ECLI:NL:RBOVE:2026:1153

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_3419 en 25_3420
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:55d AwbWegenverkeerswet 1994Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet binnen 16 weken beslissen op verzoek verkeersbesluiten fietspad Albergen

Eiseres heeft het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel verzocht om handhavend op te treden tegen het illegaal gebruik van een verlicht fietspad aan de [weg] in Albergen, dat in beide richtingen wordt gebruikt. Tevens verzocht zij het college om verkeersbesluiten te nemen om dit gebruik te legaliseren of het fietspad aan de andere zijde te verlichten.

Het college reageerde afwijzend op het handhavingsverzoek en verklaarde het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk, omdat het college meende niet bevoegd te zijn en de reactie geen besluit met rechtsgevolgen was. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing en tegen het niet tijdig beslissen op haar verzoek om verkeersbesluiten.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat het verzoek om verkeersbesluiten een aanvraag is waarop binnen een redelijke termijn moet worden beslist. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is gegrond en het college wordt opgedragen binnen zestien weken alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding. Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard omdat het college geen besluit heeft genomen.

De rechtbank wijst het college tevens aan om het door eiseres betaalde griffierecht en gemaakte reiskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter E.C. Rozeboom en griffier J.J. van Heijningen op 4 maart 2026.

Uitkomst: Het college moet binnen zestien weken beslissen op het verzoek om verkeersbesluiten en het beroep tegen afwijzing handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: ZWO 25/3419 en ZWO 25/3420

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser]
en

het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel

hierna: het college
(gemachtigde: mr. A.P. Diermanse).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een handhavingsverzoek en de vraag of het college volledig op het verzoek van [eiser] heeft beslist. [eiser] heeft het college gevraagd om op te treden tegen het illegaal gebruik van een verlicht fietspad aan de [weg] in Albergen. Dit fietspad wordt namelijk in beide richtingen gebruikt, terwijl dat volgens [eiser] niet is toegestaan. Het college heeft in reactie aangegeven dat hij niet bevoegd is om te handhaven op verkeersovertredingen. Het college heeft het daartegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat hij meent dat zijn reactie geen rechtsgevolg heeft. [eiser] is het daar niet mee eens en stelt dat het college door de afwijzing heeft bepaald dat hij geen verkeersbesluiten zal nemen, bijvoorbeeld om gebruik in twee richtingen mogelijk te maken, zodat wel sprake is van een besluit. Daarnaast heeft [eiser] beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op haar verzoek om verkeersbesluiten te nemen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat [eiser] verzocht heeft om verkeersbesluiten te nemen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen daarop is gegrond en de rechtbank draagt het college op om binnen een termijn van zestien weken alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen.
1.2.
Daarnaast verklaart de rechtbank het beroep tegen de afwijzing om feitelijk op te treden tegen de verkeersovertredingen ongegrond. Deze reactie is inderdaad geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht omdat rechtsgevolgen ontbreken.

Procesverloop

2. [eiser] heeft op 4 september 2025 een verzoek ingediend bij het college en verzocht om handhavend op te treden tegen de verkeersovertredingen die op het fietspad aan de [weg] in Albergen worden begaan. In dezelfde brief heeft [eiser] het college verzocht om verkeersbesluiten te nemen. Het college heeft hier met het bericht van 9 september 2025 afwijzend op gereageerd. Met het bestreden besluit van 31 oktober 2025, verzonden op 3 november 2025, heeft het college het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep is bekend onder zaaknummer ZWO 25/3420.
2.2.
Op 25 november 2025 heeft [eiser] beroep ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op (een deel van) haar verzoek van 4 september 2025. Dit beroep is bekend onder zaaknummer ZWO 25/3419.
2.3.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft in beide beroepen een aanvullend beroepschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 januari 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1], werkzaam als Rayonteamleider Twente en [naam 2], werkzaam als Rayoninspecteur.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiser] woont aan de [adres]. De [adres] is ook bekend als de [weg]. Het college heeft aan de gemeente Tubbergen een ontheffing verleend voor het aanbrengen van verlichting aan het fietspad gelegen aan de noordzijde van de [weg] ter hoogte van hectometerpunten 4.680 en 6.000. Omdat het fietspad aan de zuidzijde van de [weg] niet is verlicht, is het gebruik van het verlichte fietspad geïntensiveerd en wordt dit pad door fietsers, gemotoriseerd verkeer en voetgangers in beide richtingen gebruikt. Volgens [eiser] is dit gebruik in strijd met de verkeersregelgeving en zorgt dit voor gevaarlijke situaties.
3.1.
Op 4 september 2025 heeft [eiser] een handhavingsverzoek ingediend, waarin ze verzoekt om handhavend op te treden tegen de verkeersovertredingen die op het verlichte fietspad worden begaan. Voor zover het college niet tegen de verkeersovertredingen wil optreden, heeft zij het college verzocht om de overtredingen te legaliseren door verkeersbesluiten te nemen waarbij het fietspad voor beide richtingen kan worden gebruikt of aan de andere kant van het fietspad aan de [weg] ook verlichting aan te brengen.
3.2.
Met het e-mailbericht van 9 september 2025 heeft [naam 2], werkzaam als Rayoninspecteur, op het handhavingsverzoek gereageerd. In deze reactie heeft hij toegelicht dat de politie bevoegd is om gebruikers van het fietspad op de Wegenverkeerswet 1994 te handhaven en dat de politie daarom het aangewezen orgaan is om haar verzoek te behandelen.
3.3.
[eiser] heeft diezelfde dag op de e-mail gereageerd en medegedeeld dat zij bezwaar maakt tegen de weigering om een verkeersbesluit te nemen en daarmee een tweerichtingenfietspad te realiseren. Op 17 oktober 2025 heeft zij haar bezwaar digitaal ingediend en aangevuld.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college is de e-mail van 9 september 2025 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het bericht geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt maar uitsluitend een antwoord geeft over de verkeerssituatie langs de [weg] bij Albergen. Omdat het college het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft hij ervan afgezien om [eiser] in bezwaar te horen.

