ECLI:NL:RBOVE:2026:1096

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11701607 \ CV EXPL 25-1436
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:49 BWArt. 5:43 BWArt. 5:65 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWBesluit bouwwerken leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vervanging van beuken- en coniferenhaag door schutting tussen buren

Eisers en gedaagden zijn buren met een haag op het perceel van gedaagden langs de erfgrens. De haag bestaat uit een taxushaag, een beukenhaag en twee coniferen. Eisers vordert dat gedaagden meewerkt aan het vervangen van de gehele haag door een schutting, waarbij de beuken- en coniferenhaag een schutting van twee meter hoog moet worden en de taxushaag een schutting van één meter hoog.

Gedaagden wenst alleen de beuken- en coniferenhaag te vervangen en de taxushaag te behouden. De kantonrechter oordeelt dat de beuken- en coniferenhaag niet ondoorzichtig zijn en daarom geen scheidsmuur vormen zoals bedoeld in artikel 5:49 BW Pro. Een schutting van twee meter hoog wel. Omdat gedaagden instemt met vervanging van deze hagen, wordt de vordering voor dit deel toegewezen.

De taxushaag is circa twee meter hoog en mag volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder vergunning niet worden vervangen door een schutting van één meter hoog over een lengte van ruim vijf meter. Dit zou de privacy verminderen en de belangen die artikel 5:49 BW Pro beschermt niet dienen. Daarom wordt de vordering voor de taxushaag afgewezen.

De kantonrechter bepaalt dat de schutting van grenenhout moet zijn conform de offerte van Twente Schuttingen, omdat gedaagden onvoldoende heeft gemotiveerd dat Douglashout duurzamer is. De kosten van de schutting worden gezamenlijk gedragen. De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot vervanging van de beuken- en coniferenhaag door een schutting wordt toegewezen, de taxushaag blijft behouden.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11701607 \ CV EXPL 25-1436
Vonnis van 3 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [woonplaats 1],
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [eisers],
gemachtigde: mr. R. Noordman (ARAG SE Rechtsbijstand),
tegen

1.[gedaagde 1],

te [woonplaats 3],
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 4],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. B.A.M. van Ooijen (DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met productie 1 tot en met 3,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 11,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de bezichtiging ter plaatste van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen en foto’s zijn gemaakt,
- de mondelinge behandeling van 1 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de brief van 5 januari 2026 van de gemachtigde van [gedaagden]
- de brief van 5 januari 2026 van de gemachtigde van [eisers]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[eisers] en [gedaagden] zijn buren van elkaar. Tussen hun beider percelen bevindt zich een haag op het perceel van [gedaagden] tegen de erfgrens aan. Deze haag bestaat uit drie delen. Vanaf de straatzijde bezien is het voorste deel een taxushaag, daarna volgt een beukenhaag en daarachter staan twee coniferen.
[eisers] wenst de haag te vervangen: de beuken- en de coniferenhaag door een schutting van twee meter hoog en de taxushaag door een schutting van één meter hoog. In deze procedure vordert hij dat de kantonrechter [gedaagden] zal veroordelen daaraan mee te werken. [gedaagden] voert verweer. Hij is wenst alleen de beuken- en de coniferenhaag te vervangen door een schutting van twee meter hoog. De (hoge) taxushaag wil hij behouden.
De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [eisers] enkel wat betreft de vervanging van de beuken- en coniferenhaag kan worden toegewezen. Hierna wordt deze beslissing gemotiveerd.
3. De feiten
3.1.
Sinds 1995 zijn [eisers] en [gedaagden] buren van elkaar. [eisers] is eigenaar van het perceel en de woning aan de [adres 1]. [gedaagden] is eigenaar van het perceel en de woning aan de [adres 2].
3.2.
Tussen de percelen van [eisers] en [gedaagden] bevindt zich een haag als erfafscheiding. Deze haag bestaat uit drie delen. Vanaf de straatzijde bezien is - na een vrije strook van ongeveer 1.40 m lang - het voorste deel een taxushaag, daarna volgt een beukenhaag en daarachter staan twee coniferen.
3.3.
In de eerste helft van de jaren negentig heeft [gedaagden] de beuken- en coniferenhaag op zijn kosten geplaatst. Deze hagen staan op het perceel van [gedaagden] tegen de erfgrens aan.
3.4.
In 2002 heeft [gedaagden] de taxushaag op zijn kosten geplaatst. Ook deze haag staat op het perceel van [gedaagden] tegen de erfgrens aan.
3.5.
