ECLI:NL:RBOVE:2026:1610

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/08/330380 / HA ZA 25-91
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:201 BWArt. 7A:1777 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Overijssel oordeelt dat gebruik woning kwalificeert als bruikleen en wijst ontruimingsvordering toe

De curator van Megahome.nl Grond B.V., failliet verklaard, vordert ontruiming van een woning die door [partij B] wordt gebruikt. Partijen verschillen over de kwalificatie van de overeenkomst: de curator stelt dat sprake is van bruikleen, terwijl [partij B] een huurovereenkomst aanvoert met huurbescherming.

De rechtbank onderzoekt de inhoud van de overeenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf en concludeert dat het gebruik tijdelijk en kosteloos was, waarbij [partij B] slechts gebruikerskosten droeg. Dit leidt tot de kwalificatie als bruikleen, waardoor huurbescherming niet van toepassing is.

De curator heeft de gebruiksovereenkomst rechtsgeldig opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar. De rechtbank acht de gevorderde ontruimingstermijn van 14 dagen onredelijk kort en stelt deze vast op 1 september 2026, gelet op belangenafweging en noodzakelijke natuurwerkzaamheden.

De vorderingen van de curator worden toegewezen, terwijl de reconventionele vordering van [partij B] tot nakoming van een huurovereenkomst wordt afgewezen. [partij B] wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank kwalificeert de overeenkomst als bruikleen, wijst de ontruimingsvordering toe en stelt de ontruimingstermijn vast op 1 september 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/330380 / HA ZA 25-91
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
MR. JETSE MICHIEL ERINGA,in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap
MEGAHOME.NL GROND B.V.,
te Enschede,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. M.T. Nooijen,
tegen
[partij B],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. N.E. Koelemaij.

