AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Gedeeltelijke gegrondverklaring beroepen tegen handhaving omgevingsvergunning vergistingsinstallatie Groen Gas Goor
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft handhavingsbesluiten van het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel tegen Groen Gas Goor, exploitant van een vergistingsinstallatie, en beroepen van omwonenden die geuroverlast ervaren. De rechtbank behandelt de rechtmatigheid van opgelegde lasten onder dwangsom wegens vermeende overtredingen van de omgevingsvergunning.
De rechtbank analyseert per lastonderdeel of sprake is van een overtreding, of het college bevoegd was tot handhaving, en of de opgelegde dwangsommen proportioneel en deugdelijk gemotiveerd zijn. Diverse lastonderdelen worden vernietigd wegens onjuiste toepassing van het recht, onvoldoende motivering of omdat de overtreding niet is komen vast te staan. Ook wordt geoordeeld dat het college ten onrechte sommige dwangsommen heeft ingevorderd of geweigerd in te vorderen.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat omwonenden wel belanghebbende zijn bij handhaving van bouwactiviteiten en dat het college niet op alle handhavingsverzoeken inhoudelijk heeft beslist. De rechtbank beveelt het college aan binnen zes maanden opnieuw te beslissen op de beroepen en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan Groen Gas Goor en de omwonenden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond, vernietigt diverse lastonderdelen en invorderingsbesluiten, en draagt het college op opnieuw te beslissen binnen zes maanden.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 23/2628 en 23/2679
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaken tussen
[eiser 1]en [eiser 2], uit [woonplaats]
eisers in 23/2628
hierna gezamenlijk: [eisers] (in enkelvoud)
(gemachtigde: mr. F.H. Damen),
Groen Gas Goor B.V., uit Goor
eiseres in 23/2679
hierna: Groen Gas Goor
(gemachtigde: mr. M.W. Cobussen),
en
het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel
verweerder in beide zaken
hierna: het college
(gemachtigde: mr. R. Orie).
Als derde-partij heeft deelgenomen in 23/2628:
Groen Gas Goor
Als derde-partij heeft deelgenomen in 23/2679:
[eisers]
Samenvatting
1.1. Deze uitspraak gaat over handhavingsbesluiten van het college met betrekking tot de vergistingsinstallatie van Groen Gas Goor. Kort gezegd wil [eisers] dat het college handhavend optreedt jegens Groen Gas Goor vanwege verschillende overtredingen en heeft het college dat op onderdelen ook gedaan. [eisers] is het niet eens met de besluiten van het college voor zover daarin handhaving is geweigerd en Groen Gas Goor is het niet eens met de besluiten voor zover wel handhavend wordt opgetreden. Ondertussen is vanwege vergunningverlening aan Groen Gas Goor de handhaving op onderdelen beëindigd. Deze vergunningverlening is onderwerp van geschil in het gelijktijdig door de rechtbank behandelde beroep met zaaknummers ZWO 25/237 en 25/352. In de onderhavige uitspraak zal de rechtbank het beroep van zowel Groen Gas Goor als [eisers] gedeeltelijk gegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De achtergrond
2.1. Groen Gas Goor is een onderneming die gevestigd is aan de Kooimaten 3 in Goor. De locatie waar Groen Gas Goor is gevestigd, ligt op het bedrijventerrein Zenkeldamshoek in Goor. Groen Gas Goor houdt zich bezig met het vergisten van dierlijke mest en met het produceren van groene stroom en warmte. Door het vergisten van dierlijke mest ontstaat biogas, dat na opwaardering naar aardgaskwaliteit kan worden ingevoerd op het aardgasnetwerk. De omgevingsvergunning voor de inrichting van Groen Gas Goor is bij besluit van 5 april 2011 door het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: B en W) verleend. Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden. Bij besluit van 5 april 2017, verzonden op 12 april 2017, hebben B en W een omgevingsvergunning verleend voor een milieuneutrale wijziging. Verder heeft Groen Gas Goor op 1 maart 2019, op 24 januari 2021, op 31 mei 2021 en op 24 januari 2023 meldingen gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit).
2.2. [eisers] woont aan de [adres], in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente, op ongeveer 200 meter afstand van het bedrijventerrein waarop zich de inrichting van Groen Gas Goor bevindt. [eisers] ervaart geuroverlast die volgens hem afkomstig is van de inrichting van Groen Gas Goor.
2.3. Sinds 2019 zijn diverse procedures gevoerd waarbij zowel Groen Gas Goor als [eisers] betrokken zijn geweest.
Procesverloop
3.1. Op 8 februari 2022 heeft [eisers] het college verzocht om handhavend op te treden tegen Groen Gas Goor. Nadat het college het ingediende handhavingsverzoek aanvankelijk had afgewezen omdat het meende dat B en W, en niet het college, bevoegd gezag was, heeft het college zijn standpunt voor wat betreft dit punt gewijzigd en heeft het college zich wel bevoegd geacht om handhavend op te treden.
3.2. Op 28 maart 2023 heeft een controle door de Omgevingsdienst Twente (hierna: de omgevingsdienst) plaatsgevonden bij de inrichting van Groen Gas Goor. Naar aanleiding hiervan is een rapport opgemaakt.
3.3. Op 25 mei 2023 heeft het college een voornemen geuit tot het opleggen van een last onder dwangsom aan Groen Gas Goor. Na ontvangst van zienswijzen van zowel Groen Gas Goor als [eisers] en de behandeling daarvan door de hoorcommissie, heeft het college op 7 november 2023 lasten onder dwangsom opgelegd aan Groen Gas Goor. Dat is het in deze beroepszaken primair bestreden besluit. Nadien heeft het college een aantal wijzigingsbesluiten en een aantal invorderingsbesluiten genomen die hierna nader worden omschreven.
Het bestreden besluit
4.1. Met het bestreden besluit van 7 november 2023 op het bezwaar van [eisers] tegen de beslissing om handhaving te weigeren, heeft het college de aanvankelijke weigering om handhavend op te treden herroepen en heeft het college de volgende lasten onder dwangsom opgelegd aan Groen Gas Goor:
1.Wij gelasten u binnen zes maanden na verzenddatum van dit besluit de Invoerbak (feeder) te realiseren conform de vergunning.
Deze overtreding ziet op het niet conform de vergunning realiseren van de Invoerbak (feeder). Uw bedrijf kan aan de last voldoen door de Invoerbak (feeder) te realiseren conform de vergunning van 5 april 2011 met kenmerk MPM 7290. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van zes maanden omdat het beëindigen van deze overtreding een wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces vereist.
Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 50.000,-. Daarbij geldt dat per maand één overtreding kan worden geconstateerd.
2.Wij gelasten u binnen twee maanden na verzenddatum van dit besluit de opslag van vaste co-substraten te realiseren conform de vergunning.
Deze overtreding ziet op het niet conform de vergunning realiseren van de opslag van vaste co-substraten. Uw bedrijf kan aan de last voldoen door de opslag van vaste co-substraten terug te brengen tot de vergunde hoeveelheid van 500 m3 en de oppervlakte van de opslag voor co-substraten terug te brengen tot 250 m2 conform de vergunning van 5 april 2011 met kenmerk MPM 7290. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van twee maanden omdat het beëindigen van deze overtreding geen wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces vereist. Wij achten daarom twee maanden voldoende om de overtreding te beëindigen.
Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 50.000,-. Daarbij geldt dat per maand één overtreding kan worden geconstateerd.
3.Wij gelasten u binnen zes maanden na verzenddatum van dit besluit de opslag van de dunne fractie te realiseren conform de vergunning.
Deze overtreding ziet op het niet conform de vergunning realiseren van de opslag van de dunne fractie. Uw bedrijf kan aan de last voldoen door de opslag van de dunne fractie te realiseren conform de vergunning van 5 april 2011 met kenmerk MPM 7290. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van zes maanden omdat het beëindigen van deze overtreding een bouwkundige ingreep vereist en er sprake is van een wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 50.000,-. Daarbij geldt dat per twee maanden één overtreding kan worden geconstateerd.
4.Wij gelasten u binnen zes maanden na verzenddatum van dit besluit de
ontzwavelingsinstallatie te positioneren op de vergunde locatie.
Deze overtreding ziet op het niet conform de vergunning positioneren van de ontzwavelingsinstallatie. Uw bedrijf kan aan de last voldoen door de ontzwavelingsinstallatie te (laten) plaatsen op de locatie conform
de vergunning van 5 april 2011 met kenmerk MPM 7290. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van zes maanden omdat het beëindigen van deze overtreding onder andere een aanpassing van de gasleiding vereist en dus sprake is van een wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 50.000,-. Daarbij geldt dat per twee maanden één overtreding kan worden geconstateerd.
5.Wij gelasten u binnen twee maanden na verzenddatum van dit besluit de opslag van
gescheiden mest (dikke fractie) te realiseren conform de vergunning.
Deze overtreding ziet op het niet conform de vergunning realiseren van de opslag van de gescheiden mest (dikke fractie). Uw bedrijf kan aan de last voldoen door de gescheiden mest (dikke fractie) op te slaan in containers op de locatie conform de vergunning van 5 april 2011 met kenmerk MPM 7290. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van twee maanden omdat het beëindigen van deze overtreding geen wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces vereist. Wij achten daarom twee maanden voldoende om de overtreding te beëindigen. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 50.000,-. Daarbij geldt dat per maand één overtreding kan worden geconstateerd.
6.Wij gelasten u binnen zes maanden na verzenddatum van dit besluit het
gasopwaardeerstation te situeren op de vergunde locatie.