De hagen worden één à twee keer per jaar op kosten van [gedaagden] door een professionele tuinman teruggesnoeid tot een hoogte twee meter te rekenen van het perceel van [gedaagden] Omdat het perceel van [gedaagden] hoger is gelegen, varieert de haag naargelang van welke kant deze wordt gemeten 20 tot 35 centimeter in hoogte.
3.6.
Op 13 november 2024 heeft Het Kadaster de erfgrens tussen de percelen van [eisers] en [gedaagden] opgemeten. Daarbij heeft Het Kadaster aan het begin en het einde van de erfgrens een rood paaltje geplaatst om de erfgrens te markeren.
3.7.
De afstand van de straat tot de taxushaag bedraagt ongeveer 1.40 meter. De afstand vanaf het begin van de taxushaag tot en met de rooilijn van het perceel van [eisers] bedraagt ongeveer vier meter. De afstand vanaf de straatzijde tot aan de rooilijn van [eisers] komt daarmee uit op circa 5.40 meter.
3.8.
De rooilijn van het perceel van [gedaagden] bevindt zich vanaf de straatzijde circa 4.5 meter achter de rooilijn van het perceel van [eisers] Hierna is op de foto en tekening deze situatie weergegeven.
Foto:
- links woning [eisers]; rechts woning [gedaagden]
- straatzijde aan de onderzijde
- bovenste rode lijn: rooilijn perceel [gedaagden]
- onderste rode lijn: rooilijn perceel [eisers]
[Afbeelding]
Tekening:
- links woning [eisers]; rechts woning [gedaagden]
- straatzijde aan de onderzijde
- gele lijn: rooilijn [gedaagden]
- rode lijn: rooilijn [eisers]
[Afbeelding]
3.8.
Bij brief van 22 maart 2024 heeft [gedaagden] [eisers] verzocht medewerking te verlenen aan het oprichten van een mandelige scheidsmuur/schutting van twee meter hoog op de erfgrens ter vervanging van de beuken- en coniferenhaag.
3.9.
Bij brief van 2 april 2024 heeft [eisers] aan [gedaagden] laten weten alleen akkoord te gaan met een mandelige ondoorzichtige scheiding, indien deze wordt uitgevoerd een meter vanaf de straat tot aan de schuur van [eisers]
3.10.
Na de brief van 2 april 2024 hebben partijen over-en-weer gecorrespondeerd over het vervangen van de bestaande hagen. Daarbij zijn zij niet tot overeenstemming gekomen.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
Primair:
1. [gedaagden] zal veroordelen tot volledige en onvoorwaardelijke medewerking binnen
zestig dagen na betekening van het vonnis aan plaatsing van een gezamenlijke
ondoorzichtige scheidsmuur op de gehele kadastrale grens tussen de percelen van
partijen in de vorm van een schutting conform de offerte van Twente Schuttingen van
24 oktober 2024;
2. [gedaagden] zal veroordelen om de erfgrens vóór plaatsing van de erfafscheiding geheel
(via hun eigen perceel) vrij te maken, hetgeen inhoudt dat [gedaagden] alle beplanting
die plaatsing van de erfafscheiding verhindert vóór plaatsing van de erfafscheiding op
hun kosten verwijderd dienen te hebben;
3. [gedaagden] zal veroordelen in de helft van de kosten van plaatsing van de
erfafscheiding, waarbij de helft van de (eind)factuur van Twente Schuttingen binnen
veertien dagen na ontvangst hiervan door gedaagden dient te worden voldaan;
4. waarvan punten 1 en 2 op straffe van een dwangsom van € 250,00, althans een bedrag
door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen, voor elke dag of dagdeel dat
[gedaagden] in gebreke blijven aan voornoemde c.q. het vonnis te voldoen met een
maximum van € 10.000,00.
Subsidiair is de vordering van [eisers] gelijkluidend aan de primaire vordering, met dien verstande dat plaatsing van een schutting door een nader door partijen te bepalen bedrijf wordt gevorderd en niet naar de offerte van Twente Schuttingen van 24 oktober 2024 wordt verwezen.
Zowel primair als subsidiair vordert [eisers] dat de kantonrechter [gedaagden] zal veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten aan [eisers] van € 227,64,
dan wel een door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag en in de kosten van deze procedure.
4.2.
[gedaagden] voert verweer. Op de standpunten van beide partijen wordt hierna teruggekomen.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter begrijpt dat [eisers] enkel verwijdering van de beplanting op de erfgrens vordert voor het geval [gedaagden] wordt veroordeeld medewerking te verlenen aan de plaatsing van een scheidsmuur. Daarom wordt vooropgesteld dat aan de beoordeling van de vordering van [eisers] onder 4.1 sub 2. alleen wordt toegekomen als sub 1 van die vordering toewijsbaar is.