1.De zaak in het kort

1.1.
Partijen verschillen van mening over de aard van de overeenkomst die [partij B] in 2003 met (de rechtsvoorganger van) Megahome.nl Grond B.V. (hierna: Megahome) heeft gesloten met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning aan de [adres] . Volgens de curator kwalificeert deze overeenkomst als een bruikleenovereenkomst die rechtsgeldig is opgezegd, terwijl [partij B] meent dat sprake is van een huurovereenkomst die zonder rechtsgrond is beëindigd. De rechtbank volgt de curator in zijn standpunt. Dit betekent dat de (primaire) nakomings- c.q. ontruimingsvordering toewijsbaar is, waarbij de ontruimingstermijn zal worden bepaald op 1 september 2026.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 9 juli 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte wijziging van eis;
- de brief van de curator van 30 januari 2026 met producties 25 en 26;
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, ter gelegenheid waarvan de curator spreekaantekeningen heeft overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Op 18 december 2003 heeft onder andere [partij B] met de gemeente [gemeente 1] een koopovereenkomst gesloten uit hoofde waarvan [partij B] en anderen “
de registergoederen, bestaande uit het vrijstaande woonhuis, met schuren, met ondergrond, bijbehorend erf en tuin, staande en gelegen aan de [adres] , en omliggende cultuurgronden, welke percelen kadastraal bekend zijn als gemeente [gemeente 2] , sectie [sectie] , nummers [nummers] , gezamenlijk ter grootte van 3.32.90 hectare” (hierna: de Onroerende Zaken) aan de gemeente [gemeente 1] hebben verkocht tegen een koopprijs van in totaal € 878.000,00. Artikel 9 van Pro deze koopovereenkomst luidt als volgt:
“1. De feitelijke levering van de woning [adres] vindt plaats op uiterlijk 31 december 2008, of zoveel eerder als partijen nader overeen zullen komen.
2. Verkoper behoudt dit voortgezet gebruik [1] uitsluitend ten behoeve van zichzelf. Indien zij het voortgezet gebruik eerder wenst te beëindigen dan de in lid 1 genoemde datum, zal zij dit vier weken van tevoren schriftelijk aan de gemeente kenbaar maken. Voor dit gebruik is zij geen vergoeding verschuldigd.
3. (…).
4. Bij beëindiging van het gebruik moet verkoper het geheel veegschoon en ontruimd, vrij van rechten van derden en naar genoegen van de gemeente afleveren.
5. Alle kosten, welke zijn verbonden aan het voortgezet gebruik van het object, zijn voor rekening van verkoper, waaronder zijn begrepen de kosten van gas, water en elektriciteit.
6. (…).”
Voorts bepaalt artikel 10 van Pro de koopovereenkomst dat [partij B] tot 31 december 2008 het recht heeft op de koop van een kavel in het te ontwikkelen gebied “ [locatie] ”, waarvan ook de Onroerende Zaken deel uitmaken. Van deze koopoptie heeft [partij B] geen gebruik gemaakt.
3.2.
Op 29 januari 2004 zijn de Onroerende Zaken aan de gemeente [gemeente 1] (juridisch) geleverd.
3.3.
Op 24 december 2007 heeft de gemeente [gemeente 1] de Onroerende Zaken verkocht en (juridisch) geleverd aan Mega Projecten B.V. (de rechtsvoorganger van Megahome) Artikel 2 lid 3 van Pro de leveringsakte luidt als volgt:
“Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, geheel ontruimd, vrij van huur of pacht of ander gebruiksrecht, met uitzondering van gemeld perceel nummer [nummer 1][thans [nummer 2] , toevoeging rechtbank]
ten aanzien waarvan een voortgezet gebruik bestaat tot eenendertig december tweeduizend acht. Het voortgezet gebruik van verkoper als zorgvuldig schuldenaar na het tot stand komen van de koopovereenkomst tot aan het tijdstip van aflevering wordt geacht geen wijziging te hebben gebracht in de staat van het verkochte.”
3.4.
Bij brief van 28 augustus 2008 schreef Mega Projecten B.V. het volgende aan [partij B] :
“Hierbij bevestigen wij u dat u de woning gelegen aan de [adres] mag blijven gebruiken tot 31 december 2009 onder de volgende voorwaarden:
- de kosten m.b.t. [adres] zoals gas, water, licht en OZB gebruikersgedeelte en waterschapslasten ed. komen voor uw rekening totdat het gebruik eindigt;
- U heeft en houdt de woning verzekerd tegen herbouwwaarde gedurende het voortdurend gebruik;
- het gebruik eindigt in ieder geval niet voor 31 december 2009. Dit gebruik zal telkens verlengd worden met 1 jaar. Indien Mega Projecten B.V. (hierna: Mega) de gronden zal gaan gebruiken, zal Mega dit 12 maanden voor het gebruik eindigt schriftelijk aangeven bij de gebruiker;