Deze overtreding ziet op het niet conform de vergunning realiseren van het gasopwaardeerstation. Uw bedrijf kan aan de last voldoen door het gasopwaardeerstation te realiseren op de locatie conform de vergunning van 5 april 2011 met kenmerk MPM 7290. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van zes maanden omdat het beëindigen van deze overtreding onder andere een aanpassing van de gasleidingen vereist en dus sprake is van een wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 50.000,-. Daarbij geldt dat per twee maanden één overtreding kan worden geconstateerd.
7.Wij gelasten u binnen zes maanden na verzenddatum van dit besluit de
mestscheidingsinstallatie te situeren op de vergunde locatie.
Deze overtreding ziet op het niet conform de vergunning realiseren van de mestscheidingsinstallatie. Uw bedrijf kan aan de last voldoen door de mestscheidingsinstallatie te realiseren op de locatie conform de vergunning van 5 april 2011 met kenmerk MPM 7290. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van zes maanden omdat het beëindigen van deze overtreding wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces vereist zoals bijvoorbeeld het verplaatsen van toevoerleidingen. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 50.000,-, Daarbij geldt dat per twee maanden één overtreding kan worden geconstateerd.
8.Wij gelasten u binnen zes maanden na verzenddatum van dit besluit de gasopslag in
overeenstemming te brengen met de vergunde situatie.
Deze overtreding betreft het niet overeenstemmen van de gasopslag met de vergunde situatie. Uw bedrijf kan aan de last voldoen door de gasopslag terug te brengen naar 3 opslagen conform de vergunning van 5 april 2011 met kenmerk MPM 7290. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van zes maanden omdat het beëindigen van deze overtreding een bouwkundige ingreep vereist en er sprake is van een wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding met een totaal maximum van € 50.000,-. Daarbij geldt dat per twee maanden één overtreding kan worden geconstateerd.
9.Wij gelasten u binnen een maand na verzenddatum van dit besluit het bio- filter en het chemisch luchtwassysteem zichtbaar af te koppelen en buiten werking te stellen en de activiteit, het opslaan van spuiwater, te staken of te beschikken over een toereikende omgevingsvergunning.
Deze overtreding betreft het realiseren van het bio-filter, chemisch luchtwassysteem en de
opslagmogelijkheid voor spuiwater zonder toereikende omgevingsvergunning. Uw bedrijf kan aan de last voldoen door het bio-filter en het chemisch luchtwassysteem zichtbaar af te koppelen en buiten werking te stellen en de activiteit, het opslaan van spuiwater, te staken. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van één maand omdat het beëindigen van deze overtreding geen wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces vereist. Wij achten daarom één maand voldoende om de overtreding te beëindigen. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van
€ 50.000,-. Daarbij geldt dat per maand één overtreding kan worden geconstateerd.
10.Wij gelasten u per direct de overtreding van voorschrift 2.4 en 2.5 uit uw vigerende
omgevingsvergunning van 5 april 2011, met kenmerk MPM 7290, te beëindigen en beëindigd te houden.
Deze overtreding ziet op het verwerken van meer co-substraten en mest binnen de inrichting dan conform voorschrift 2.4 en 2.5 van de vigerende omgevingsvergunning is toegestaan. U kunt aan de last voldoen door te voorkomen dat uw bedrijf in kalenderjaar 2023, en daaropvolgende kalenderjaren, meer dan 36.000 ton biomassa (mest en co-substraten) waarvan maximaal 18.000 ton mest, per jaar toelaat en verwerkt binnen uw inrichting.
Indien uw bedrijf in enig kalenderjaar één van de genoemde hoeveelheden overschrijdt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 150,- per ton overschrijding met een totaal maximum per kalenderjaar van € 1.500.000,00. Het totale maximum bedraagt € 3.000.000,00. Voor het kalenderjaar 2023 geldt dat alleen een dwangsom wordt verbeurd in verband met overschrijdingen die optreden na 1 oktober 2023.
11.Wij gelasten u per direct de overtreding van voorschrift 2.6 uit uw vigerende
omgevingsvergunning van 5 april 2011, met kenmerk MPM 7290, te beëindigen en beëindigd te houden.
Deze overtreding ziet op het verwerken van meer dan 15.000 ton afvalproducten per jaar vanuit co-substraten binnen de inrichting. U kunt aan de last voldoen door te voorkomen dat u in kalenderjaar 2023 en daaropvolgende kalenderjaren meer dan 15.000 ton afvalproducten vanuit co-substraten per jaar, toelaat en verwerkt binnen uw inrichting.
Indien uw bedrijf in enig kalenderjaar één van de genoemde hoeveelheden overschrijdt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 150,- per ton overschrijding met een totaal maximum van € 1.500.000,00. Het totale maximum bedraagt € 3.000.000,00.
Voor het kalenderjaar 2023 geldt dat alleen een dwangsom wordt verbeurd in verband met
overschrijdingen die optreden na 1 oktober 2023.
12.Wij gelasten u binnen twee maanden na de verzenddatum van dit besluit de overtreding van voorschrift 8.5 uit uw vigerende omgevingsvergunning van 5 april 2011, met kenmerk MPM 7290, te beëindigen en beëindigd te houden.
Deze overtreding ziet op het afzuigen van lucht uit de hygiënisatieruimte en het via het luchtwassysteem richting de buitenlucht emitteren. U kunt aan de last voldoen door conform voorschrift 8.5 van de voornoemde vergunning de lucht afkomstig uit de hygiënisatieruimte af te laten zuigen en mee te verbranden via de WKK. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van twee maanden omdat het beëindigen van deze overtreding geen wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces vereist. Bovendien hangt deze last samen met last nummer 9 en dient u, na het uitschakelen van de luchtwasser, ook deze overtreding te beëindigen. Wij achten daarom twee maanden voldoende om aan deze last te voldoen.
Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 10.000,-. Daarbij geldt dat per maand één overtreding kan worden geconstateerd.
13.Wij gelasten u binnen twee maanden na de verzenddatum van dit besluit de overtreding van voorschrift 10.26 uit uw vigerende omgevingsvergunning van 5 april 2011, met kenmerk MPM 7290, te beëindigen en beëindigd te houden.
Deze overtreding ziet op het niet jaarlijks controleren van de fakkelinstallatie op een goede werking. U kunt aan de last voldoen door de fakkelinstallatie door een deskundige te laten controleren op een goede werking conform voorschrift 10.26 van de omgevingsvergunning, de NPR 7910-1 richtlijn en dit vervolgens jaarlijks te herhalen. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van twee maanden omdat het beëindigen van deze overtreding geen wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces vereist, maar u wel een deskundige in dient te schakelen. Wij achten daarom twee maanden voldoende om aan deze last
te voldoen. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 10.000,-. Daarbij geldt dat per maand één overtreding kan worden geconstateerd.
14.Wij gelasten u binnen twee maanden na de verzenddatum van dit besluit de overtreding van voorschrift 6.7 uit uw vigerende omgevingsvergunning van 5 april 2011, met kenmerk MPM 7290, te beëindigen en beëindigd te houden.
Deze overtreding ziet op het ontbreken van een Inspectierapport waaruit blijkt dat de vloeren als vloeistofdicht aangemerkt kunnen worden. U kunt aan de last voldoen door te beschikken over een rapportage en verklaring vloeistofdichte voorziening, die voldoet aan voorschrift 6.7 van de omgevingsvergunning en het Besluit bodemkwaliteit, waarmee uw bedrijf aantoont dat de vloer van de buitenopslag van de vaste co-substraten als vloeistofdicht aangemerkt kan worden. Hierbij geldt een begunstigingstermijn van twee maanden omdat het beëindigen van deze overtreding geen wijziging van de inrichting van het bedrijfsproces vereist, maar u wel een inspecteur dient in te schakelen. Wij achten
daarom twee maanden voldoende om aan deze last te voldoen. Indien uw bedrijf deze overtreding niet binnen de termijn beëindigt, dan verbeurt uw bedrijf van rechtswege een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van
€ 10.000,-. Daarbij geldt dat per maand één overtreding kan worden geconstateerd.
4.2.
Zowel [eisers] als Groen Gas Goor hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Wijzigingsbesluiten, invorderingsbesluiten en overige handhavingsverzoeken
5.1.
Bij besluit van 18 december 2023 heeft het college de datum waarna dwangsommen worden verbeurd voor wat betreft de lastonderdelen 10 en 11 gewijzigd van 1 oktober 2023 in 22 december 2023.
5.2.
Bij besluit van 10 februari 2024 heeft het college alsnog op het bezwaar beslist voor wat betreft het onderdeel bouwen in het door [eisers] ingediende handhavingsverzoek. Het college heeft het bezwaar van [eisers] ten aanzien van het onderdeel bouwen niet-ontvankelijk verklaard.
5.3.
Bij besluit van 30 juli 2024 heeft het college lastonderdeel 9, voor wat betreft het zichtbaar moeten afkoppelen en buiten werking stellen van het luchtwassysteem en het staken van het opslaan van spuiwater, zonder toereikende omgevingsvergunning, en lastonderdeel 13 geheel ingetrokken. Bij besluit van 13 februari 2025 heeft het college de last onder dwangsom voor wat betreft de lastonderdelen 1, 3, 4, 6, 7, 8 en 12 ingetrokken.
5.4.
