Uitspraak
200809119/1/H1, waarin de Afdeling volgens het college heeft overwogen dat een rijhal onlosmakelijk is verbonden met de bedrijfsvoering van een paardenfokkerij. De rechtbank heeft daarom miskend dat het bedrijf van [belanghebbende] op korte termijn naar de nieuwe locatie elders op het perceel verplaatst zal worden, waarmee de strijdigheden met het bestemmingsplan op de huidige locatie zullen zijn beëindigd, aldus het college.
200907117/2/M2, op het standpunt gesteld dat een begunstigingstermijn van drie maanden redelijk is, omdat het [belanghebbende] de gelegenheid wil bieden een ander onderkomen te vinden voor de gestalde paarden. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt van het college niet redelijk te achten.
200708557/1, namelijk dat op een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór 1 juli 2008 ter inzage is gelegd, de WRO van toepassing blijft.
201010199/1/M2, waarin is overwogen dat in gevallen waarin het bestuursorgaan redelijk te achten beleid voert, bijvoorbeeld inhoudend dat het bestuursorgaan de overtreder in bepaalde gevallen eerst waarschuwt en gelegenheid biedt tot herstel voordat het een handhavingsbesluit voorbereidt, het zich in beginsel aan dit beleid dient te houden.
201202290/1/A1), wordt overwogen dat aan het belang van de invordering van een verbeurde dwangsom een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het college heeft geen gronden aangevoerd die als bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld kunnen worden aangemerkt.
200707260/1, dat de begunstigingstermijn moet samenhangen met de voor herstel benodigde periode en niet mag worden gekoppeld aan de termijn die nodig is voor legalisering van de situatie. Voorts is het volgens [wederpartij] in strijd met het systeem van de wet en met de rechtszekerheid, een aan een last onder dwangsom verbonden begunstigingstermijn te verlengen ruimschoots nadat de oorspronkelijke begunstigingstermijn is verstreken.