5.2.
De vraag ligt voor of de bestaande haag tussen de beider percelen van partijen moet worden vervangen door een gezamenlijke (mandelige) scheidsmuur in de vorm van een schutting.
5.3.
[eisers] beantwoordt deze vraag bevestigend. Hij stelt dat hij belang heeft bij en recht heeft op een dichte erfafscheiding op de erfgrens. Een schutting is een zodanige afscheiding. Vanaf de straatzijde tot aan zijn rooilijn mag de schutting één meter hoog zijn. Vanaf de rooilijn is een schutting van twee meter hoog toegestaan. Tijdens de mondelinge behandeling voegt [eisers] hieraan toe dat met een schutting over de gehele erfgrens:
- discussies tussen partijen over het onderhoud van de haag wordt voorkomen;
- de verkeersveiligheid is gediend, omdat daarmee de door de taxushaag weggenomen zichtlijn vanaf het perceel van [eisers] naar de straat wordt hersteld;
- meer eenheid wordt gecreëerd aangezien een schutting rustiger oogt, dan een haag die uit verschillende onderdelen bestaat.
5.4.
[gedaagden] beantwoordt genoemde vraag ontkennend. Hij stelt dat hij zijn privacy in de voortuin kwijtraakt als de huidige taxushaag van twee meter wordt vervangen door een gezamenlijke schutting van één meter hoog en betwist dat genoemde belangen die [eisers] naar voren heeft gebracht aanwezig zijn. Ook beroept [gedaagden] zich op verjaring van de rechtsvordering van [eisers] tot verwijdering van de beplanting op de erfgrens, op misbruik van bevoegdheid en op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
5.5.
De kantonrechter zal de hiervoor onder 5.2 vermelde vraag beantwoorden aan de hand van de maatstaf die is vastgelegd in de artikel 5:49 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), omdat [eisers] dit wetsartikel aan zijn vordering ten grondslag legt.
De wettelijke maatstaf5.6. Artikel 5:49 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) geeft de eigenaar van een perceel het recht te allen tijde te vorderen dat de eigenaar van een aangrenzend perceel zijn medewerking eraan verleent dat op de grens van de percelen een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht, voor zover een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte van de afscheiding niet anders regelt. Het artikel strekt ertoe de persoonlijke levenssfeer van eigenaren van percelen binnen de bebouwde kom te waarborgen (Hoge Raad 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1907).
Volgens artikel 5:43 BW Pro wordt onder een muur verstaan: iedere van steen, hout of andere daartoe geschikte stof vervaardigde, ondoorzichtige afsluiting.
5.7.
Bij het beantwoorden van de vraag of de bestaande haag moet worden vervangen door een gezamenlijke schutting maakt de kantonrechter onderscheid tussen de beuken- en coniferenhaag enerzijds en de taxushaag anderzijds.
De beuken-en coniferenhaag moet worden vervangen door een schutting
5.8.
De kantonrechter is van oordeel dat de beuken- en coniferenhaag vervangen moeten worden door een gezamenlijk schutting van twee meter hoog bij wijze van erfgrens en overweegt daarover het volgende.
5.9.
Tijdens de bezichtiging ter plaatse heeft de kantonrechter geconstateerd dat de beuken- en coniferenhaag niet ondoorzichtig zijn. Vanaf de tuin van [eisers] is door de beukenhaag heen de tuin van [gedaagden] zichtbaar en omgekeerd. De coniferenhaag is aan de achterzijde ernstig verkleurd en in ieder geval aan de onderzijde doorzichtig. Deze hagen kunnen daarom niet worden aangemerkt als een scheidsmuur in die zin van artikel 5:49 BW Pro. Een schutting van twee meter hoog is wel een scheidsmuur. [eisers] heeft daar ter bescherming van zijn privacy recht op.
5.10.
Daarnaast is in de beoordeling betrokken dat [gedaagden] instemt met het vervangen van de beuken- en coniferenhaag door een schutting van twee meter hoog. In de brief van 22 maart 2024 heeft [gedaagden] zelf aan [eisers] voorgesteld deze hagen door een schutting te vervangen. Tijdens de mondeling behandeling heeft [gedaagden] verklaard dat over het vervangen van de beuken- en de coniferenhaag te praten valt. De bezwaren van [gedaagden] zijn kennelijk alleen gericht tegen de gevorderde vervanging van de taxushaag.
5.11.
