De zaak betreft een vrachtwagenchauffeur uit Tadzjikistan die op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam is voor een Litouws transportbedrijf. De werknemer stelt een loonvordering te hebben en parkeert op 6 februari 2026 de vrachtwagen langs een Nederlandse snelweg, waarna hij in de cabine verblijft en zich beroept op een retentierecht.
De werkgever start een kort geding om ontruiming van het voertuig te vorderen, terwijl de werknemer een tegenvordering instelt voor achterstallig loon en daggeldvergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer terecht een retentierecht inroept, omdat vaststaat dat hij een opeisbare loonvordering heeft en aan de voorwaarden voor retentierecht is voldaan.
De rechter stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is op de vordering in conventie, terwijl voor de loonvordering in reconventie Nederlands recht is gekozen en Litouws arbeidsrecht bescherming biedt. De loonvordering wordt toegewezen op basis van 1348 gewerkte uren tegen een bruto uurloon van €14,48, inclusief een toeslag op grond van de Detacheringsrichtlijn.
Daarnaast wordt een daggeldvergoeding van €61 per dag voor 214 dagen toegekend. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het netto equivalent van het bruto loon en daggeld, verminderd met reeds betaalde bedragen. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen en de werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.