Bij besluit van 2 juli 2024 heeft het college door Groen Gas Goor vanwege overtreding van de lastonderdelen 5 en 12 verbeurde dwangsommen van in totaal € 55.000 ingevorderd. Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft het college vanwege overtreding van lastonderdeel 13 verbeurde dwangsommen van in totaal € 65.000 ingevorderd. Bij besluit van 30 september 2024 heeft het college vanwege overtreding van de lastonderdelen 1, 3, 4, 6, 7 en 8 verbeurde dwangsommen van in totaal € 150.000 ingevorderd. Bij besluit van 16 juli 2025 heeft het college vanwege overtreding van de lastonderdelen 10 en 11 verbeurde dwangsommen van in totaal € 1.504.875 ingevorderd. Hiervan heeft € 1.500.000 betrekking op de overtreding van lastonderdeel 10 en heeft € 4.875 betrekking op de overtreding van lastonderdeel 11.
5.5.
Bij besluit van 17 februari 2025 heeft het college een door [eisers] gedaan verzoek om invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van de lastonderdelen 10 en 11 voor wat betreft het kalenderjaar 2023 afgewezen. Bij besluit van 26 maart 2025 heeft het college een door [eisers] gedaan verzoek om invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van de lastonderdelen 1 en 2 afgewezen en besloten alsnog af te zien van invordering met betrekking tot deze lastonderdelen.
5.6.
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de beroepen met de zaaknummers ZWO 25/237 en ZWO 25/352 (betreffende een omgevingsvergunning die het college aan Groen Gas Goor heeft verleend), op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
Groen Gas Goor B.V., bijgestaan door mr. M.W. Cobussen, mr. C. Kramer, mr.
A.J.M. van Sommeren en mr. E.T. de Jong en vergezeld van [naam 5] ,
deskundige;
- mr. R. Orie, [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , mr. drs. M.G.B. Kampst,
[naam 9] en [naam 10] namens het college.
Beoordeling door de rechtbank
Toepasselijk recht
Overgangsrecht
4.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
4.2.
Bij besluit van 7 november 2023 heeft het college aan Groen Gas Goor een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Algemeen
5.1.
Uit het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking heeft op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van een bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
5.2.
Uit het bepaalde in artikel 5:39, eerste lid, van de Awb volgt dat een bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [1] volgt dat ook de weigering om op verzoek van een derde-partij over te gaan tot invordering hierbij moet worden betrokken.
Inhoudelijke bespreking
6.1.
De rechtbank zal hierna eerst de algemene beroepsgronden bespreken die partijen hebben aangevoerd. Vervolgens zal de rechtbank de beroepsgronden die zijn gericht tegen de verschillende lastonderdelen, de wijzigingsbesluiten, de hoogte van de opgelegde dwangsommen en de invorderingsbesluiten per lastonderdeel bespreken. Daarna zal de rechtbank de stelling van [eisers] dat niet op alle onderdelen van het handhavingsverzoek van [eisers] afdoende is gereageerd, bespreken.
Algemene beroepsgronden
6.2.
[eisers] stelt dat de intrekking van lastonderdelen in strijd is met artikel 5:34 vanPro de Awb, omdat niet is voldaan aan het tweede lid daarvan dat bepaalt dat een last kan worden opgeheven als deze een jaar van kracht is geweest zonder dat een dwangsom is verbeurd, en nog geen jaar is verstreken.
6.3.
De rechtbank volgt dit betoog niet, omdat vaststaat dat het college geen gebruik heeft gemaakt van die bepaling, maar de opgelegde last onder dwangsom heeft gewijzigd op grond van artikel 6:19 vanPro de Awb. Artikel 5:34 vanPro de Awb staat niet in de weg aan de algemene mogelijkheid van bestuursorganen om op grond van artikel 6:19 AwbPro besluiten in te trekken, te wijzigen of te vervangen.
6.4.
Naar aanleiding van de stelling van Groen Gas Goor dat het college een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd en de stelling dat de opgelegde lasten onvoldoende concreet zijn, overweegt de rechtbank dat deze stellingen in algemene zin niet kunnen slagen. Waar hierover concrete gronden zijn aangevoerd, zullen deze bij de bespreking van de verschillende klachtonderdelen hierna aan de orde komen.
De lastonderdelen
Lastonderdeel 1
7.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 1 (invoerbak) stelt de rechtbank vast dat dit lastonderdeel bij besluit van 13 februari 2025 is ingetrokken en dat invordering is geweigerd bij besluit van 26 maart 2025. Groen Gas Goor heeft daarom geen belang meer bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dit lastonderdeel.
7.2.
Tegen de weigering om de dwangsom in te vorderen heeft [eisers] geen beroep ingesteld, zo heeft [eisers] tijdens de behandeling ter zitting erkend. Dat maakt dat ook [eisers] geen belang heeft bij bespreking van zijn beroepsgronden ten aanzien van dit lastonderdeel.
Lastonderdeel 2
8.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 2 (opslag vaste co-substraten) stelt de rechtbank vast dat bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 een opslag aan vaste co-substraten van maximaal 500 mᶾ is vergund. Bij de omgevingsvergunning van 5 april 2017 is dit vergroot naar 540 mᶾ. De vergunde oppervlakte van de opslag bedraagt (eerst) 250 m2/ (later) 270m2. Het standpunt van Groen Gas Goor dat geen sprake is van een overtreding omdat er geen voorschrift is dat bepaalt hoeveel co-substraten feitelijk mag worden opgeslagen, slaagt niet. Vergund is immers een bepaalde opslaglocatie met een maximale capaciteit en oppervlakte. Afwijking van de maximale capaciteit en oppervlakte van de opslaglocatie biedt een zelfstandige grondslag voor handhavend optreden. Overigens merkt de rechtbank op dat door maximering van de capaciteit en oppervlakte, automatisch ook de feitelijke hoeveelheid co-substraten die mag worden opgeslagen is gemaximeerd. Co-substraten mogen immers niet buiten deze opslaglocatie worden opgeslagen.
8.2.
De rechtbank benadrukt verder dat de last, blijkens de formulering, betrekking heeft op het realiseren van een opslaglocatie met een grotere maximale opslagcapaciteit en -oppervlakte dan is vergund. De last ziet niet op de feitelijke hoeveelheid co-substraten die is of wordt opgeslagen. Aanvankelijk was een opslaglocatie beoogd met een oppervlakte van 250 / 270 m2 meter en met gebruik van keerwanden van 2 meter hoog. Uiteindelijk is een loods gerealiseerd met een oppervlakte van 400m2 en meer dan 2 meter hoog. Op de wanden van deze loods is ter hoogte van 2 meter een streep getrokken. Het vloeroppervlak waarop co-substraten in de loods kunnen worden opgeslagen, is niet beperkt met bijvoorbeeld tussenwanden. In een controlerapport van de omgevingsdienst van 26 juli 2023 is gelet op deze feitelijke situatie aangegeven dat sprake is van een geschatte opslagcapaciteit van ca. 800 m3 en van een daarvoor bestemde oppervlakte van circa 400 m2. Hoewel aan Groen Gas Goor kan worden toegegeven dat de exacte capaciteit van de opslaglocatie en de hiervoor in gebruik zijnde oppervlakte moeilijk zijn vast te stellen, is een exacte vaststelling van de opslagcapaciteit en van de hiervoor in gebruik zijnde oppervlakte niet nodig voor het vaststellen of al dan niet sprake is van een overtreding. Voor het bepalen of al dan niet sprake is van een overtreding van de hierop betrekking hebbende voorschriften volstaat dat met een voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat de hiervoor vergunde maximale capaciteit en/of oppervlakte worden overschreden. Gelet op het hiervoor geschetste verschil tussen de beoogde opslaglocatie met keerwanden van 500 / 540 m2 en de gerealiseerde loods waarin de opslag van co-substraten ook niet op een andere manier is begrensd, mocht het college zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat overtreding met een voldoende mate van zekerheid vaststaat. Het college was dan ook bevoegd om hiertegen handhavend op te treden en om een last onder dwangsom op te leggen aan Groen Gas Goor.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat de hoogte van de dwangsom voor wat betreft dit lastonderdeel in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. In dit verband is van belang dat van de dwangsom van € 25.000 per geconstateerde overtreding, met een totaal maximum van € 50.000, zodanig hoog is dat hiervan een serieuze prikkel tot nakoming uitgaat.
8.4.
Bij besluit van 26 maart 2025 heeft het college besloten om af te zien van invordering van de verbeurde dwangsom in verband met overtreding van dit lastonderdeel. Zoals blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] moet de weigering om op verzoek van een derde over de gang tot invordering van een dwangsom worden betrokken bij het beroep tegen de last onder dwangsom. Uit de motivering van het besluit van 26 maart 2025 blijkt dat het college besloten heeft om af te zien van invordering omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de vergunde maximale opslagcapaciteit en oppervlakte worden overschreden. Nu, zoals hiervoor is overwogen, met een voldoende mate van zekerheid vaststaat dat hiervan sprake is en dat het college bevoegd was om hiertegen handhavend op te treden, had het college niet op deze grond mogen weigeren om de verbeurde dwangsom in verband met deze overtreding in te vorderen. Het beroep van [eisers] slaagt daarom voor wat betreft dit onderdeel en het bestreden besluit van 26 maart 2025 dient daarom in zoverre te worden vernietigd.
Lastonderdeel 3
9.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 3 (opslag dunne fractie) overweegt de rechtbank dat uit de stukken behorend bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 volgt dat de dunne fractie oorspronkelijk in drie betonnen mestsilo’s diende te worden opgeslagen. Feitelijk vindt de opslag plaats in een mestzak. De last om de mestopslag te realiseren conform de oorspronkelijke vergunning is bij besluit van 30 juli 2024 ingetrokken, omdat voor de mestzak een vergunning is verleend bij besluit van 25 juli 2024. Omdat het college bij besluit van 30 september 2024 wel dwangsommen heeft ingevorderd vanwege overtreding van dit voorschrift in de periode voorafgaand aan die vergunningverlening, heeft Groen Gas Goor nog altijd belang bij de beoordeling van het tegen dit lastonderdeel ingestelde beroep.