Nu de beuken- en de coniferenhaag geen scheidsmuren zijn en [gedaagden] geen bezwaar heeft tegen het vervangen van deze hagen door een schutting van twee meter, is de vordering van [eisers] wat betreft de beuken- en coniferenhaag toewijsbaar. Omdat de schutting op de erfgrens komt te staan, is sprake van een mandelige scheidsmuur. Partijen moeten op grond van artikel 5:65 BW Pro gezamenlijk de kosten daarvan dragen.
De taxushaag moet behouden blijven
5.12.
De kantonrechter is van oordeel dat de taxushaag niet hoeft te worden vervangen door een schutting. Hierover wordt het volgende overwogen.
5.13.
Met de gevorderde vervanging van de taxushaag wordt het belang van de persoonlijke levenssfeer dat de artikel 5:49 BW Pro beoogt te beschermen niet gediend. De taxushaag is circa twee meter hoog. Een schutting mag op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving zonder een daarvoor afgegeven vergunning van de straatzijde tot aan de rooilijn niet hoger zijn dan één meter. Tijdens de bezichtiging ter plaatste is gebleken dat de afstand van de straatzijde tot de rooilijn van [eisers] ruim 5 meter is (hiervoor onder 3.7). Dit betekent dat als de vordering van [eisers] wordt toegewezen de taxushaag van twee meter zal worden vervangen door een schutting die over een lengte van ruim vijf meter één meter hoog is. Namens [eisers] is tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat hierdoor de privacy van beide partijen zal afnemen. [eisers] kan daarom geen geslaagd beroep doen op artikel 5:49 BW Pro. De andere hiervoor onder 5.3 vermelde belangen die [eisers] aan zijn beroep ten grondslag legt, worden evenmin door 5:49 BW beschermd. De door [eisers] gevorderde vervanging van de taxushaag is om die reden niet toewijsbaar.
5.14.
Wat betreft het belang van de verkeersveiligheid voegt de kantonrechter daar nog aan toe dat tijdens de bezichtiging ter plaatse is gebleken dat in de tuin van [gedaagden] haaks op de taxushaag een laurierhaag staat. Deze laurierhaag belemmert vanaf een van de parkeerplaatsen op de oprit van [eisers] de zichtlijn naar de straat. In deze procedure heeft [eisers] geen verwijdering van de laurierhaag gevorderd. Deze situatie ter plaatse brengt mee dat de verkeersveiligheid niet zonder meer toeneemt als de gevorderde vervanging van de taxushaag wordt toegewezen. Bovendien kan de verkeersveiligheid op een andere wijze worden gediend. [eisers] heeft een oprit met ruimte voor het parkeren van meerdere auto’s. Als [eisers] zijn auto parkeert op een parkeerplek die niet direct naast taxushaag is gelegen, dan kan hij de straatzijde vanuit de auto overzien en zijn oprit op een verkeersveilige manier verlaten.
5.15.
Ten aanzien van het onderhoud van de taxushaag, overweegt de kantonrechter ten overvloede nog dat [gedaagden] heeft verklaard dat hij de taxushaag in ieder geval tweemaal per jaar door een professionele tuinman zal laten snoeien en dat de hoogte van de haag daarbij zal worden teruggebracht tot maximaal twee meter. Ook heeft [gedaagden] in de brief van 5 januari 2026 aangevoerd dat de taxushaag in de breedte kan worden teruggesnoeid, waardoor deze niet meer over de bestrating van [eisers] heen zal groeien. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagden] overeenkomstig deze stellingen onderhoud aan de taxushaag zal blijven laten plegen.
Tussenconclusie5.16. Uit het voorgaande volgt dat de beuken- en coniferenhaag moeten worden vervangen door schutting van twee meter hoog en dat de taxushaag behouden blijft.
Aan het beoordelen van het beroep van [gedaagden] op verjaring, misbruik van bevoegdheid en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt niet toegekomen. Omdat [gedaagden] geen bezwaar heeft tegen vervanging van de beuken- en coniferenhaag (hiervoor onder 5.10), begrijpt de kantonrechter dat [gedaagden] zich met dat beroep enkel heeft verzet tegen de gevorderde vervanging van de taxushaag. Dit deel van de vordering van [eisers] is niet toewijsbaar.
De schutting moet van grenenhout zijn en afkomstig van Twente Schuttingen5.17. Tussen partijen is in geschil welke professionele partij de schutting moet plaatsen en uit welk materiaal de schutting moet bestaan.
5.18.
