Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1045

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_1198
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen gedeeltelijke weigering Woo-informatie over inbeslagname melkkoeien

Eiser heeft op 30 mei 2023 een Woo-verzoek ingediend bij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit via de NVWA, met het verzoek om openbaarmaking van alle communicatie en documenten rondom de inbeslagname van melkkoeien in 2017. Na uitblijven van een besluit stelde eiser de minister in gebreke en startte een beroep wegens niet tijdig beslissen. De minister besloot uiteindelijk op 7 september 2023 het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van documenten.

De rechtbank verklaarde het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en verwees het bezwaar naar de minister. Bij besluit van 27 maart 2025 werd het bezwaar gegrond verklaard, het eerdere besluit herroepen en het Woo-verzoek gedeeltelijk toegewezen. De minister vond 29 documenten die deels openbaar werden gemaakt, met enkele documenten geweigerd wegens privacy en strafrechtelijke procedure.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat er meer documenten aanwezig moesten zijn, onder meer beleidsstukken. De minister stelde dat zij voldoende had gezocht en dat de gevraagde aanvullende informatie niet aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de minister de zoekslag voldoende inzichtelijk had gemaakt en dat de stelling van eiser dat er meer documenten zijn niet aannemelijk was gemaakt.

De rechtbank volgde de minister ook in het standpunt dat beleidsstukken niet onder het Woo-verzoek vielen en dat eiser onvoldoende had onderbouwd waarom dergelijke stukken relevant zouden zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard, eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter Steinebach-de Wit op 24 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de gedeeltelijke weigering van het Woo-verzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1198

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], hierna [eiser]

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, hierna de minister

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke toewijzing van het verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo) van [eiser] door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (de NVWA) namens de minister. [eiser] is het niet eens met de gedeeltelijke toewijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de uitgevoerde zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De stelling van de minister dat er verder geen stukken meer onder hem berusten, komt de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. [eiser] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. [eiser] heeft op 30 mei 2023 een Woo-verzoek ingediend bij de minister (de NVWA) waarin hij verzoekt om openbaarmaking van informatie met betrekking tot de inbeslagname op 9 mei 2017 door de NVWA van een tiental melkkoeien op het voormalige melkveebedrijf van [eiser]. Hij verzoekt daarbij om openbaarmaking van alle correspondentie in de vorm van e-mails, telefoonverslagen, verslagen van gesprekken en vergaderingen, sms- en appcontact en alle andere vormen van communicatie in aanloop naar, tijdens en na afloop van de inbeslagname, van onder meer de volgende partijen: het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de LNV), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RVO), de NVWA, de Stichting Controle Orgaan Kwaliteitszaken (hierna: het COKZ), de gemeente Haaksbergen, de politie en het Openbaar Ministerie.
4. Wegens het uitblijven van een besluit op zijn Woo-verzoek heeft [eiser] op 18 juli 2023 de minister in gebreke gesteld.
5. Op 9 augustus 2023 heeft [eiser] vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek van 30 mei 2023.
6. Op 7 september 2023 heeft de minister alsnog beslist op zijn Woo-verzoek. In het besluit van 7 september 2023 wijst de minister het verzoek om openbaarmaking af omdat er geen documenten zijn gevonden die onder de reikwijdte van het verzoek vallen.
7. Bij uitspraak van 18 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep van 9 augustus 2023 wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard. [1] Daarbij heeft de rechtbank het beroep doorgezonden naar de minister om te behandelen als bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 7 september 2023.
8. Bij brief van 8 augustus 2024 heeft [eiser] zijn gronden van bezwaar ingediend bij de minister.
9. Bij besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het door [eiser] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 7 september 2023 herroepen en het Woo-verzoek gedeeltelijk toegewezen. In een nadere zoekslag heeft de minister 29 documenten aangetroffen die onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. De minister heeft deze 29 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Een deel van de informatie maakt de minister niet openbaar wegens eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo). Vier documenten heeft de minister geweigerd openbaar te maken omdat deze niet onder de reikwijdte van de Woo vallen, nu deze documenten integraal onderdeel uitmaken van een strafrechtelijk procesdossier.
10. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij brief van 10 januari 2026 heeft hij zijn beroepsgronden aangevuld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
11. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