- indien toegang tot het perceel nodig is voor het aanbrengen van voorzieningen voor bijvoorbeeld nuts dan zal de gebruiker de toegang en de aangebrachte voorzieningen toe moeten staan en gedogen.”
3.5.
Bij brief van 6 oktober 2011 heeft Megahome aan [partij B] bevestigd dat hij de woning onder dezelfde voorwaarden mag blijven gebruiken tot 31 december 2012.
3.6.
Bij vonnis van 20 juli 2016, hersteld op 13 september 2016, heeft deze rechtbank Megahome in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. J. van der Hel als curator, die als zodanig is opgevolgd door mr. J.M. Eringa.
3.7.
Bij e-mail van 5 november 2018 heeft [partij B] bij de curator geïnformeerd naar de status van (de gronden in) het bestemmingsplan “ [locatie] ”.
3.8.
Op onder meer 6 oktober 2022 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen de curator, [partij B] (destijds bijgestaan door zijn adviseur [naam] ) en de gemeente. Tijdens dit gesprek heeft de gemeente kenbaar gemaakt dat zij het gebied “ [locatie] ” wenst te ontwikkelen, waarvoor (terug)koop van de Onroerende Zaken nodig is, en dat [partij B] daarom moet vertrekken.
3.9.
Bij brief van 20 december 2022 heeft de curator het gebruiksrecht van de woning opgezegd tegen 1 juli 2023. Bij e-mail van 18 april 2023 heeft de curator deze termijn verlengd tot 1 oktober 2023.
3.10.
Bij e-mail van 10 december 2024 heeft de curator de gebruiksovereenkomst (nogmaals) opgezegd tegen 10 december 2025.
3.11.
[partij B] heeft hieraan geen gevolg gegeven.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
De curator vordert – na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
( i) [partij B] zal veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de bruikleenovereenkomst na te komen door de Onroerende Zaken ex artikel 7A:1777 BW aan de curator geheel ontruimd terug te geven c.q. op te leveren en ontruimd te houden met alle daarin of daarop aanwezige personen en zaken en deze aan de curator ter vrije en algehele beschikking te stellen;
(ii) de curator zal machtigen om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen met behulp van inschakeling van een gerechtsdeurwaarder, als [partij B] nalaat aan het onder (i) gevorderde te voldoen, zulks op kosten van [partij B] ;
Subsidiair:
(iii) [partij B] zal veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de Onroerende Zaken volledig te ontruimen en ontruimd te houden met alle daarin of daarop aanwezige personen en zaken en deze aan de curator ter vrije en algehele beschikking te stellen;
(iv) de curator zal machtigen om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen met behulp van inschakeling van een gerechtsdeurwaarder, als [partij B] nalaat aan het onder (iii) gevorderde te voldoen, zulks op kosten van [partij B] ;
In alle gevallen:
( v) [partij B] zal veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Aan zijn (gewijzigde) vorderingen legt de curator, samengevat, ten grondslag dat [partij B] in ieder geval vanaf 10 december 2025 zonder recht of titel de woning bewoont en gebruikt. Volgens de curator maakt [partij B] daarmee inbreuk op het eigendomsrecht van (de boedel van) Megahome, zodat hij recht en belang heeft bij een onverwijlde beëindiging van die onrechtmatigheid.
4.3.
[partij B] voert primair als verweer dat hij de woning bewoont krachtens huur als bedoeld in artikel 7:201 lid 1 BW Pro en dat hij daarom huurbescherming geniet. Subsidiair betoogt [partij B] dat de gebruiksovereenkomst nog gewoon doorloopt, omdat de curator deze niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Meer subsidiair stelt [partij B] dat de ontruimingstermijn te kort is.
[partij B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.
in reconventie
4.5.
[partij B] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de curator zal veroordelen tot nakoming van de tussen de eigenaar van de grond waarop de woning gelegen is (als verhuurder) en [partij B] (als huurder) bestaande huurovereenkomst ter zake deze woning met toebehoren, met veroordeling van de curator in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.6.
De curator voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] , met veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.
4.7.
Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna ingaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van het geschil.

