Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de dagvaarding (producties 1 t/m 5);
- de conclusie van antwoord (producties 1 t/m 9);
- het bericht van 15 januari 2026 met een aanvullende productie (productie 10) van [gedaagden] ;
- de akte wijziging/aanvulling van eis van 22 januari 2026.
2.De beoordeling
primair: [gedaagden] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis:
.
Erfdienstbaarheden en bepalingen
te komenen
te gaan over het pad zich bevindende achter het perceel [adres 2].
Deze erfdienstbaarheid wordt gevestigd voor de periode gedurende welke de eigenaar van het perceel [adres 3]gedoogd dat er gebruik gemaakt wordt van zijn uitweg naar de [adres 3] door de eigenaren casu quo bewoners van de [adres 1] en[adres 2]
.”
“deze erfdienstbaarheid wordt gevestigd voor de periode gedurende welke de eigenaar van het perceel [adres 3]gedoogd dat er gebruik gemaakt wordt van zijn uitweg naar de [adres 3] .”. Voor de vaststelling of het recht nog bestaat is van belang dat duidelijk is wat precies is afgesproken over hoe het recht van overpad mocht worden uitgeoefend. Als namelijk het feitelijk niet meer mogelijk is om het recht uit te oefenen doordat de eigenaar van [adres 3] zijn perceel heeft bebouwd, dan is de discussie niet dat daaruit moet worden begrepen dat de eigenaar van [adres 3] is opgehouden met het gedogen van het recht van overpad en dat recht daarmee is komen te vervallen.
(figuur 1)en nog steeds zo bestaat omdat niet is gebleken dat na vestiging van het recht van overpad een eigenaar van [adres 3] een daad heeft verricht waaruit blijkt dat deze het recht van overpad niet meer gedoogt. Volgens [eiser] kan namelijk nog steeds via de door haar geschetste route, door het gebruik van de poort tussen de twee tuinen
(figuur 2), naar de openbare weg worden gelopen. [gedaagden] is het niet eens met de uitleg van [eiser] . Zijn uitleg
(figuur 3)is volgens hem gebaseerd op de letterlijke woorden van de bepaling. Die uitleg betekent volgens [gedaagden] dat het recht van overpad niet meer kan worden uitgeoefend omdat door nieuwe bebouwing op het perceel van [adres 3] het feitelijk niet meer mogelijk is om via een pad achterlangs het perceel van [adres 2] naar de oprit van [adres 3] te lopen. Daarmee is het recht volgens hem dus geëindigd.
“een erfdienstbaarheid van voetpad, uit te oefenen op de thans bestaande wijze, zulksom
te komenen
te gaan over het pad zich bevindende achter het perceel [adres 2] .”Welke uitleg moet hieraan worden gegeven? Bij de beantwoording daarvan geldt dat dit moet worden gedaan aan de hand van de Haviltex-maatstaf. [7] Die Haviltex-maatstaf houdt in dat bij de beantwoording van de vraag wat partijen hebben afgesproken niet alleen naar de taalkundige uitleg moet worden gekeken, maar ook naar wat partijen redelijkerwijs van elkaar mochten begrijpen en verwachten. Daarbij zijn van belang de feiten en de omstandigheden waaronder de afspraken tot stand zijn gekomen.
(figuur 4). Verder hebben partijen geen documentatie overgelegd waaruit duidelijk wordt hoe de situatie ter plaatste was op 31 oktober 1990. Ook de huidige situatie, die tijdens de plaatsopneming is waargenomen, kan nauwelijks invullen wat de oorspronkelijke partijen hebben bedoeld met de bepaling. Onweersproken staat namelijk vast dat de huidige situatie zoals die is waargenomen een andere is dan die op het moment dat het recht van overpad werd gevestigd. [Afbeelding] [Afbeelding]
(figuur 4)bij de levering van [adres 1] op 31 oktober 1990 met een luchtfoto uit 2015
(figuur 5), dat achter op het perceel van [adres 3] tegen de erfgrens bebouwing is geplaatst. Overigens is tijdens de plaatsopneming wel betegeling gezien aan de achterkant van het perceel van [adres 2] en [adres 3]
(figuur 6),maar het is niet duidelijk of dat deze betegeling het pad was zoals genoemd in de bepaling.
figuur 2)en evenmin over een pad dat dwars over/in het midden van het perceel loopt, daar waar op dit moment de poort is geplaatst. [eiser] heeft nog toegelicht dat destijds op de plek van de poort een tuinhekje stond en dat dit tuinhekje is vervangen voor de poort. Alleen over een tuinhekje wordt in de bepaling ook niet gesproken. Verder onderbouwt het gegeven dat sprake is van een (afsluitbare) doorgang in de vorm van een tuinhekje/poort op de erfgrens tussen [adres 2] en [adres 3] op zichzelf niet de uitleg van [eiser] . Het is namelijk niet duidelijk met welke reden die doorgang destijds is geplaatst. Vanwege het ontbreken van een onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat het recht van overpad destijds mocht worden uitgeoefend zoals is uitgelegd door [eiser] .
in 2018/2019”. Vanaf dat moment werd volgens [eiser] door een vorige eigenaar van [adres 2] , de heer [naam 3] , het feitelijk gebruikmaken van de poort onmogelijk gemaakt door het vervangen van het slot van de poort en het barricaderen van de poort met spullen. [eiser] laat in het midden of haar bezit van het overpad te goeder trouw was.