ZWO 25/3419

Verzoek om een verkeersbesluit te nemen
4. Ter zitting heeft het college toegelicht dat hij heeft miskend dat [eiser] een verzoek heeft gedaan om verkeersbesluiten te nemen door de inrichting van het fietspad aan de noordzijde van de [weg] te wijzigen en voor dit fietspad tweerichtingsverkeer in te stellen. Het college heeft erkend dat dit verzoek een aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb (althans aanvragen, voor zover meerdere verkeersbesluiten nodig zijn om het door [eiser] beoogde resultaat te bereiken). Het college heeft op de zitting toegelicht dat hij inhoudelijk op het verzoek van [eiser] zal beslissen. Omdat ook aan de formele vereisten van het beroep bij niet tijdig beslissen wordt voldaan, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.
4.1
Nu het beroep gegrond is, dient de rechtbank een termijn te stellen waarbinnen het college dient te beslissen. In de Wegenverkeerswet 1994 zijn geen termijnbepalingen opgenomen waarbinnen moet worden beslist op een verzoek om een verkeersbesluit. Op grond van vaste rechtspraak moet bij het ontbreken van een wettelijke beslistermijn het bestuursorgaan binnen een redelijke termijn een besluit nemen. [1]
4.2.
Het college heeft ter zitting, op verzoek van [eiser], aangegeven dat hij een verkeersdeskundige zal betrekken om de aanvraag van [eiser] te beoordelen en het college te adviseren over de te nemen besluiten. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van 8:55d, derde lid, van de Awb dat het college binnen zestien weken na het verzenden van deze uitspraak op de aanvraag van [eiser] moet beslissen.
4.3.
Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat het college een dwangsom van € 100,- aan [eiser] verbeurt voor elke dag waarmee de termijn van zestien weken wordt overschreden, met een maximum van
€ 15.000,-.

ZWO 25/3420

Verzoek om handhavend op te treden

5. In beroep stelt [eiser] dat het college ten onrechte haar bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. [eiser] heeft op 4 september 2025 het college verzocht om handhavend op te treden tegen de verkeersovertredingen op het fietspad gelegen aan de noordzijde van de [weg] ter hoogte van hectometerpunten 4.680 en 6.000. Volgens [eiser] heeft zij het college verzocht om een besluit in de zin van de Awb te nemen.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek van [eiser] om handhavend op te treden, in feite een verzoek is om het verrichten van controles (en het verder acteren op overtredingen door het schrijven van verkeersboetes etc.). Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘de Afdeling’) volgt dat het verrichten van controles een feitelijke handeling is. [2] De weigering om feitelijke handelingen te verrichten, heeft geen rechtsgevolg. Daarmee ontstaat namelijk geen bevoegdheid, recht of verplichting, en gaan deze ook niet teniet. De rechtbank is van oordeel dat het college zich dan ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat zijn afwijzende reactie niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Nu geen sprake is van een besluit, is het bezwaar van [eiser] terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Heeft het college kunnen afzien van het horen in bezwaar?
6. [eiser] vindt dat zij, in strijd met artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb, ten onrechte door het college niet in bezwaar is gehoord.
6.1.
Op grond van artikel 7:3, onder a, van de Awb kan van het horen in bezwaar worden afgezien, indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college de hoorplicht niet heeft geschonden. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar van [eiser] kennelijk niet-ontvankelijk is. Uit de brief van 17 oktober 2025 was voor het college zonder twijfel af te leiden dat [eiser] zich niet kon verenigen met de reactie van het college om geen verkeerscontroles te verrichten. Zoals de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen, is die reactie geen besluit waartegen bezwaar openstaat. Het horen van [eiser] zou dat oordeel niet anders maken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep in zaak ZWO 25/3420 is ongegrond.
8. Het beroep in zaak ZWO 25/4319 is gegrond. Het college moet daarom het door [eiser] betaalde griffierecht vergoeden.
8.1.
[eiser] heeft verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte reiskosten ter hoogte van € 22,36. [eiser] heeft haar verzoek onderbouwd met een afschrift van de kosten van een retourticket openbaar vervoer 2e klasse. Naar het oordeel van de rechtbank komen deze kosten, gelet op artikel 1 aanhef Pro en onder d van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor vergoeding in aanmerking. Het totaalbedrag van de te vergoeden kosten bedraagt € 22,36.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in de zaak ZWO 25/3420 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit in de zaak ZWO 25/3419 gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt het college op om binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan [eiser] een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat het college het door [eiser] betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 22,36.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de Centrale Raad van Beroep van 4 juni 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6843.
2.De Afdeling van 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4803, r.o. 3.2. en de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:671, r.o. 7.1.