ECLI:NL:RBOVE:2026:1188

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_1609
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:92 AwbWet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in schadeverzoek wegens niet geleverde zorg en pgb-aanvraag

Eiser verzocht de rechtbank om schadevergoeding omdat Stichting Zorgkantoor Menzis tijdens de coronaperiode de zorgplicht op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) zou hebben geschonden, waardoor hij en zijn vrouw zelf voor hun zoon moesten zorgen. Eerder was een pgb-aanvraag van eiser afgewezen en deze weigering was bevestigd door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep.

Eiser stelde dat Menzis in verzuim was door niet tijdig te beslissen op een nieuw verzoek en dat de rechtbank Menzis moest veroordelen tot het alsnog beslissen en tot schadevergoeding. Menzis betoogde dat het verzoek van eiser geen aanvraag voor een pgb of verzoek tot herziening van eerdere besluiten was, maar een schadeverzoek dat niet onder de bestuursrechtelijke bevoegdheid valt.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek van eiser niet kon worden opgevat als een aanvraag voor een pgb of een verzoek om terug te komen op eerdere besluiten. Ook was er geen sprake van een bestuursrechtelijk besluit waarop een dwangsom kon worden gebaseerd. Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om te oordelen over het schadeverzoek en wees zij erop dat eiser zijn vordering tot schadevergoeding bij de civiele rechter moet indienen of een nieuwe pgb-aanvraag kan doen.

De rechtbank wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter A.T. de Kwaasteniet en griffier J.T. Boddeüs op 5 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het schadeverzoek en wijst het af.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1609

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. R. Kaya)
en

Stichting Zorgkantoor Menzis,

(gemachtigde: M. Veldman).

Inleiding

1. [eiser] heeft op 26 april 2022 verzocht om een schadevergoeding voor hem en zijn vrouw, omdat zij tijdens de coronaperiode bij hen thuis voor hun zoon [naam] hebben moeten zorgen, terwijl Menzis zorg had moeten inschakelen. [eiser] begroot de schade voorlopig op € 150.000,-.
1.1.
Menzis heeft dit verzoek met een brief van 9 mei 2022 afgewezen. [eiser] heeft op
11 november 2022 nogmaals verzocht om vergoeding van de door hem gestelde schade.
Met de brief van 20 december 2022 heeft Menzis, met een verwijzing naar de brief van
9 mei 2022, aan [eiser] bericht dat zijn verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
1.2.
Met een brief van 24 januari 2025 heeft [eiser], onder verwijzing naar zijn brieven uit 2022, nogmaals aan Menzis verzocht om een schadevergoeding toe te kennen.
1.3.
[eiser] heeft Menzis op 10 april 2025 in gebreke gesteld omdat nog niet op zijn brief van 24 januari 2025 was gereageerd. Met de brief van 19 mei 2025 heeft Menzis gereageerd op de brief van 24 januari 2025 en op de brieven van 9 februari 2025 en
10 april 2025.
1.4.
[eiser] heeft op 5 juni 2025 een brief met bijlagen aan de rechtbank gestuurd met als onderwerp: ‘beroepsprocedure overheidsorganisatie beslist niet op tijd’.
1.5.
Menzis heeft op 14 augustus 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Op 30 januari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] de gronden aangevuld. Menzis heeft hierop bij schrijven van 4 februari 2026 gereageerd.
1.7.
De rechtbank heeft de zaak op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en zijn vrouw, de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van Menzis.

Wat aan deze procedure voorafging

2. [eiser] zoon ondervindt problemen bij het zelfstandig leven. Hij heeft zowel een lichamelijke als een verstandelijke beperking en is gediagnosticeerd met autisme. Daarom heeft hij een indicatie VG Wonen met intensieve begeleiding en intensieve verzorging, op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Hij woonde sinds 2002 bij de [stichting].
2.1.
[eiser] heeft in 2020 een persoonsgebonden budget (pgb) aangevraagd voor de zorg die zij hun zoon toen thuis gaven. Met het besluit van 4 maart 2021 heeft Menzis die aanvraag afgewezen. Volgens Menzis kon uit de aangeleverde stukken niet worden opgemaakt welke zorg zal worden geleverd, door wie en tegen welk tarief. Ook werden de ingediende documenten niet volledig ingevuld. Het daartegen gemaakte bezwaar is met het besluit van 17 juni 2021 ongegrond verklaard. [eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld.
2.2.
Met de uitspraak van 5 augustus 2022 heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Met de uitspraak [1] van 23 december 2022 heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Standpunt [eiser]

3. [eiser] stelt dat hij recht heeft op een schadevergoeding, omdat Menzis tijdens de coronacrisis de zorgplicht op grond van de Wlz heeft geschonden. Hierdoor hebben hij en zij vrouw hun zoon weer moeten verzorgen, terwijl zij al hun hele leven ten dienste van hem staan en inmiddels op hoge leeftijd zijn en lichamelijke gebreken ondervinden.
3.1.
De stelling van Menzis dat nadat de zorg is beëindigd door [stichting], zij meerdere zorgaanbieders heeft aangedragen, kan [eiser] niet plaatsen. Het zorgkantoor heeft hun zoon een zelfstandig leven onthouden. Deze situatie heeft vijf jaar geduurd en heeft grote impact gehad, waardoor zij en hun zoon materiële schade hebben geleden. Ook het emotionele leed dat zij beiden ervaren is niet te verwaarlozen.