9.2.
Ten aanzien van de stelling van Groen Gas Goor dat geen sprake was van een overtreding omdat de gewijzigde opslag van dunne fractie is gerealiseerd op basis van een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) van 1 maart 2019, overweegt de rechtbank dat deze melding zich niet bij de overgelegde stukken bevindt. Wel heeft het college deze melding genoemd in het bestreden besluit. Nu de melding van 1 maart 2019 als zodanig niet is betwist en het bovendien op de weg van het college lag om alle op de zaak betrekking hebbende stukken - waaronder de melding van 1 maart 2019 - aan de rechtbank te doen toekomen, zal de rechtbank ervan uitgaan dat de melding is gedaan.
9.3.
Ten aanzien van de stelling van [eisers] dat sprake is van een IPPC-inrichting en dat daarom niet volstaan had kunnen worden met de melding van 1 maart 2019, overweegt de rechtbank dat deze stelling niet wordt gevolgd. Bij uitspraak van vandaag in de zaken die betrekking hebben op de verlening van een omgevingsvergunning aan Groen Gas Goor (25/237 en 25/352) heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een IPPC-inrichting. De rechtbank sluit hier in deze uitspraak bij aan en verwijst voor wat betreft de overwegingen op grond waarvan wordt geoordeeld dat geen sprake is van een IPPC-installatie naar wat in die uitspraak is overwogen. Partijen zijn bekend met deze uitspraak.
9.4.
Nu Groen Gas Goor voor wat betreft de gewijzigde opslag van dunne fractie mocht volstaan met het doen van een melding, is in zoverre dan ook geen sprake van een overtreding. Het college was in zoverre dan ook niet bevoegd om hiervoor een last onder dwangsom op te leggen. Het beroep van Groen Gas Goor slaagt daarom voor wat betreft dit lastonderdeel en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
9.5.
Omdat het betoog van Groen Gas Goor slaagt, moet het bestreden besluit voor wat betreft dit lastonderdeel worden vernietigd en dient ook het beroep voor zover dat is gericht tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van lastonderdeel 3 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 30 september 2024 dient in zoverre te worden vernietigd.
Lastonderdeel 4
10.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 4 (ontzwavelingsinstallatie) overweegt de rechtbank dat uit de stukken blijkt dat deze installatie op een andere plek binnen de inrichting is gerealiseerd dan is vergund. Dit lastonderdeel is weliswaar bij besluit van 13 februari 2025 ingetrokken, omdat de huidige locatie alsnog is vergund, maar omdat het college bij besluit van 30 september 2024 dwangsommen heeft ingevorderd vanwege overtreding van dit voorschrift in de periode voorafgaand aan die vergunningverlening, heeft Groen Gas Goor nog altijd belang bij de beoordeling van het tegen dit lastonderdeel ingestelde beroep.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat dit lastonderdeel onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen zodat voor wat betreft dit lastonderdeel van handhaving had moeten worden afgezien. In dit verband is van belang dat enkel sprake is van een bouwkundige wijziging ten opzichte van wat oorspronkelijk is vergund. De ontzwavelingsinstallatie was in 2011 vergund naast het hoofdgebouw en is uiteindelijk gerealiseerd op een andere, maar verglijkbare plek. Hierdoor is sprake van een overtreding van geringe aard en ernst. Niet aannemelijk is geworden dat deze wijziging nadelige gevolgen heeft voor het milieu of voor [eisers] . Het beroep van Groen Gas Goor slaagt daarom en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
10.3.
Omdat het betoog van Groen Gas Goor op dit punt slaagt en het bestreden besluit voor wat betreft dit lastonderdeel wordt vernietigd, dient tevens het beroep, voor zover gericht tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van lastonderdeel 4 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 30 september 2024 dient in zoverre te worden vernietigd.
10.4.
Het beroep van [eisers] tegen de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel slaagt gelet op wat hiervoor is overwogen niet. Hierbij komt dat de reden voor de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel gelegen was in de verlening van een omgevingsvergunning voor deze activiteit. Het daartegen door [eisers] ingestelde beroep in zaaknummer ZWO 25/237 is bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.
Lastonderdeel 5
11.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 5 (opslag dikke fractie) overweegt de rechtbank dat uit de stukken behorend bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 volgt dat de dikke fractie oorspronkelijk in containers op de locatie dient te worden opgeslagen. Uit een controlerapport van medewerkers van de omgevingsdienst van 26 juli 2023 blijkt dat de opslag van de dikke fractie feitelijk plaatsvindt in twee afgesloten ruimten in bunkers (in het hoofdgebouw).
11.2.
Tussen partijen is in geschil of, zoals Groen Gas Goor stelt, de feitelijk gerealiseerde opslag toegestaan is op basis van de omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging van 5 april 2017. De rechtbank stelt vast dat bij de aanvraag van deze vergunning een tekening is overgelegd met aanduiding 70-13A-001 (plattegrond inrichting) waarop twee containers te zien zijn in een ruimte in het hoofdgebouw. Volgens Groen Gas Goor is bij de aanvraag evenwel ook een andere tekening overgelegd, waarop de huidige bunkers in plaats van containers staan. Het gaat dan om een tekening van Voortman, met kenmerk VS14-0014. De tekening met aanduiding 70-13A-001 is als bijlage vermeld in het ‘overzicht’ dat onderdeel is van de vergunning van 5 april 2017. De tekening met kenmerk VS14-0014 staat daarin niet. Dat maakt dat Groen Gas Goor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd heeft dat de huidig gerealiseerde bunkers toegestaan zijn op grond van de vergunningverlening in 2017.
11.3.
Nu de opslag van dikke fractie in de beide containers niet is vergund, is sprake van een overtreding. Het college was dan ook bevoegd om hiervoor een last onder dwangsom op te leggen. Het betoog van Groen Gas Goor tegen dit lastonderdeel slaagt daarom niet. Tegen de invordering heeft Groen Gas Goor geen afzonderlijke beroepsgronden ingediend.
11.4.
[eisers] heeft in beroep aangevoerd dat de last te beperkt is geformuleerd omdat eigenlijk sprake is van meerdere overtredingen. Daarbij gaat het [eisers] erom dat niet enkel opslag van dikke fractie plaatsvindt, maar dat de fractie in de bunkers ook wordt gedroogd. De rechtbank volgt dit betoog van [eisers] niet. Op zitting is door Groen Gas Goor en het college toegelicht dat de beoogde drogingsinstallatie niet is gerealiseerd en dat enkel luchtafzuiging plaatsvindt om te voorkomen dat geuremissie naar buiten optreedt. De omstandigheid dat wel een zogeheten ‘droogvloer’ is aangebracht, maakt gelet hierop niet dat ook droging plaatsvindt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook kunnen menen dat geen overtreding op dit punt plaatsvindt, zodat de last niet te beperkt is geformuleerd.
Lastonderdeel 6
12.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 6 (gasopwaardeerstation) overweegt de rechtbank dat de locatie van het gasopwaardeerstation zich op een andere locatie op het terrein van de inrichting bevindt dan de locatie als vermeld in de stukken behorend bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011. Dit lastonderdeel is weliswaar bij besluit van 13 februari 2025 ingetrokken, maar omdat het college bij besluit van 30 september 2024 dwangsommen heeft ingevorderd vanwege overtreding van dit voorschrift in de periode voorafgaand aan 30 juli 2024, heeft Groen Gas Goor nog belang bij de beoordeling van haar beroep tegen dit lastonderdeel.
12.2.
Ten aanzien van de stelling van Groen Gas Goor dat de gewijzigde locatie van het gasopwaardeerstation is gerealiseerd op basis van de omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging van 5 april 2017 stelt de rechtbank vast dat bij de aanvraag van deze vergunning een tekening met aanduiding 70-13A-001 (plattegrond inrichting) is overgelegd waarop de gewijzigde locatie is aangegeven. Op de tekening bij deze aanvraag is de gewijzigde opslag aangeduid als ‘gas upgrading’. In het besluit van 5 april 2017 wordt verwezen naar de op het “overzicht” bij dat besluit genoemde bijlage die bij dat besluit horen. De tekening met aanduiding 70-13A-001 is op deze bijlage vermeld. De rechtbank is van oordeel dat met deze tekening, die deel uitmaakt van de vergunning van 5 april 2017, voldoende vaststaat dat de gewijzigde locatie van het gasopwaardeerstation daarmee is vergund. Het standpunt van het college dat de gewijzigde locatie niet is vergund omdat deze niet is vermeld in de toelichting bij de aanvraag van de hand van Ludan Renewable Energy (hierna: Ludan), zodat de wijziging niet is aangevraagd en daarmee ook niet is vergund, volgt de rechtbank niet. Ten eerste niet omdat de tekening onderdeel is van de vergunning zoals hiervoor is overwogen. Ten tweede niet, omdat in de toelichting van Ludan ook verwezen wordt naar diezelfde tekening, met de toelichting dat daarop de ‘nieuwe layout’ van het hoofdgebouw staat. Dat de gewijzigde indeling van dat gebouw is aangevraagd, en conform aanvraag is vergund, staat daarom naar het oordeel van de rechtbank vast.
12.3.
Nu de gewijzigde locatie van het gasopwaardeerstation is vergund, is geen sprake van een overtreding. Het college was dan ook niet bevoegd om hiervoor een last onder dwangsom op te leggen. Het beroep van Groen Gas Goor slaagt daarom voor wat betreft dit lastonderdeel en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
12.4.
