ECLI:NL:RBOVE:2026:1235

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
12070247 \ CV EXPL 26-275
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 237 RvRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming en betaling huurachterstand na verstek in huurovereenkomst

Vechthorst, verhuurder van een woning, vordert ontruiming van de woning, betaling van een huurachterstand van twee maanden, betaling van de huur vanaf februari 2026 tot ontbinding van de huurovereenkomst, ontruimingskosten en proceskosten. De huurder verschijnt niet, waardoor verstek wordt verleend.

De kantonrechter stelt vast dat Vechthorst een spoedeisend belang heeft bij ontruiming en betaling van de huurachterstand. De vorderingen worden grotendeels toegewezen, behalve de ontruimingskosten die niet vooraf begroot kunnen worden. De betaling van huur vanaf februari 2026 wordt toegewezen, niet vanaf januari omdat die periode deels overlapt met de achterstallige huur.

Ambtshalve toetst de kantonrechter het incassokostenbeding in de algemene huurvoorwaarden aan de Europese Richtlijn oneerlijke bedingen. Dit beding wordt als oneerlijk beoordeeld en vernietigd, waardoor de vordering tot incassokosten wordt afgewezen. Het proceskostenbeding wordt ondanks onduidelijkheid over de rechtmatigheid voorlopig wel toegepast, en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

De kantonrechter veroordeelt de huurder tot ontruiming binnen vijf dagen, betaling van de huurachterstand en huur vanaf februari 2026, en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming, betaling van huurachterstand en huur vanaf februari 2026, en proceskosten, met vernietiging van het incassokostenbeding.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12070247 \ CV EXPL 26-275
Vonnis in kort geding van 4 maart 2026
in de zaak van
de stichting
WOONSTICHTING VECHTHORST,
gevestigd in Nieuwleusen,
eisende partij,
hierna te noemen: Vechthorst,
gemachtigde: mr. A.M. Takkenberg,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.Waar deze zaak over gaat

[gedaagde] huurt een woning van Vechthorst. Volgens Vechthorst woont [gedaagde] al vanaf juli 2025 niet meer in de woning. Hierom vordert Vechthorst ontruiming, betaling van de huurachterstand van twee maanden en betaling van de ontruimingskosten. [gedaagde] verschijnt niet in de procedure, zodat de kantonrechter verstek verleent. De kantonrechter wijst de vorderingen gedeeltelijk toe.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de mondelinge behandeling van 18 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [gedaagde] niet is verschenen,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.