[eisers] wenst een schutting met grenen schermen, een geïmpregneerde deksloof en antraciete betonnen onder platen en palen conform de offerte van Twente Schuttingen van 24 oktober 2024 (dagvaarding, productie 3). [gedaagden] voert aan dat de schutting van Douglashout moet zijn conform de offerte van Buitengoed van 25 juni 2025 (conclusie van antwoord, productie 11). Grenenhout is volgens hem onvoldoende duurzaam. Op basis van een ervaring uit het verleden is bij [gedaagden] - naar eigen zeggen - bekend dat de communicatie en facturatie bij Twente Schuttingen zwaar te wensen overlaat.
5.19.
De kantonrechter is van oordeel dat bij het vervangen van de beuken- en coniferenhaag door een schutting de offerte van Twente Schuttingen van 24 oktober 2024 tot uitgangspunt moet worden genomen. [gedaagden] heeft aanvankelijk in de brief van
6 maart 2025 zelf aan [eisers] voorgesteld om de beuken- en de coniferenhaag te vervangen door een schutting van grenenhout. Hij heeft daarbij verwezen naar een offerte van Twente Schuttingen van 22 februari 2025. In deze offerte wordt eenzelfde schutting aangeboden als [eisers] thans beoogt (dagvaarding, productie 2 en 3). Tegen deze achtergrond heeft [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd betwist dat een zodanige schutting van dit bedrijf niet, althans onvoldoende deugdelijk is. Dat Douglashout duurzamer is dan grenenhout heeft [gedaagden] niet toegelicht of met stukken gestaafd. Uit de door hem overgelegde e-mailwisseling volgt niet dat bij Twente Schuttingen de kwaliteit van een schutting en/of de wijze waarop deze is geplaatst onvoldoende deugdelijk is.
De conclusie, nevenvorderingen en proceskosten5.20. De slotsom is dat de hiervoor onder 4.1 vermelde primaire vorderingen onder 1. tot en met 3. van [eisers] toewijsbaar zijn, voor zover deze betrekking hebben op de vervanging van de beuken- en de coniferenhaag door een schutting van twee meter hoog. Omdat de primaire vorderingen grotendeels toewijsbaar zijn, wordt aan beoordeling van de subsidiaire vordering niet toegekomen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eisers] als opdrachtgever het gehele bedrag van de factuur voor de schutting aan Twente Schuttingen voldoet. [eisers] moet na ontvangst van de factuur per omgaande een kopie daarvan aan [gedaagden] verstrekken. Dit betekent dat [gedaagden] hierna zal worden veroordeeld tot betaling van de helft van de factuur aan [eisers]
5.21.
De door [eisers] gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat [gedaagden] dit vonnis niet zal nakomen.
5.22.
De kantonrechter oordeelt dat [eisers] geen aanspraak kan maken op de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 227,64. Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking. De vordering van [eisers] is toewijsbaar voor zover deze betrekking heeft op het vervangen van de beuken- en coniferenhaag door een schutting. [gedaagden] heeft voorafgaand aan deze procedure deze vervanging zelf aan [eisers] voorgesteld. Met het oog hierop was het voor [eisers] niet noodzakelijk om incassohandelingen te verrichten en deze procedure te starten. De buitengerechtelijke kosten worden daarom niet redelijk geacht.
5.23.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen en buren van elkaar zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.24.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing geldt in dat geval totdat in hoger beroep een beslissing is genomen. Het door [gedaagden] gevoerde verweer tegen gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring wordt verworpen. [gedaagden] heeft in deze procedure geen overwegend bezwaar tegen de scheidsmuur gegeven, terwijl de (hoge) taxushaag met dit vonnis in stand blijft. De aard van de zaak verzet zich tegen een uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet.

6.6. De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagden] tot volledige en onvoorwaardelijke medewerking binnen zestig dagen na betekening van dit vonnis aan plaatsing van een gezamenlijke ondoorzichtige scheidsmuur op de kadastrale grens tussen de percelen van partijen in de vorm van een schutting van twee meter hoog conform de offerte van Twente Schuttingen van 24 oktober 2024;
6.2. veroordeelt [gedaagden] om de erfgrens vóór plaatsing van de erfafscheiding op de plek van de bestaande beuken- en coniferenhaag (via hun eigen perceel) vrij te maken, hetgeen inhoudt dat [gedaagden] alle beplanting die plaatsing van de erfafscheiding op de erfgrens verhindert vóór plaatsing van de erfafscheiding op hun kosten verwijderd dienen te hebben;
6.3.
veroordeelt [gedaagden] in de helft van de kosten van plaatsing van de erfafscheiding, waarbij de helft van de (eind)factuur van Twente Schuttingen binnen veertien dagen na ontvangst van de kopiefactuur door [gedaagden] aan [eisers] dient te worden voldaan;
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Mul en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.