Omdat het beroep van Groen Gas Goor, voor zover gericht tegen dit lastonderdeel, gegrond wordt verklaard, dient tevens het beroep, voor zover gericht tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van lastonderdeel 6 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 30 september 2024 dient in zoverre te worden vernietigd.
12.5.
Het beroep van [eisers] tegen de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel slaagt gelet op wat hiervoor is overwogen niet. De last had naar het oordeel van de rechtbank immers niet opgelegd mogen worden. Hierbij komt dat de reden voor de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel gelegen was in de verlening van een omgevingsvergunning voor deze activiteit in 2024. Het daartegen door [eisers] ingestelde beroep met zaaknummer ZWO 25/237 is bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.
Lastonderdeel 7
13.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 7 (mestscheidingsinstallatie) overweegt de rechtbank dat het ook hier gaat om enkel een gewijzigde locatie binnen het hoofdgebouw. De mestscheidingsinstallatie bevindt zich namelijk op een andere locatie dan vermeld in de stukken behorend bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011. Dit lastonderdeel is weliswaar bij besluit van 13 februari 2025 ingetrokken, maar omdat het college bij besluit van 30 september 2024 dwangsommen heeft ingevorderd vanwege overtreding van dit voorschrift in de periode voorafgaand aan 30 juli 2024, heeft Groen Gas Goor nog altijd belang bij de beoordeling van het tegen dit lastonderdeel ingestelde beroep.
13.2.
De rechtbank volgt het betoog van Groen Gas Goor dat de gewijzigde locatie van het mestscheidingsinstallatie is vergund met de omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging van 5 april 2017, omdat, evenals ten aanzien van het gasopwaardeerstation, sprake is van een verplaatsing conform de tekening met aanduiding 70-13A-001 (plattegrond inrichting) die is vermeld in de vergunning.
13.3.
Nu de gewijzigde locatie van de mestscheidingsinstallatie is vergund, is geen sprake van een overtreding. Het college was dan ook niet bevoegd om hiervoor een last onder dwangsom op te leggen. Het beroep van Groen Gas Goor slaagt daarom voor wat betreft dit lastonderdeel en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
13.4.
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit voor wat betreft dit lastonderdeel wordt vernietigd, dient tevens het beroep, voor zover gericht tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van lastonderdeel 7 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 30 september 2024 dient in zoverre te worden vernietigd.
13.5.
Het beroep van [eisers] tegen de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel is gelet op wat hiervoor is overwogen ongegrond. Hierbij komt dat de reden voor de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel gelegen was in de verlening van een omgevingsvergunning voor deze activiteit. Het daartegen door [eisers] ingestelde beroep is bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.
Lastonderdeel 8
14.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 8 (gasopslag binnen de inrichting) stelt de rechtbank voorop dat dit lastonderdeel weliswaar bij besluit van 13 februari 2025 is ingetrokken, maar omdat het college bij besluit van 30 september 2024 dwangsommen heeft ingevorderd vanwege overtreding van dit voorschrift in de periode voorafgaand aan 30 juli 2024, heeft Groen Gas Goor nog belang bij de beoordeling van het tegen dit lastonderdeel ingestelde beroep.
14.2.
Partijen verschillen van inzicht over de vraag wat vergund is en wat als een overtreding aangemerkt zou kunnen worden.
14.3.
Uitganspunt van het college bij het opleggen van de last is dat bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 een gasopslagcapaciteit van 3.762 mᶾ is vergund in 3 daken. Volgens het controlerapport van de omgevingsdienst van 26 juli 2023 zijn op het terrein van de inrichting vijf daken met daarbinnen een totale opslagcapaciteit van 6.265 mᶾ gerealiseerd. Volgens het college komt de vergunde gasopslag daarom niet overeen met de vergunde situatie. Groen Gas Goor is gelast om de gasopslag in overeenstemming te brengen met de vergunde situatie door de gasopslag terug te brengen naar 3 opslagen.
14.4.
Groen Gas Goor stelt zich op het standpunt dat op basis van de omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging van 5 april 2017 gasopslag in vijf daken is toegestaan en dat de door het college genoemde opslagcapaciteit van (nu) 6.265m3 niet juist is, omdat daarin ten onrechte ook het gas wordt meegeteld dat nog in de vergisters zit en nog niet in het dak aanwezig is. Het betreft daarom geen ‘gasopslag’.
14.5.
De rechtbank stelt vast dat in de omgevingsvergunning voor een milieuneutrale wijziging van 5 april 2017 inderdaad gasopslag is uitgebreid van 3 naar 5 gasdaken. In de toelichting van Ludan die bij de vergunningaanvraag voor deze wijziging is overgelegd, staat daarover het volgende:
“2.2 Bolle daken naopslagen
In het ontwerp uit 2010 is voorzien in drie betonnen na-opslagen met een diameter van 22 meter en een hoogte van 6 meter. Ter overkapping werd een spankap gebruikt. In het huidige ontwerp worden gelijkvormige daken op alle te bouwen betonnen tanks voorzien. Doordat er een andere, minder bolle, variant van dak wordt toegepast verandert het aanzicht en neemt de opslagcapaciteit af. Er zijn binnen de risicocontour geen gevoelige objecten. Dat blijft zo. Het risico verandert daarmee niet.”
De vergunning is conform de aanvraag en met verwijzing naar het aanvraagdocument (de toelichting van Ludan) verleend. Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat bij de vergunning van 5 april 2017 gasopslag onder de daken van alle betonnen tanks op het terrein van de inrichting (5 stuks) is vergund. Daarbij is de vergunde totale opslagcapaciteit van 3.762 mᶾ niet gewijzigd. Met de vergunning van 25 juli 2024 is wel extra gasopslag vergund. Dat is onderwerp van geschil in de beroepsprocedures met zaaknummers ZWO 25/237 en 352 waar vandaag uitspraak in is gedaan.
14.6.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat het college in de last onder dwangsom aan Groen Gas Goor schrijft dat het bedrijf aan de last kan voldoen ‘door de gasopslag terug te brengen naar 3 opslagen conform de vergunning van 5 april 2011’. Het gaat het college daarbij kortom om het aantal opslagen en niet om de hoeveelheid gas dat aanwezig is. Nu aan Groen Gas Goor evenwel 5 opslagen zijn vergund, is deze last onterecht.
14.7.
De rechtbank is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat het college niet bevoegd was om deze last onder dwangsom op te leggen. Het beroep van Groen Gas Goor slaagt daarom voor wat betreft dit lastonderdeel en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
14.8.
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit voor wat betreft dit lastonderdeel wordt vernietigd, dient tevens het beroep, voor zover gericht tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van lastonderdeel 8 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 30 september 2024 dient in zoverre te worden vernietigd.
14.9.
Het beroep van [eisers] tegen de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel slaagt niet, gelet op wat hiervoor is overwogen.
Lastonderdeel 9
15.1.
Ten aanzien lastonderdeel 9 (biofilter, chemisch luchtwassysteem en het opslaan van spuiwater) overweegt de rechtbank dat dit lastonderdeel betrekking heeft op verschillende onderdelen. Overigens is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Daar waar het bestreden besluit spreekt over ‘spulwater’ moet dit worden gelezen als ‘spuiwater’. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen dit ook zo hebben begrepen.
15.2.
Bij besluit van 30 juli 2024 heeft het college dit lastonderdeel, voor wat betreft het zichtbaar afkoppelen van het luchtwassysteem en voor wat betreft het staken van het opslaan van spuiwater ingetrokken. [eisers] heeft tegen deze intrekking beroep ingesteld.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor wat betreft de ingetrokken onderdelen van lastonderdeel 9 sprake is van onduidelijkheid over wat bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 is vergund. Hoewel het luchtwassysteem niet is genoemd in de bij de vergunning van 5 april 2011 behorende voorschriften, wordt de luchtwasser op verschillende plaatsen in de aanvraag van die vergunning wel genoemd. De rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft dit punt sprake is van een onduidelijke situatie. Deze onduidelijkheid mag niet voor rekening van Groen Gas Goor als vergunninghouder komen. Het college heeft dit lastonderdeel dan ook terecht gedeeltelijk ingetrokken. Het beroep van [eisers] , voor zover gericht tegen die intrekking, is dan ook ongegrond.
15.3.
Voor wat betreft het gehandhaafde deel van dit lastonderdeel oordeelt de rechtbank dat het biofilter niet is vergund. De stelling van Groen Gas Goor dat het biofilter op enig moment in overleg met de omgevingsdienst is geplaatst met het doel om eventuele geuruitstoot te beperken is niet met stukken onderbouwd. Wel stelt de rechtbank vast dat het college niet is ingegaan op de stelling van Groen Gas Goor dat handhavend optreden voor wat betreft het biofilter onevenredig is omdat dit bijdraagt aan de vermindering van geurhinder voor omwonenden. De rechtbank is van oordeel dat dit wel had gemoeten. Het bestreden besluit berust in zoverre, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet op een deugdelijke motivering.
15.4.
Het beroep van Groen Gas Goor, voor zover gericht tegen het gehandhaafde deel van lastonderdeel 9, slaagt daarom en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
Lastonderdeel 10
16.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 10 (verwerken van co-substraten en mest) overweegt de rechtbank dat in voorschrift 2.4 bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 is bepaald dat de inrichting jaarlijks maximaal 36.000 ton biomassa mag toelaten en verwerken. In voorschrift 2.5 bij deze vergunning is bepaald dat de inrichting jaarlijks maximaal 18.000 ton verpompbare vloeibare en/of vaste uitwerpselen van dieren mag toelaten en verwerken.
16.2.