5.De beoordeling

in conventie
5.1.
Tussen partijen is niet meer in geschil dat (de boedel van) Megahome eigenaar is van de Onroerende Zaken.
Huur of bruikleen?
5.2.
Partijen verschillen van mening over de vraag of het voortgezet gebruik van de woning ten behoeve van [partij B] als huur of bruikleen moet worden aangemerkt.
5.3.
Allereerst merkt de rechtbank op dat het oordeel in het door [partij B] opgeworpen bevoegdheids- c.q. verwijzingsincident een voorlopig oordeel is dat de rechter in de hoofdzaak niet bindt. [2] Anders dan de curator betoogt, is van een bindende eindbeslissing in dat incident dus geen sprake.
5.4.
Artikel 7:201 lid 1 BW Pro omschrijft huur als de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.
Artikel 7A:1777 BW omschrijft bruikleen als de overeenkomst waarbij de ene partij aan de andere een zaak om niet in gebruik geeft, onder de voorwaarde dat degene die de zaak ontvangt, deze, na daarvan gebruik te hebben gemaakt, of na een bepaalde tijd, zal teruggeven.
5.5.
Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een huurovereenkomst moet worden aangemerkt, moet eerst door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Nadat aldus de inhoud van de overeenkomst – dat wil zeggen de wederzijdse rechten en verplichtingen – is vastgesteld (uitleg), moet worden beoordeeld of die overeenkomst is aan te merken als een huurovereenkomst (kwalificatie). Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de huurovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de huurovereenkomst te laten vallen. Bevat de overeenkomst elementen op grond waarvan op zichzelf aan de wettelijke omschrijving van huur is voldaan, dan is het mogelijk dat de overeenkomst in de gegeven omstandigheden, gelet op haar inhoud en strekking, in haar geheel beschouwd toch niet als huurovereenkomst moet worden aangemerkt. Bij de beoordeling of deze uitzondering zich voordoet is mede van belang voor welke situatie partijen een regeling hebben willen treffen en of een kwalificatie anders dan als huurovereenkomst zich in die situatie verdraagt met het dwingendrechtelijke beschermingsregime voor huurovereenkomsten met betrekking tot woonruimte. [3]
5.6.
[partij B] stelt dat hij met (de rechtsvoorganger van) Megahome heeft afgesproken dat hij de woning mag gebruiken waarbij het gebruikersdeel van de OZB- en waterschapslasten voor zijn rekening komt en dat hij de woning zal verzekeren tegen herbouwwaarde waarvan hij de premies zal betalen. Volgens [partij B] zijn dit verplichtingen die als (bepaalbare en wezenlijke) tegenprestatie in de zin van artikel 7:201 lid 1 BW Pro zijn aan te merken. Ook de omstandigheid dat het gebruik niet op elk gewenst moment kan worden beëindigd, is volgens [partij B] als zodanige tegenprestatie op te vatten. Dit maakt dat er sprake is van huur, aldus [partij B] .
5.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de inhoud van de overeenkomst en de standpunten van partijen kan worden afgeleid dat partijen, ten tijde van het aangaan van die overeenkomst en na de verkoop door [partij B] , een voortgezet gebruik van de woning voor ogen heeft gestaan in afwachting van concrete plannen van Megahome om de grond zelf te gebruiken. In de overeenkomst wordt dit tot uitdrukking gebracht door de woorden: (…)
“dat u de woning (…) mag blijven gebruiken tot (…).”Uit de tekst wordt duidelijk dat dit gebruik door [partij B] tijdelijk en eindig was. Dit wordt door [partij B] ook niet betwist. Vast staat dat [partij B] voor het gebruik geen maandelijks bedrag aan Megahome hoefde te betalen en dat [partij B] de kosten voor gas, water, licht en het gebruikersdeel OZB en waterschapslasten voor zijn rekening heeft genomen. De vraag ligt voor of met het betalen van het gebruikersdeel OZB- en waterschapslasten en het verzekeren van de woning tegen herbouwwaarde een tegenprestatie voor het gebruik is overeengekomen, zoals door [partij B] is betoogd en door de curator is betwist.
5.8.
