Uitspraak
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de bezichtiging ter plaatste van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen en foto’s zijn gemaakt,
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de brief van 5 januari 2026 van de gemachtigde van [gedaagden]
- de brief van 5 januari 2026 van de gemachtigde van [eisers]
2.De zaak in het kort
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eisers] enkel wat betreft de vervanging van de beuken- en coniferenhaag kan worden toegewezen. Hierna wordt deze beslissing gemotiveerd.
3. De feiten
- links woning [eisers]; rechts woning [gedaagden]
- straatzijde aan de onderzijde
- bovenste rode lijn: rooilijn perceel [gedaagden]
- onderste rode lijn: rooilijn perceel [eisers]
- links woning [eisers]; rechts woning [gedaagden]
- straatzijde aan de onderzijde
- gele lijn: rooilijn [gedaagden]
- rode lijn: rooilijn [eisers]
4.Het geschil
zestig dagen na betekening van het vonnis aan plaatsing van een gezamenlijke
ondoorzichtige scheidsmuur op de gehele kadastrale grens tussen de percelen van
partijen in de vorm van een schutting conform de offerte van Twente Schuttingen van
24 oktober 2024;
(via hun eigen perceel) vrij te maken, hetgeen inhoudt dat [gedaagden] alle beplanting
die plaatsing van de erfafscheiding verhindert vóór plaatsing van de erfafscheiding op
hun kosten verwijderd dienen te hebben;
erfafscheiding, waarbij de helft van de (eind)factuur van Twente Schuttingen binnen
veertien dagen na ontvangst hiervan door gedaagden dient te worden voldaan;
door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen, voor elke dag of dagdeel dat
[gedaagden] in gebreke blijven aan voornoemde c.q. het vonnis te voldoen met een
maximum van € 10.000,00.
Subsidiair is de vordering van [eisers] gelijkluidend aan de primaire vordering, met dien verstande dat plaatsing van een schutting door een nader door partijen te bepalen bedrijf wordt gevorderd en niet naar de offerte van Twente Schuttingen van 24 oktober 2024 wordt verwezen.
Zowel primair als subsidiair vordert [eisers] dat de kantonrechter [gedaagden] zal veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten aan [eisers] van € 227,64,
5.De beoordeling
- discussies tussen partijen over het onderhoud van de haag wordt voorkomen;
- de verkeersveiligheid is gediend, omdat daarmee de door de taxushaag weggenomen zichtlijn vanaf het perceel van [eisers] naar de straat wordt hersteld;
- meer eenheid wordt gecreëerd aangezien een schutting rustiger oogt, dan een haag die uit verschillende onderdelen bestaat.
Volgens artikel 5:43 BW Pro wordt onder een muur verstaan: iedere van steen, hout of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting.
Aan het beoordelen van het beroep van [gedaagden] op verjaring, misbruik van bevoegdheid en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt niet toegekomen. Omdat [gedaagden] geen bezwaar heeft tegen vervanging van de beuken- en coniferenhaag (hiervoor onder 5.10), begrijpt de kantonrechter dat [gedaagden] zich met dat beroep enkel heeft verzet tegen de gevorderde vervanging van de taxushaag. Dit deel van de vordering van [eisers] is niet toewijsbaar.
6 maart 2025 zelf aan [eisers] voorgesteld om de beuken- en de coniferenhaag te vervangen door een schutting van grenenhout. Hij heeft daarbij verwezen naar een offerte van Twente Schuttingen van 22 februari 2025. In deze offerte wordt eenzelfde schutting aangeboden als [eisers] thans beoogt (dagvaarding, productie 2 en 3). Tegen deze achtergrond heeft [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd betwist dat een zodanige schutting van dit bedrijf niet, althans onvoldoende deugdelijk is. Dat Douglashout duurzamer is dan grenenhout heeft [gedaagden] niet toegelicht of met stukken gestaafd. Uit de door hem overgelegde e-mailwisseling volgt niet dat bij Twente Schuttingen de kwaliteit van een schutting en/of de wijze waarop deze is geplaatst onvoldoende deugdelijk is.
6.6. De beslissing
6.2. veroordeelt [gedaagden] om de erfgrens vóór plaatsing van de erfafscheiding op de plek van de bestaande beuken- en coniferenhaag (via hun eigen perceel) vrij te maken, hetgeen inhoudt dat [gedaagden] alle beplanting die plaatsing van de erfafscheiding op de erfgrens verhindert vóór plaatsing van de erfafscheiding op hun kosten verwijderd dienen te hebben;