Groen Gas Goor stelt zich op het standpunt dat voorschrift 2.5 bij de vergunning van 5 april 2011 abusievelijk onjuist is geformuleerd. Groen Gas Goor heeft in maart 2022 B en W, van wie Groen Gas Goor destijds meende dat dat het bevoegde bestuursorgaan was, verzocht om wijziging van dit vergunningvoorschrift. B en W hebben de aangevraagde wijziging geweigerd. De rechtbank stelt evenwel vast dat destijds geen rechtsmiddelen zijn aangewend tegen die vergunning(voorschriften). De vergunning van 5 april 2011 heeft formele rechtskracht gekregen. Voorschrift 2.5 bij deze vergunning is niet onduidelijk geformuleerd. Van onduidelijkheid die voor risico van het bevoegd gezag dient te komen is dan ook geen sprake. De rechtbank zal in het kader van de beoordeling van dit beroep daarom uitgaan van de tekst van voorschrift 2.5 zoals die is opgenomen in de vergunning van 5 april 2011. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de rechtbank zich in het kader van de beoordeling van dit beroep niet zal uitlaten over de vraag of het college al dan niet terecht heeft geweigerd om voorschrift 2.5 bij de vergunning van 5 april 2011 te wijzigen. Die vraag ligt in het kader van de beoordeling van dit beroep niet voor.
16.3.
In geschil is of Groen Gas Goor de voorschriften heeft overtreden. Uit de controlerapporten van de omgevingsdienst van 28 maart 2023 en van 26 juli 2023 blijkt dat in de jaren 2020, 2021 en 2022 aanzienlijk meer dan 36.000 ton biomassa (mest en co-substraten) en aanzienlijk meer dan 18.000 ton mest zijn toegelaten tot en verwerkt in de inrichting van Groen Gas Goor. Namens Groen Gas Goor is betwist dat de heer [naam 4] (hierna: [naam 4] ) op 26 juli 2023 heeft verklaard dat geen maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat in 2023 en in de daarop volgende kalenderjaren meer dan 36.000 ton biomassa en meer dan 18.000 ton mest wordt toegelaten en verwerkt. De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan dat de vaststelling dat de maximaal in de inrichting te verwerken hoeveelheid biomassa en mest is overschreden niet enkel is gebaseerd op de verklaring van [naam 4] , maar vooral ook op wat door de omgevingsdienst is geconstateerd over de in de jaren 2020, 2021 en 2022 toegelaten hoeveelheden biomassa en mest. Hierbij komt dat Groen Gas Goor als zodanig ook niet heeft betwist dat jaarlijks meer dan 36.000 ton biomassa en meer dan 18.000 ton mest zijn toegelaten en verwerkt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het college op goede gronden heeft aangenomen dat sprake is van een overtreding waartegen handhavend kon worden opgetreden.
16.4.
Naar aanleiding van de stelling van Groen Gas Goor dat handhavend optreden tegen deze overtreding onevenredig is, overweegt de rechtbank als volgt. Groen Gas Goor heeft in dit verband betoogd dat een maximale ondergrens van precies 50% dierlijke meststoffen voor wat betreft de totaal vergunde maximale hoeveelheid van 36.000 ton biomassa niet werkbaar is en dat het aandeel dierlijke mest altijd 50% of meer dient te bedragen. De rechtbank oordeelt naar aanleiding van deze stelling dat de maximaal vergunde hoeveelheden biomassa en mest volgen uit de voorschriften 2.4 en 2.5 bij de vergunning van 5 april 2011. Voor zover Groen Gas Goor meent dat het noodzakelijk is dat het aandeel dierlijke mest altijd 50% of meer bedraagt, overweegt de rechtbank dat het Groen Gas Goor vrij staat om minder dan in totaal 36.000 ton biomassa toe te laten en te verwerken in de inrichting, indien dit voor de naleving van voorschrift 2.5 bij de vergunning van 5 april 2011 noodzakelijk is. Niet gebleken is dat voor wat betreft deze overtreding sprake was van concreet zicht op legalisatie. Niet gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat handhavend optreden tegen deze overtreding onevenredig is.
16.5.
Ten aanzien van de hoogte van de voor deze overtreding opgelegde dwangsom overweegt de rechtbank dat artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de bedragen van een op te leggen dwangsom in redelijke verhouding dienen te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft tot doel om een overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken is het te verwachten financiële voordeel dat een overtreder heeft als gevolg van het zich niet houden aan de overtreden regel, van belang voor de hoogte van de op te leggen dwangsom. Een reeds behaald financieel voordeel mag in dit verband geen rol spelen omdat de dwangsom anders het karakter van een punitieve sanctie zou krijgen. [3]
De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de dwangsom nader is onderbouwd in het invorderingsbesluit van 16 juli 2025. Het gegeven dat in dit invorderingsbesluit een nadere onderbouwing van de hoogte van de dwangsom is gegeven, maakt als zodanig niet dat het besluit waarbij de dwangsom is bepaald onzorgvuldig is. In de nadere onderbouwing in het besluit van 16 juli 2025 heeft het college verwezen naar het financiële voordeel dat Groen Gas Goor heeft als gevolg van de overtreding waarvoor deze last is opgelegd. In dit verband heeft het college het volgende overwogen:
“Uit de bij de aanvraag van de omgevingsvergunning overlegde gegevens blijkt dat uit een invoer van 36.000 ton biomassa circa 5.000.000 m3 biogas kan worden geproduceerd. Dit leidt, bij benadering, tot een energieopbrengst van circa 12.000.000 kWh elektriciteit en een vergelijkbare hoeveelheid gas, hetzij circa 3.000.000 m3 biogas. Hieruit volgt dat per ton biomassa ongeveer 138,89 mᶾ biogas wordt geproduceerd en 83,33 mᶾ groen gas.
Op het moment van primaire besluitvorming in 2024 bedroeg de opbrengt van 1 mᶾ groen gas, afhankelijk van contractuele afspraken, gemiddeld tussen € l,06 en € l,50 per mᶾ. Aanvullend daarop is in overweging genomen dat uw bedrijf mogelijk in aanmerking komt, of gebruik maakt van de SDE+ + subsidie, waarvan het subsidiebedrag voor installaties >450 Kw naar schatting CO. 719 per mᶾ groen gas bedroeg. De SDE + + subsidie bepaalt namelijk dat per 1 kWh gefaseerd (in 5 fasen) in totaliteit circa CO, 0719 per kWh wordt uitgekeerd, ervan uitgaande dat 1 m3 groen gas een gemiddelde energiewaarde van 10 kWh heeft. Dit betreft een inschatting.
Kortom, om de hoogte van de dwangsom te bepalen is de volgende berekening gemaakt.
Iedere ton biomassa levert gemiddeld 83.33 m3 groen gas op;
Opbrengst per m3 groen gas was in 2024 gemiddeld tussen € 1,06 en € 1,50;
SDE+ + subsidie per m3 groen gas: € 0,719;
Geschat financieel voordeel o.b.v. enkel de subsidie € 59,91 per ton biomassa.
Totale opbrengst groen gas (inclusief geschatte subsidie) per mᶾ groen gas
Ondergrens totaal per mᶾ: € 1,06 (marktprijs) + € 0,719 (subsidie) = circa € 1,78,- per mᶾ groen gas;
Bovengrens totaal per m3: € 1,50 (marktprijs) + € 0,719 (subsidie) = circa € 2,22 per mᶾ groen gas.
Totale opbrengst per ton biomassa
- Ondergrens tussen circa € 88,- exclusief subsidie ( = 83,33 x € 1,06) en circa
Daarmee bedraagt het geschatte financiële voordeel per ton biomassa ongeveer € 88,- (ondergrens) tot € 185,- (bovengrens inclusief subsidie), exclusief andere baten.
Gelet op deze economische context is de dwangsom vastgesteld op € 150,- per ton overschrijding van de vergunde hoeveelheden biomassa, mest dan wel cosubstraten. Dit bedrag is afgestemd op het geschatte financiële voordeel. De bedoeling is om hiermee een effectieve prikkel te bieden, met het oog op net beëindigen en het beëindigd houden van de overtreding.”
De rechtbank stelt vast dat Groen Gas Goor in het aanvullend beroepschrift van 16 september 2025 een aantal aannames die ten grondslag liggen aan de onderbouwing van het financiële voordeel door het college gemotiveerd heeft bestreden. Zo heeft Groen Gas Goor erop gewezen dat de gasprijzen waar het college zich in zijn toelichting op heeft gebaseerd, consumentenprijzen zijn waarbij energiebelastingen en btw zijn inbegrepen. Groen Gas Goor heeft benadrukt dat zij geen consumentenprijs ontvangt en dat zij als onderneming geen aanspraak kan maken op energie- en omzetbelasting. Verder heeft Groen Gas Goor erop gewezen dat de SDE++ subsidie geen vaste toeslag bovenop de marktprijs is, maar dat deze subsidie wordt berekend als het verschil tussen het subsidiebasisbedrag van € 0,74 per normkubieke meter en de geldende marktprijs. Ook heeft Groen Gas Goor erop gewezen dat het college bij de berekening van het financiële voordeel geen rekening heeft gehouden met de kosten van de productie van groen gas.
In het verweerschrift van 11 november 2025 heeft het college, voor zover hier van belang, hierop als volgt gereageerd:
“GS merkt daar het volgende over op. Het is niet bekend of GGG groen gas uitsluitend aan
energiehandelaren levert, dan wel aan consumenten. Het enkele argument dat de marktprijs bij energiehandelaren lager ligt, maakt niet dat het vastgestelde dwangsombedrag moet worden aangepast. GGG heeft immers niet aantoonbaar gemaakt dat haar verkoop uitsluitend aan energiehandelaren plaatsvindt. De vaststelling van de dwangsom is gebaseerd op een globaal gemiddelde van marktconforme prijzen. Hierbij heeft GS een ruime beleidsvrijheid om een evenwichtige en effectieve financiële prikkel te waarborgen en naleving van de lastgeving te stimuleren, hetgeen naar oordeel van GS voldoende is gewaarborgd.”