De rechtbank oordeelt dat betaling van het gebruikersdeel van de OZB- en waterschapslasten niet als tegenprestatie als bedoeld in artikel 7:201 lid 1 BW Pro kan worden aangemerkt. De curator heeft terecht aangevoerd dat dit enkel kosten betreffen die verband houden met de bewoning van de woning. Daarnaast zijn dit kosten die [partij B] niet aan Megahome heeft betaald en evenmin aan de curator. Ditzelfde geldt voor de betaling van de verzekeringspremies voor de opstalverzekering. [partij B] draagt deze rechtstreeks af aan de opstalverzekeraar. Bovendien heeft de curator onweersproken gesteld dat bij leegstand van de woning geen opstalverzekering zou zijn afgesloten, dat daartoe ook geen wettelijke verplichting bestaat en dat de kosten die [partij B] heeft gemaakt voor een opstalverzekering in dit geval bij uitstek slechts gebruikerskosten en geen eigenaarslasten zijn. De rechtbank volgt de curator hierin. Tot slot was, anders dan [partij B] stelt, tussentijdse opzegging van de gebruiksovereenkomst – die telkens werd verlengd – door [partij B] op grond van de koopovereenkomst van 18 december 2003 en de leveringsakte van 29 januari 2004 wel mogelijk. Voor zover [partij B] betoogt dat deze mogelijkheid vanaf de eerste verlenging van het gebruiksrecht niet meer bestaat, volgt dat niet uit de brieven van 28 augustus 2008 en 6 oktober 2011. [4]
5.9.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de rechtsverhouding tussen partijen als bruikleen moet worden gekwalificeerd uit hoofde waarvan [partij B] geen huurbescherming geniet.
Rechtsgeldige opzegging?
5.10.
[partij B] betwist (subsidiair) dat de gebruiksovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd. Hij verwijst daarbij naar de zinsnede in de overeenkomst: “
Indien Mega Projecten B.V. (hierna: Mega) de gronden zal gaan gebruiken, zal Mega dit 12 maanden voor het gebruik eindigt schriftelijk aangeven bij de gebruiker”.Daarbij voert [partij B] aan dat de curator niet heeft aangetoond dat de Onroerende Zaken na ommekomst van de opzegtermijn van een jaar zullen worden gebruikt. Volgens [partij B] is de planologische invulling van het gebied “ [locatie] ” en het daarbij behorende tijdspad nog steeds ongewis. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor beëindiging van de gebruiksovereenkomst, aldus [partij B] .
5.11.
De rechtbank oordeelt dat de curator de gebruiksovereenkomst in ieder geval bij
e-mail van 10 december 2024 rechtsgeldig heeft opgezegd tegen de datum van 10 december 2025. In de brieven van 28 augustus 2008 en 6 oktober 2011 is als één van de voorwaarden aan de verlenging van het voortgezet gebruik van de woning verbonden dat, als Mega Projecten B.V./Megahome de gronden zal gaan gebruiken, zij dit 12 maanden voor het gebruik eindigt schriftelijk zal aangeven bij [partij B] . Dat de opzegging volgens [partij B] alleen vóór 31 december van een jaar kan worden opgezegd tegen (op zijn vroegst) 31 december van het daaropvolgende jaar, getuigt van een verkeerde lezing van de hiervoor genoemde voorwaarde. Deze voorwaarde betekent niets anders dan dat de curator op ieder moment de gebruiksovereenkomst kan opzeggen, mits hij daarbij een termijn van een jaar in acht neemt. Anders dan [partij B] betoogt, is voor opzegging ook niet noodzakelijk dat (de boedel van) Megahome de Onroerende Zaken feitelijk zelf zal gebruiken. Een redelijke uitleg van de hiervoor bedoelde voorwaarde brengt mee dat onder de zinssnede “zal gaan gebruiken” mede moet worden verstaan het verkopen van de Onroerende Zaken ten behoeve van verdere ontwikkeling aan derden (in dit geval de gemeente). De curator heeft terecht aangevoerd dat de Onroerende Zaken juist en bij uitstek gebruikt zullen worden in het kader van één van de kernactiviteiten van Megahome als projectontwikkelaar. Daarnaast heeft hij er op gewezen dat hij – los van het voorgaande – de wettelijke taak heeft de grondportefeuille van Megahome ter afwikkeling van haar faillissement te gelde te maken en dat de boedel de Onroerende Zaken ook op die grond zal gaan gebruiken voor verkoop. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de curator in zijn standpunt dat het hem vrijstond om de gebruiksovereenkomst op te zeggen. Het subsidiaire verweer van [partij B] faalt dus.
Onredelijke ontruimingstermijn?
5.12.
