten in de periode vanaf september 2024. Op voorhand ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan ook geen aanleiding om eventuele bevindingen van de [kliniek] uit september 2025 te extrapoleren naar de situatie op datum geding.
De nader ingebrachte medische gegevens bevatten volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie die concreet toeziet op de toestand van eiser op de datum in geding.
5.2
De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar een huisartsenjournaal heeft overgelegd. Hieruit blijkt dat eiser op 6 september 2024 zijn huisarts heeft bezocht met toegenomen voet- en rugklachten. Eiser heeft hierop ook gewezen in zijn beroepschrift en op de zitting van de rechtbank.
5.3
Hieruit blijk dat eiser zich kort voor de datum in geding bij zijn huisarts heeft gemeld met toegenomen voet- en rugklachten. Eiser heeft later zijn huisarts opnieuw bezocht met rugklachten. Dit heeft geresulteerd in een doorverwijzing naar de [kliniek] en een MRI op 1 september 2025, waarbij een afwijking is vastgesteld, die heeft geleid tot een operatie in oktober 2025. Onder die omstandigheden had verwacht mogen worden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebreider had gemotiveerd waarom de uitslag van de MRI niet van belang is voor de datum in geding. Het komt de rechtbank voor dat het feit dat in het huisartsendossier geen melding wordt gemaakt van rugklachten in de periode vanaf september 2024 niet zonder meer betekent dat de op de MRI gevonden afwijking niet al eerder bestond en tot beperkingen leidde. Het had op de weg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelegen om eventueel nadere medische informatie op te vragen bij de behandelaar van eiser. In de FML zijn wel beperkingen aangenomen in verband met toegenomen rugklachten, maar onduidelijk is of deze passen bij de inmiddels vastgestelde objectiveerbare afwijking en wat het effect daarvan is voor de belastbaarheid en met name voor de urenbeperking, indien er van wordt uitgegaan dat deze afwijking al op de datum in geding aanwezig was.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat nader onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep nodig is en niet duidelijk is wanneer dit kan worden afgerond.
8. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zestien weken.
9. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 september 2025;
- draagt het UWV op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetteksten

Artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW bepaalt dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte en/of gebreken recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.
Artikel 19, vijfde lid, van de ZW bepaalt dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft als bedoeld in artikel 9, 10 of 12 onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In afwijking van de eerste zin wordt indien de verzekerde de arbeid gedurende minder dan een week heeft verricht en daaraan voorafgaand gedurende ten minste zes maanden andere arbeid heeft verricht onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die gewoonlijk kenmerkend zijn voor de andere arbeid die in die zes maanden hoofdzakelijk is verricht.
Artikel 19aa eerste lid, van de ZW bepaalt dat in afwijking van artikel 19 de Pro verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, zwangerschap of bevalling, recht heeft op loon als bedoeld in artikel 629 van Pro Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak heeft op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van deze wet, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht heeft op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde, indien de verzekerde:
a. ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19; en
b. als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.
Artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, de verzekerde, bedoeld in het eerste lid, recht heeft op ziekengeld tot een maand na de dag waarop hij in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.
Artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW bepaalt dat onder maatmaninkomen wordt verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen.
Artikel 19 ab Pro, eerste lid, van de ZW bepaalt dat het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa, wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Van een arbeidskundig onderzoek kan onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden worden afgezien.
Op grond van artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb dient de beslissing op het bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.