De rechtbank is naar aanleiding van wat partijen in de hiervoor genoemde stukken naar voren hebben gebracht over de hoogte van de dwangsom van oordeel dat het college in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 vanPro de Awb niet de nodige kennis omtrent de af te wegen feiten en de relevante belangen heeft vergaard. Zo blijkt uit bovenstaand citaat uit het verweerschrift van 11 november 2025 dat het college niet is nagegaan of Groen Gas Goor ook aan consumenten levert of uitsluitend aan energiehandelaren. Het had op de weg van het college gelegen om hier onderzoek naar te doen. De rechtbank constateert verder dat het college niet inhoudelijk heeft gereageerd op wat namens Groen Gas Goor is aangevoerd over de wijze waarop SDE+ + subsidiebedragen worden bepaald en op het argument dat het college bij de berekening van het financiële voordeel geen rekening heeft gehouden met de kosten van de productie van groen gas. Deze argumenten zijn wel alle relevant voor de vraag wat het te verwachten financiële voordeel is van Groen Gas Goor bij overtreding van deze voorschriften. Nu het college de hoogte van de dwangsom voornamelijk op dat geschatte voordeel heeft afgestemd, berust het bestreden besluit, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient daarom in zoverre te worden vernietigd.
16.6.
Naar aanleiding van de stelling van Groen Gas Goor dat sprake is van cumulatie van verbeurde dwangsommen, overweegt de rechtbank dat lastonderdeel 10 in het bestreden besluit van 7 november 2023 is geformuleerd als één last. Dat in deze last zowel is bepaald dat voorkomen moet worden dat jaarlijks meer dan 36.000 ton biomassa (mest en co-substraten) wordt toegelaten en verwerkt in de inrichting als dat voorkomen moet worden dat jaarlijks meer dan 18.000 ton mest wordt toegelaten en verwerkt doet hieraan niet af. Omdat sprake is van één last, wordt in geval van overtreding daarvan slechts eenmaal de dwangsom van € 150 verbeurd voor elke ton waarmee wordt overschreden. De hoogte van de dwangsom die wordt verbeurd kan niet voor beide in de last genoemde verplichtingen afzonderlijk worden berekend indien de overschrijding van de maximaal toegelaten en verwerkte hoeveelheid mest er tevens toe leidt dat de maximaal toegelaten en verwerkte hoeveelheid biomassa hierdoor wordt overschreden. Anders zou immers voor dezelfde gedraging tweemaal een dwangsom worden verbeurd. In het invorderingsbesluit van 16 juli 2025 is dit niet onderkend. Het college heeft bij overschrijdingen van de maximaal toegelaten en verwerkte hoeveelheid mest die er tevens toe leidden dat de maximaal toegelaten en verwerkte hoeveelheid biomassa werden overschreden, zowel voor het ene als voor het andere onderdeel van lastonderdeel 10 aangenomen dat de dwangsom van € 150 wordt verbeurd voor elke ton waarmee wordt overschreden. In zoverre berust het invorderingsbesluit van 16 juli 2025, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient daarom in zoverre te worden vernietigd.
16.7.
Omdat het beroep van Groen Gas Goor, voor zover gericht tegen dit lastonderdeel, gegrond wordt verklaard, dient tevens het beroep, voor zover gericht tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van lastonderdeel 10 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 16 juli 2025 dient in zoverre te worden vernietigd.
16.8.
[eisers] heeft nog beroep ingesteld tegen het invorderingsbesluit en betoogt dat eerder ingevorderd had moeten worden. Nu het beroep inzake de last onder dwangsom gelet op het voorgaande gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke behandeling van dit betoog.
Lastonderdeel 11
17.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 11 (afvalproducten vanuit co-substraten) overweegt de rechtbank dat in voorschrift 2.6 bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 is bepaald dat de inrichting enkel co-substraten mag verwerken van de als bijlage 4 bij de aanvraag van die vergunning opgenomen “positieve lijst”. Hiervan mag jaarlijks maximaal 15.000 ton een afvalproduct zijn.
17.2.
In het controlerapport van de omgevingsdienst van 26 juli 2023 is vermeld dat in de jaren 2020, 2021 en 2022 jaarlijks meer dan 15.000 ton afvalproducten is verwerkt binnen de inrichting. Verder heeft [naam 4] verklaard dat in 2023 geen maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat meer dan 15.000 ton aan afvalproducten binnen de inrichting wordt verwerkt. Namens Groen Gas Goor wordt betwist dat alle co-substraten kunnen worden aangemerkt als afvalproducten. Volgens Groen Gas Goor is sprake van bijproducten. Ook wordt de gestelde verklaring van [naam 4] betwist.
17.3.
De rechtbank is van oordeel dat alle co-substraten die binnen de inrichting worden verwerkt kunnen worden aangemerkt als afvalproducten. In dit verband is van belang dat het college zich heeft gebaseerd op gegevens van het Landelijk Meldplicht Afvalsystemen (LMA). De gegevens in het LMA zijn door Groen Gas Goor gemeld. Aangezien Groen Gas Goor de co-substraten als afvalstoffen heeft gemeld, mocht het college daarop afgaan. Groen Gas Goor heeft niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde stoffen op grond van de hiervoor geldende criteria kunnen worden aangemerkt als bijproducten. Nu het college de co-substraten op goede gronden heeft aangemerkt als afvalproducten, staat op basis van de constateringen van de omgevingsdienst in voldoende mate vast dat gedurende meerdere jaren sprake is geweest van overschrijding van de maximaal toegestane hoeveelheid afvalproducten vanuit co-substraten. Hierbij kan in het midden blijven of de ten tijde van de controle door [naam 4] afgelegde verklaring correct is weergegeven. Ook los van de verklaring van [naam 4] staat de overtreding in voldoende mate vast. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college op goede gronden heeft aangenomen dat sprake is van een overtreding waartegen handhavend kon worden opgetreden.
17.4.
Ten aanzien van de hoogte van de voor deze overtreding opgelegde dwangsom oordeelt de rechtbank, onder verwijzing naar wat hiervoor onder 16.5 is overwogen, dat het college in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 vanPro de Awb niet de nodige kennis omtrent de af te wegen feiten en de relevante belangen heeft vergaard. Ook berust het bestreden besluit, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient daarom in zoverre te worden vernietigd.
17.5.
Met het oog op de nieuwe beslissing op bezwaar die het college dient te nemen, zal de rechtbank tevens een oordeel geven over de stelling van Groen Gas Goor dat ook voor wat betreft dit lastonderdeel sprake is van cumulatie van verbeurde dwangsommen. De rechtbank volgt dit betoog niet. In voetnoot 14 van het invorderingsbesluit van 17 juli 2025 is uitgelegd hoe de hoogte van de ingevorderde dwangsom van € 4.875 voor dit lastonderdeel is berekend. Uit deze toelichting blijkt dat hiervoor alleen is gekeken is naar de overschrijding van 32,5 ton afvalproducten uit co-substraten.
17.6.
Omdat het beroep van Groen Gas Goor, voor zover gericht tegen dit lastonderdeel, gegrond wordt verklaard, dient tevens het beroep, voor zover gericht tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van lastonderdeel 11 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 16 juli 2025 dient in zoverre te worden vernietigd.
Lastonderdeel 12
18.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 12 (luchthygiënisatiesysteem) overweegt de rechtbank dat in voorschrift 8.5 bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 is bepaald dat de lucht uit de ruimte waar de hygiënisatie plaatsvindt wordt afgezogen en verbrand in de warmtekrachtkoppelingsinstallatie (biogasmotor). Naar aanleiding van de plaatsing van een luchtwassysteem met biofilter is de in voorschrift 8.5 voorgeschreven werkwijze aangepast en vindt feitelijk niet langer verbranding plaats in de warmtekrachtkoppelingsinstallatie.
18.2.
Dit lastonderdeel is weliswaar bij besluit van 13 februari 2025 ingetrokken, maar omdat het college bij besluit van 2 juli 2024 dwangsommen heeft ingevorderd, heeft Groen Gas Goor belang bij de beoordeling van het tegen dit lastonderdeel ingestelde beroep.
18.3.
De rechtbank stelt vast dat de gewijzigde werkwijze ten aanzien van de luchthygiënisatie niet eerder dan bij de omgevingsvergunning van 30 juli 2024 is vergund. In zoverre was het college dan ook bevoegd om handhavend op te treden tegen deze overtreding van voorschrift 8.5 bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011.
18.4.
Voor wat betreft deze wijziging heeft Groen Gas Goor betoogd dat de werkwijze met betrekking tot de lucht uit de luchthygiënisatieruimte destijds in overleg met de omgevingsdienst is aangepast met het oog op het tegengaan van geuruitstoot. De rechtbank stelt vast dat deze stelling niet door het college is weersproken. De rechtbank zal hier dan ook van uitgaan. De rechtbank is van oordeel dat handhavend optreden onder deze omstandigheden niet evenredig is. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en het berust in zoverre, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, tevens niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.
18.5.
Omdat het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit voor wat betreft dit lastonderdeel wordt vernietigd, dient tevens het beroep, voor zover gericht tegen de invordering van verbeurde dwangsommen wegens overtreding van lastonderdeel 12 gegrond te worden verklaard. Het besluit van 2 juli 2024 dient in zoverre te worden vernietigd.
18.6.