3.De beoordeling

3.1.
Vechthorst vordert (samengevat) ontruiming van de woning aan de [adres] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, betaling van de ontruimingskosten, betaling van de achterstallige huur over december 2025 en januari 2026 van € 1.513,34, betaling van de huur vanaf januari 2026 tot ontbinding van de huurovereenkomst, betaling van buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling in de proceskosten.
Vechthorst heeft een spoedeisend belang
3.2.
De vorderingen in kort geding kunnen alleen worden toegewezen als Vechthorst een spoedeisend belang heeft. Het spoedeisend belang volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit de aard van de ontruimingsvordering en de vordering tot betaling van de huurachterstand.
Beoordeling na verstek
3.3.
De bij dagvaarding voorgeschreven termijn en andere formaliteiten zijn in acht genomen.
3.4.
Vanwege het tegen [gedaagde] verleende verstek zullen de vorderingen worden toegewezen, tenzij de vorderingen de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomen. De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, met uitzondering van het hierna bepaalde.
3.5.
De gevorderde veroordeling in de kosten van de ontruiming voor het geval niet wordt voldaan aan de veroordeling tot ontruiming wordt afgewezen, omdat deze kosten niet vooraf begroot kunnen worden. Onduidelijk is of de kosten gemaakt moeten worden, waaruit de kosten precies bestaan en hoe hoog die kosten zullen zijn.
3.6.
Vechthorst vordert ook betaling van de huursom vanaf januari 2026 tot aan ontbinding van de huurovereenkomst. Aangezien Vechthorst eveneens betaling van achterstallig huur over de periode januari 2026 vordert, zal de kantonrechter betaling van de huursom vanaf 1 februari 2026 toewijzen.
Ambtshalve toetsing
3.7.
Op grond van de Europese Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG) moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of sprake is van bedingen in de overeenkomst en/of algemene voorwaarden die oneerlijk zijn voor de consument. Deze richtlijn is ook van toepassing op de rechtsverhouding tussen [gedaagde] en Vechthorst, omdat elke huurder wordt aangemerkt als consument en Vechthorst een professionele verhuurder is.
3.8.
De kantonrechter moet bij elk onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de huurovereenkomst of de algemene huurvoorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken oneerlijk zijn voor de huurder. Als de kantonrechter oordeelt dat een afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen. Dit geldt ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op de wettelijke bepalingen in plaats van op de betreffende afspraak.
3.9.
Vechthorst vordert buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. In artikel 17 van Pro de algemene huurvoorwaarden is hierover het volgende opgenomen:
Artikel 17. Het in verzuim zijn van huurder en verhuurder
17.1
Indien één der partijen in verzuim is met de nakoming van enige verplichting, welke ingevolge de wet en/of de huurovereenkomst op hem rust en daardoor door de andere partij gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen moeten worden genomen, zijn alle daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van die ene partij.
17.2
(…)
Daarnaast is de partij die in verzuim verkeert en die een natuurlijk persoon is, niet handelend in de uitvoering van beroep of bedrijf, een vergoeding verschuldigd voor de redelijke incassokosten, zulks met in acht neming van artikel 6:96, leden 2 tot en met 6 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de verschuldigde incassokosten wordt berekend conform artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, waarbij tenminste het aldaar opgenomen minimumbedrag van € 40,- verschuldigd zal zijn.”
De kantonrechter zal dit beding op grond van de Richtlijn 93/13/EEG ambtshalve toetsen.
3.10.
De kantonrechter is van oordeel dat het beding in artikel 17 van Pro de algemene huurvoorwaarden, wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, oneerlijk is. Het beding wordt daarom vernietigd. De kantonrechter zal hierna haar oordeel toelichten.
3.11.
Wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten oordeelt de kantonrechter als volgt. De huurder kan niet uit het beding begrijpen dat hij nog veertien dagen de tijd heeft om zonder extra kosten te betalen. Het beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim de incassokosten direct verschuldigd zijn. Hierdoor wijkt het beding voor de huurder ten nadele af van de wettelijke regeling over buitengerechtelijke incassokosten. Doordat sprake is van een oneerlijk incassokostenbeding kan niet worden teruggevallen op de wettelijke regeling. [1] De kantonrechter zal de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten afwijzen.
3.12.
Wat betreft de proceskosten oordeelt de kantonrechter als volgt. Met dit beding kan de verhuurder een beroep doen op vergoeding van de proceskosten, ook als de rechter geen oordeel geeft. Hierdoor wijkt het beding voor de huurder ten nadele af van de wettelijke regeling over proceskostenveroordeling.
3.13.
Er bestaat op dit moment echter onduidelijkheid of de rechter de in het ongelijk gestelde partij op grond van het nationale procesrecht mag veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 237 Rv Pro als het proceskostenbeding oneerlijk is. De Hoge Raad heeft hierover een prejudiciële vraag gesteld aan het Europese Hof van Justitie. [2] De kantonrechter is van oordeel dat tot die tijd gekozen moet worden voor proceskostenveroordeling op grond van het nationale recht, omdat de Richtlijn 93/13/EEG zich in principe niet verzet tegen toepassing van het buitencontractuele nationale recht in de plaats van een oneerlijk beding. Dit in tegenstelling tot het nationaal recht dat het evenwicht in de contractuele rechtsverhouding beoogt te regelen.
3.14.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vechthorst worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.013,02

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] (mochten) bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Vechthorst te stellen en ontruimd te houden,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Vechthorst een bedrag van € 1.513,34 aan achterstallige huur tot en met 31 januari 2026,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan Vechthorst de verschuldigde huursom vanaf 1 februari 2026 tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.013,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026. (hg)

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2021:68.