ECLI:NL:RBOVE:2026:1518

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/08/345799 / KG RK 26-137
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 2 Wrakingsprotocol
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na uitspraak in ondertoezichtstellingsprocedure

In deze zaak heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Overijssel op 19 maart 2026 een wrakingsverzoek behandeld dat was gericht tegen mr. H.T. Pos, kinderrechter belast met een ondertoezichtstellingsprocedure. De verzoekster diende het wrakingsverzoek in op 5 maart 2026, nadat mr. Pos op 4 maart 2026 mondeling uitspraak had gedaan in de hoofdzaak.

De wrakingskamer overwoog dat een wrakingsverzoek in beginsel in elke fase van de procedure kan worden ingediend, maar dat het verzoek wel moet worden ingediend vóór het wijzen van een einduitspraak. Omdat de mondelinge uitspraak op 4 maart 2026 was gedaan, was het wrakingsverzoek te laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk.

De wrakingskamer besloot het verzoek zonder inhoudelijke behandeling af te wijzen en wees erop dat het feit dat de uitspraak op 6 maart 2026 schriftelijk werd vastgelegd, hieraan niets afdeed. De beslissing werd genomen door drie rechters en in het openbaar uitgesproken. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het na de mondelinge einduitspraak is ingediend.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/345799 / KG RK 26-137
Beslissing van 19 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekster tot wraking,
advocaat mr. J.J. Bronsveld.

1.De procedure

1.1.
Bij mondelinge beschikking van 4 maart 2026 heeft mr. H.T. Pos, kinderrechter in deze rechtbank, belast met de behandeling van het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, geregistreerd onder zaaknummer C/08/344914 / JE RK 26-234, de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 maart 2026 onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel. Deze beschikking is op 6 maart 2026 op schrift gesteld.
1.2.
Op 5 maart 2026 heeft mr. Bronsveld namens verzoekster het verzoek tot wraking gedaan van mr. H.T. Pos.
1.3.
De wrakingskamer heeft voorts kennisgenomen van de op 10 maart 2026 binnengekomen brief namens verzoekster.
1.4.
De wrakingskamer doet het wrakingsverzoek zonder behandeling ter zitting af.

2.De beoordeling

2.1.
De wrakingskamer zal verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek en overweegt daartoe als volgt.
2.2.
Wraking is een verzoek om een voor de behandeling van de zaak aangewezen rechter te doen vervangen door een andere rechter vanwege partijdigheid of de daartoe gewekte indruk. Een verzoek tot wraking kan in beginsel in elke stand van de procedure worden gedaan. Een wrakingsverzoek moet echter wel worden ingediend vóórdat de behandeling van de zaak door het wijzen van een einduitspraak is geëindigd (Hoge Raad 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977). De wrakingskamer kan het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan.
2.3.
Tijdens de zitting op 4 maart 2026 heeft mr. Pos, nadat hij de mondelinge behandeling in de eerder genoemde ondertoezichtstellingsprocedure had gesloten, mondeling uitspraak gedaan. Omdat het wrakingsverzoek op 5 maart 2026 is binnengekomen en dus is ingediend nadat uitspraak is gedaan, zal verzoekster reeds om deze reden niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek op grond van artikel 5 lid 2 aanhef Pro en onder d van het Wrakingsprotocol. Aan een mondelinge en inhoudelijke behandeling van het verzoek komt de wrakingskamer daarom niet toe. Dat die uitspraak van 4 maart 2026 op 6 maart 2026 met de overwegingen waarop zij is gegrond op schrift is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel.

3.De beslissing

De wrakingskamer
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mrs. U. van Houten, H. Manuel en C. Verdoold in tegenwoordigheid van de griffier M.T. Hovius-Huisman en in openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.