Het beroep van [eisers] tegen de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel slaagt niet gelet op wat hiervoor is overwogen. Hierbij komt dat de reden voor de intrekking van de last onder dwangsom voor wat betreft dit besluitonderdeel gelegen was in de verlening van een omgevingsvergunning voor deze activiteit. Het daartegen door [eisers] ingestelde beroep is bij uitspraak van vandaag ongegrond verklaard.
Lastonderdeel 13
19.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 13 (fakkelinstallatie) overweegt de rechtbank dat in voorschrift 10.26 bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 is bepaald dat de binnen de inrichting aanwezige fakkelinstallatie jaarlijks op een goede werking wordt gecontroleerd door een deskundige. Voorschrift 10.26 bepaalt dat de controle dient plaats te vinden conform Richtlijn NPR 7910-1. Het college heeft dit lastonderdeel bij besluit van 30 juli 2024 ingetrokken en het college heeft afgezien van invordering.
19.2.
Het college heeft in het verweerschrift van 11 november 2025 aangegeven dat gebleken is dat de in voorschrift 10.26 bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 genoemde Richtlijn NPR 7910-1 geen betrekking heeft op de juiste werking van een fakkelinstallatie. Aan de last kon daarom niet worden voldaan. Het college heeft dit lastonderdeel gelet op het bepaalde in artikel 5:34, eerste lid, van de Awb terecht ingetrokken. Het beroep van [eisers] , voor zover gericht tegen de intrekking van dit lastonderdeel, slaagt daarom niet. Ook niet voor zover [eisers] zich op het standpunt stelt dat de last niet ingetrokken maar gewijzigd had moeten worden, zodat wel aan een juiste norm gerefereerd kon worden.
Lastonderdeel 14
20.1.
Ten aanzien van lastonderdeel 14 (ontbreken inspectierapport in verband met vloeistofdichte vloeren) overweegt de rechtbank dat in voorschrift 6.7 bij de omgevingsvergunning van 5 april 2011 is bepaald dat voor de vloeren in de onderdelen van de bedrijfshal die in dit voorschrift zijn genoemd, een inspectierapport dient te zijn opgesteld waaruit blijkt dat deze vloeistofdicht zijn. Ten tijde van het opleggen van deze last beschikte Groen Gas Goor niet over een dergelijk rapport.
20.2.
De rechtbank stelt vast dat inmiddels alsnog een inspectierapport als bedoeld in voorschrift 6.7 is overgelegd. De overtreding is daarmee ongedaan gemaakt. Nu geen dwangsommen zijn verbeurd wegens overtreding van dit voorschrift heeft Groen Gas Goor niet langer procesbelang bij de beoordeling van het beroep, voor zover ingesteld tegen dit lastonderdeel.
Het verzoek van [eisers] om handhaving ten aanzien van bouwen
21.1.
Het handhavingsverzoek van [eisers] zag op de hiervoor vermelde lastonderdelen, alsook op de bouwactiviteiten van Groen Gas Goor. Op 10 februari 2024 heeft het college bij separaat besluit [eisers] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om handhavend op te treden op het onderdeel bouwen omdat [eisers] geen belanghebbende is.
21.2.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 10 februari 2024 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 vanPro de Awb waarmee het oorspronkelijke bestreden besluit, van 7 november 2023, is gewijzigd. Het beroep van [eisers] is daarom mede gericht tegen dat besluit.
21.3.
Het college heeft het bezwaar van [eisers] voor wat betreft de benoemde bouwactiviteiten op het perceel van Groen Gas Goor niet-ontvankelijk verklaard omdat [eisers] in de visie van het college geen belanghebbende is voor wat betreft deze activiteiten. Het college heeft er in dit verband op gewezen dat de afstand tussen het perceel van Groen Gas Goor en het perceel van [eisers] ongeveer 200 meter bedraagt. Ook zijn de bouwwerken ten aanzien waarvan [eisers] om handhaving heeft verzocht niet zichtbaar vanaf het perceel van [eisers] .
21.4.
De rechtbank overweegt dat voor wat betreft de vraag of [eisers] al dan niet terecht niet als belanghebbende is aangemerkt bij de bouwactiviteiten op het perceel van Groen Gas Goor, dient te worden beoordeeld of sprake is van gevolgen van enige betekenis voor [eisers] . De rechtbank overweegt dat de bouwactiviteiten op het perceel van Groen Gas Goor onlosmakelijk samenhangen met het doel waarvoor de bouwwerken ten aanzien waarvan om handhaving is verzocht worden gebruikt. Nu niet onaannemelijk is dat [eisers] geuroverlast kan ondervinden van activiteiten die plaatsvinden in of door de bouwwerken ten aanzien waarvan om handhaving is verzocht, is de rechtbank van oordeel dat wel degelijk sprake is van gevolgen van enige betekenis voor [eisers] . [eisers] is dan ook ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt. Het bezwaar van [eisers] , voor zover gericht tegen de bouwactiviteiten op het perceel van Groen Gas Goor, is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
21.4.
Het beroep, voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het door [eisers] gemaakte bezwaar voor wat betreft de bouwactiviteiten slaagt daarom en het bestreden besluit, zoals gewijzigd bij het besluit van 10 februari 2024, dient in zoverre te worden vernietigd.
Overige onderdelen in het handhavingsverzoek van [eisers]
22.1.
Ten aanzien van de stelling van [eisers] dat ten onrechte niet handhavend wordt opgetreden tegen de overige overtredingen ten aanzien waarvan [eisers] op 8 februari 2022 om handhaving heeft verzocht, overweegt de rechtbank dat namens [eisers] is betoogd dat ten onrechte niet inhoudelijk is beslist op de volgende onderdelen van het ingediende verzoek om handhaving:
de registratie van verblijfstijd;
geopende deuren;
gebruik digestaatscheidingshal;
ammoniakconcentraties en -emissies;
gebruik fakkelinstallatie;
frequentie gebruik fakkelinstallatie;
invullen logboek fakkelinstallatie;
geurhinder;
invoeden dierlijke mest;
dierlijke mest in scheidingsinstallatie;
opslag en droging van mest;
direct naar hygiënisatie brengen van dierlijke mest;
verhandelen en exporteren van ruwe drijfmest;
handelen in strijd met de vergunningvoorschriften 8.6 t/m 8.8 in verband met geur;
niet afdekken opslag vaste co-substraten;
overtreding zorgplichten.
22.2.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van bovenstaande onderdelen van het door [eisers] ingediende handhavingsverzoek inderdaad geen inhoudelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden. Zij is daarom van oordeel dat [eisers] zich terecht op het standpunt stelt dat in het bestreden besluit niet is beslist op alle door [eisers] genoemde punten ten aanzien waarvan om handhaving is verzocht. In zoverre berust het bestreden besluit, in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient daarom in zoverre te worden vernietigd. Het college dient alsnog een inhoudelijk besluit te nemen ten aanzien van deze onderdelen.
Conclusie en gevolgen
23.1.
De beroepen van Groen Gas Goor en van [eisers] zijn gelet op wat hiervoor is overwogen gegrond. De bestreden besluiten zullen voor wat betreft de hiervoor genoemde onderdelen worden vernietigd.
23.2
Omdat het beroep van Groen Gas Goor gegrond is, krijgt Groen Gas Goor het door haar betaalde griffierecht terug. Het college moet dat betalen. Ook moet het college aan Groen Gas Goor een proceskostenvergoeding betalen. De hoogte van de vergoedingen voor door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: € 934; wegingsfactor 1).
23.3
Omdat het beroep van [eisers] gegrond is, krijgt [eisers] het betaalde griffierecht terug. Het college moet dat betalen. Ook moet het college aan [eisers] een proceskostenvergoeding betalen. De hoogte van de vergoedingen voor door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: € 934; wegingsfactor 1). Verder heeft [eisers] gevraagd om vergoeding van de kosten voor het inschakelen van deskundige [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De kosten daarvoor bedragen volgens de overgelegde specificatie € 5.017,87. De rechtbank stelt evenwel vast dat op de overgelegde specificatie van [naam 1] ook de reistijd van en naar de zitting (2 uur à € 143 per uur) is vermeld. Deze reistijd is echter ook vermeld op de specificatie die is overgelegd in de zaken met de nummers 25/237 en 25/232, die tijdens het ochtendgedeelte van de zitting zijn behandeld. In die zaken is al een vergoeding toegekend voor de reistijd van [naam 1] van en naar de zitting. Deze kosten komen niet nogmaals voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal daarom een bedrag van € 286 in mindering brengen op de gedeclareerde kosten voor het inschakelen van [naam 1] . De overige kosten van de deskundige (€ 5.017,87 minus € 286 = € 4.731,87) komen de rechtbank redelijk voor. Deze kosten komen daarom ook voor vergoeding in aanmerking.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen van Groen Gas Goor en van [eisers] gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 7 november 2023, het aanvullende besluit van 10 februari 2024 en de invorderingsbesluiten van 2 juli 2024, van 5 augustus 2024, van 30 september 2024 en van 16 juli 2025;
laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 7 november 2023 voor wat betreft lastonderdeel 5 en het invorderingsbesluit van 2 juli 2024 in stand, voor zover daarbij dwangsommen zijn ingevorderd wegens overtreding van lastonderdeel 5;
gelast het college om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen opnieuw binnen zes maanden na verzending van deze uitspraak op de bezwaren van Groen Gas Goor en van [eisers] te beslissen;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 365 aan Groen Gas Goor te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van Groen Gas Goor tot een bedrag van
€ 1.868;
draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184 aan [eisers] te vergoeden;
veroordeelt het college in de proceskosten van [eisers] tot een bedrag van € 4.731,87.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzitter, en mr. A.P.W. Esmeijer en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op .
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.