Beoordeling door de rechtbank

4. Met de brief van 5 juni 2026 heeft [eiser] zich gewend tot de rechtbank. Daarin schrijft hij dat Menzis pas op 21 mei 2025 (dan wel 19 mei 2025) heeft gereageerd op zijn verzoek om een dwangsom van 10 april 2025. In deze brief aan de rechtbank van
5 juni 2025 verzoekt [eiser] om vergoeding van de schade zoals toegelicht in de eerdere brief aan Menzis van 24 januari 2025.
4.1.
De rechtbank moet beoordelen wat [eiser] met zijn brief van 5 juni 2025 aan de rechtbank heeft voorgelegd. Dit heeft de rechtbank ter zitting ook besproken met de gemachtigden van [eiser] en Menzis.
5. [eiser] stelt primair dat de brief van 24 januari 2025 moet worden gezien als een verzoek aan Menzis om hem alsnog een pgb te verlenen over de periode in het verleden en subsidiair als een verzoek om terug te komen op de eerdere weigering hem een pgb te verstrekken bij de besluiten uit 2021. Menzis had daar op moeten beslissen en heeft dat niet gedaan. Daarom is Menzis in verzuim en is Menzis een dwangsom verschuldigd wegens het niet-tijdig beslissen. Het aan de rechtbank gerichte schrijven van 5 juni 2026 moet daarom worden opgevat als een beroep niet tijdig beslissen. Menzis moet door de rechtbank worden opgedragen om alsnog te beslissen.
5.1.
Menzis is van mening dat de brief van 24 januari 2025 van [eiser] niet kan worden opgevat als een verzoek om verstrekking van een pgb of als een verzoek van een eerder besluit terug te komen. Menzis heeft dat ook niet zo opgevat. In zijn brief stelt [eiser] dat Menzis haar zorgplicht heeft geschonden en dat Menzis de daardoor geleden schade moet vergoeden. Omdat het geen verzoek aan Menzis is om een besluit aangaande een pgb te nemen, kan de reactie van Menzis daarop van 19 mei 2025 geen besluit op grond van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn. Een reactie met betrekking tot het al of niet schenden van de zorgplicht kan volgens Menzis sowieso niet zo’n besluit zijn. Omdat de reactie van Menzis geen besluit kan zijn, kan Menzis ook niet worden verweten dat zij te laat heeft beslist.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat Menzis de brief van [eiser] van 24 januari 2025 in redelijkheid niet had hoeven opvatten als een verzoek om hem een pgb te verstrekken of als een verzoek om terug te komen op een eerdere weigering hem een pgb te verstrekken. In die brief verwijst [eiser] naar een eerdere briefwisseling in 2022 met betrekking tot geleden schade doordat zorg is verleend. Ten tijde van die briefwisseling liep de procedure bij de rechtbank tegen de eerdere pgb weigering nog. Gelet op die verwijzing en omdat uit de brief zelf vooral volgt dat [eiser] vergoeding wil van Menzis voor de gestelde geleden schade, kan de brief niet worden begrepen als zijnde gericht op een aanvraag voor een pgb of als een verzoek om terug te komen op de eerdere pgb-weigering.
5.3.
Voor zover de brief van [eiser] aan de rechtbank zou moeten worden opgevat als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag van [eiser], kan dat beroep niet slagen. Er is geen sprake van een aanvraag en dus kan de reactie daarop geen besluit zijn. Daarom kan aan Menzis ook niet worden verweten dat zij te laat heeft beslist.
6. Tijdens de zitting is namens [eiser] aangevoerd dat het schrijven van 5 juni 2025 ook moet worden opgevat als een verzoek aan de rechtbank om Menzis te veroordelen tot vergoeding van geleden schade, veroorzaakt door de niet geleverde zorg.
6.1.
Volgens Menzis is niet voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijk verzoek als geformuleerd in de artikelen 8:88 en 8:92 van de Awb. Er is geen onrechtmatig besluit aan te wijzen of een andere daar genoemde oorzaak die tot veroordeling tot schadevergoeding zou kunnen leiden en de gestelde schade is niet onderbouwd of gespecificeerd.
6.2.
Alhoewel in de brief van 5 juni 2025 wordt gesproken van een beroepschrift, moet deze naar het oordeel van de rechtbank worden opgevat als een verzoek om Menzis te veroordelen tot vergoeding van geleden schade. Gelet op de tekst van de brief en op de eerdere correspondentie ligt het het meest in de rede dat de rechtbank het beschouwt als een verzoek op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb om Menzis te veroordelen tot vergoeding van schade.
6.3.
In genoemd artikel wordt geregeld in welke gevallen de bestuursrechter bevoegd is een beslissing op een dergelijk verzoek te nemen. De door [eiser] aangevoerde grondslag voor zijn verzoek vanwege de niet geleverde zorg en de in plaats daarvan door [eiser] en zijn echtgenote zelf geleverde zorg, is niet een grondslag als bedoeld in het artikel. Met name is daarbij van belang dat er geen door Menzis genomen onrechtmatig besluit is aan te wijzen dat de grondslag kan vormen voor het verzoek.
6.4.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij niet bevoegd is om te beslissen op het verzoek van [eiser] om Menzis te veroordelen tot vergoeding van geleden schade.
Tot slot
7. De rechtbank kwalificeert de brief van [eiser] van 5 juni 2025 dus als een verzoek om Menzis te veroordelen tot vergoeding van geleden schade. De rechtbank als bestuursrechter zal zich onbevoegd verklaren ten aanzien van dat verzoek. Het is aan [eiser] om te bezien of hij een vordering om schadevergoeding zal indienen bij de civiele rechter. Ook kan hij (eventueel) alsnog bij Menzis een pgb aanvragen, dan wel Menzis verzoeken om op grond van nieuwe feiten en omstandigheden terug te komen op de eerdere weigering een pgb te verstrekken.
7.1.
Omdat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, krijgt [eiser] het betaalde griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.