[partij B] stelt (meer subsidiair) dat de gevorderde ontruimingstermijn van 14 dagen extreem kort is. Daartoe voert [partij B] onder meer aan dat er geen aanwijzingen zijn dat een nieuw bestemmingsplan voor het gebied “ [locatie] ” op korte termijn definitief vastgesteld, laat staan gerealiseerd, zal worden. Verder wijst [partij B] erop dat hij op dit moment geen alternatieve huisvesting heeft. Hij is alleen en meent tenminste een jaar nodig te hebben.
5.13.
De curator heeft ter zitting toegelicht dat een langere ontruimingstermijn tot forse problemen leidt. Volgens de curator is voor het ontwikkelings- en realisatieplan het noodzakelijk dat de nodige bomen worden gekapt en dat de natuur zogenaamd onklaar wordt gemaakt. De curator stelt dat deze werkzaamheden op grond van geldende soortenbeschermingsregels en de algemene zorgplicht enkel en alleen in de maand oktober kunnen worden uitgevoerd. Dit betekent dat de werkzaamheden zodanig moeten worden gepland en uitgevoerd dat verstoring van dieren en aantasting van voortplantings- en rustplaatsen wordt voorkomen. In dat verband is het onder meer nodig dat de woning ten behoeve van vleermuizen wordt geperforeerd. De curator concludeert dat de ontruiming uiterlijk in september 2026 dient plaats te vinden.
5.14.
Nu [partij B] deze toelichting van de curator onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken, acht de rechtbank – na afweging van de wederzijdse belangen van partijen – een termijn tot 1 september 2026 redelijk. Aan het belang van de curator bij ontruiming van de woning dient een zwaarder gewicht te worden toegekend dan aan het belang van [partij B] bij voortzetting van het gebruik van de woning. Daarbij is doorslaggevend dat [partij B] de woning al sinds begin 2004 – dus inmiddels 22 jaar – kosteloos bewoont en gebruikt en dat hij dit vanaf (in ieder geval) 10 december 2025 zonder recht of titel doet, terwijl de feitelijke levering van de woning oorspronkelijk was voorzien op uiterlijk 31 december 2008.
Conclusie
5.15.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het primair gevorderde voor toewijzing in aanmerking komt. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op 1 september 2026.
Proceskosten
5.16.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
Totaal
1.757,21
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.18.
Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de vordering van [partij B] tot nakoming van de huurovereenkomst moet worden afgewezen.
Proceskosten
5.19.
[partij B] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op € 653,00 aan salaris advocaat (2 punten x factor 0,5 x € 653,00).
in conventie en reconventie
5.20.
[partij B] moet ook de nakosten van de curator betalen. Dat komt neer op een bedrag van € 296,00 in conventie en reconventie samen.

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [partij B] om uiterlijk 1 september 2026 de bruikleenovereenkomst na te komen door de woning ex artikel 7A:1777 BW aan de curator geheel ontruimd terug te geven c.q. op te leveren en ontruimd te houden met alle daarin of daarop aanwezige personen en zaken en deze aan de curator ter vrije en algehele beschikking te stellen;
6.2.
machtigt de curator om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen met behulp van inschakeling van een gerechtsdeurwaarder, als [partij B] nalaat aan de veroordeling onder 6.1 te voldoen, zulks op kosten van [partij B] ;
6.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.757,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
6.4.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
in reconventie
6.5.
wijst de vordering van [partij B] af;
6.6.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in conventie en reconventie
6.7.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de nakosten van € 296,00, te vermeerderen met
€ 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.8.
verklaart dit vonnis – met uitzondering van 6.5 – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026. (PvdS)

Voetnoten

1.Het voortgezet gebruik ziet concreet op de woning met tuin en enig grasland, hierna tezamen aangeduid als “de woning”.
2.HR 30 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0853.
3.HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:167.
4.Zie rov. 3.4 en 3.5.