ECLI:NL:RBOVE:2026:124

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
ak_24_2154
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen onroerendezaakbelasting voor woonzorgcomplex in aanbouw

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Overijssel het beroep van Stichting Interakt Contour Groep tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 februari 2024. De heffingsambtenaar had de waarde van de onroerende zaak, een woonzorgcomplex in aanbouw, vastgesteld op € 3.730.000,- en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd voor het jaar 2023. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar van belanghebbende ongegrond, maar erkende in beroep dat ten minste 70% van de waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan gedeelten die tot woning dienen of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte is uitgegaan van het OZB-tarief voor een niet-woning. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat de aanslag naar het tarief van een woning wordt verlaagd. Tevens moet de heffingsambtenaar het griffierecht en de proceskosten aan belanghebbende vergoeden. De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 1.565,50.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2154

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in de zaak tussen

Stichting Interakt Contour Groep, gevestigd te Nunspeet, belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de heffingsambtenaar van het GBLT.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 1 februari 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) op 1 januari 2023 (de toestandspeildatum) vastgesteld op € 3.730.000,- (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Zwolle voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft op 1 februari 2024 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 ter zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar, mr. K.M.H. de Boer. Belanghebbendes gemachtigde heeft zich afgemeld.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betrof op toestandspeildatum een woon-zorgcomplex in aanbouw. Het woon-zorgcomplex bestaat uit 105 appartementen van circa 50 m2. Het complex bestaat verder uit gemeenschappelijke woonkamers en keukens en begeleidingsruimtes.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag terecht is uitgegaan van het OZB-tarief voor een niet-woning in plaats van het OZB-tarief van een woning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak volgt dat woningen in aanbouw als woning gewaardeerd en belast moeten worden. De rechtbank overweegt verder dat in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat een onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet WOZ is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het komt er daarbij op aan of ten minste 70% van de waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan gedeelten daarvan die tot woning dienen of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Een deel van een onroerende zaak dat naar aard en inrichting bestemd en geschikt is om duurzaam voor bewoning te dienen en waarbij de woonfunctie overheersend is ten opzichte van andere functies, dient tot woning als bedoeld in artikel 220a, tweede lid, van de Gemeentewet, ongeacht of dat deel feitelijk duurzaam wordt bewoond. Voor delen van de onroerende zaak die naar de hiervoor gegeven maatstaf niet tot woning dienen, moet vervolgens worden beoordeeld of zij volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Daarvoor is beslissend of en in hoeverre deze delen feitelijk worden gebruikt ten behoeve van de delen die wel tot woning dienen. [1]
6. De heffingsambtenaar heeft in beroep erkend dat ten minste 70% van de waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan gedeelten daarvan die tot woning dienen of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
7. Er bestaat daarmee geen inhoudelijk geschil meer.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de heffingsambtenaar ten onrechte is uitgegaan van het OZB-tarief voor een niet-woning. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat de aanslag naar het tarief van een woning wordt verlaagd.
9. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend.
10. De rechtbank overweegt dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen een WOZ-beschikking van vóór 1 januari 2024. Gelet op het overgangsrecht betekent dit dat de in artikel 30a van de Wet WOZ bepaalde vermenigvuldigingsfactor voor de bezwaarfase niet van toepassing is. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend en de hoorzitting bijgewoond. De totale proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase bedraagt daarom € 1.332,-.
11. Omdat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar na 1 januari 2024 heeft gedaan, hanteert de rechtbank op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ voor de beroepsfase de vermenigvuldigingsfactor 0,25. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase, zonder zitting, bedraagt 0,25 x € 934,- = € 233,50.
12. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de kosten, gemaakt voor een door een derde uitgevoerde taxatie van het object. Uit de stukken bekend bij de rechtbank blijkt niet dat een dergelijke taxatie heeft plaatsgevonden. De rechtbank kent daarom hiervoor geen proceskosten toe.
13. De proceskostenvergoeding bedraagt aldus in totaal € 1.565,50.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verlaagt de aanslag naar het tarief voor een woning;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 371,- aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.565,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken op
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:770.