12. [eiser] heeft geen gronden naar voren gebracht tegen de gedeeltelijke weigering om informatie openbaar te maken wegens eerbieding van de persoonlijke levenssfeer en de weigering om informatie te verstrekken omdat dit buiten de reikwijdte van de Woo valt. Het beroep beperkt zich dan ook tot de vraag of de minister de zoekslag naar documenten zorgvuldig heeft verricht en voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] voor zover deze zien op de toepassing van de Woo
Het beroep
13. [eiser] stelt zich – samengevat – op het standpunt dat er meer informatie moet zijn dan de minister heeft overgelegd bij het bestreden besluit. De 29 documenten die gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt, waren allemaal al bekend bij [eiser]. Volgens [eiser] volgt uit de inbeslagname van de dieren in 2017, de terugkoop door hemzelf en de wijziging van de diercode door de RVO dat de NVWA meerdere keren heeft gehandeld in strijd met de wet. Opvallend is dat juist informatie en documenten hierover niet openbaar worden gemaakt. Het gaat hierbij volgens [eiser] onder meer over beleidstukken.
14. De minister stelt zich op het standpunt dat zij zich voldoende heeft ingespannen om de documenten te vinden die onder het Woo-verzoek vallen, maar dat de door [eiser] verzochte aanvullende informatie niet aanwezig is.
De beoordeling
15. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. [2]
16. Ter zitting heeft de minister toegelicht hoe de zoekslag heeft plaatsgevonden naar aanleiding van het Woo-verzoek van [eiser] en zijn bezwaarschrift. Bij de NVWA is een speciaal team ‘openbaarmakingen’ dat Woo-verzoeken behandelt. Dit team heeft naar aanleiding van het door [eiser] gedane Woo-verzoek en de toelichting die hij heeft gegeven in de bezwaarfase, bij de betrokken afdelingen (inspectie en handhaving) de vraag uitgezet om relevante documenten en informatie te verzamelen. Daarbij is onder meer gezocht op het (voormalig) adres van [eiser] en de betrokken inspecteurs van de NVWA. Uit deze zoekslag zijn de 29 gedeeltelijk openbaar gemaakte documenten naar voren gekomen.
17. De stelling van de minister dat er niet meer documenten onder hem berusten, komt de rechtbank voldoende geloofwaardig voor. [eiser] heeft met de enkele stelling dat er meer documenten moeten zijn het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
18. Voor zover [eiser] betoogt dat sprake moet zijn van een beleid bij de NVWA en dat stukken en informatie over dit beleid aanwezig moet zijn, overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel het aan het geschil ten grondslag liggende Woo-verzoek van [eiser] niet strekte tot openbaarmaking van beleid en beleidsstukken met betrekking tot de inbeslagname van vee, heeft de minister in de bezwaarfase alsnog gezocht naar dergelijke documenten en geconstateerd dat deze niet aanwezig zijn bij de NVWA. Met de documenten die [eiser] bij zijn aanvullende beroepschrift heeft overgelegd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke stukken wel aanwezig zouden moeten zijn. De rechtbank volgt de minister verder in haar standpunt dat, nu niet duidelijk is om welke publicaties het gaat en waarom deze publicaties eventueel relevant zijn voor de afhandeling van het Woo-verzoek, [eiser] hierop niet zijn stelling kan baseren dat er meer informatie moet zijn dan openbaar is gemaakt bij het bestreden besluit. Dit heeft hij ook niet ten grondslag is gelegd aan zijn Woo-verzoek.
19. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep niet.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] ongelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:4850.