ECLI:NL:RBOVE:2026:1041

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
11814236 \ CV EXPL 25-2256
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 WoningwetArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Woningcorporaties handelen onrechtmatig door weigering huurovereenkomst ondanks urgentieverklaring

Eiser huurde samen met zijn ex-partner een woning van Stichting Woonbedrijf Ieder1, maar na hun relatiebreuk vertrok eiser en heeft sindsdien geen eigen woning. Ondanks een urgentieverklaring weigeren woningcorporaties hem een nieuwe woning te verhuren vanwege eerdere huurachterstanden en overlast veroorzaakt door zijn kinderen.

De kantonrechter stelt dat hoewel contractsvrijheid geldt, woningcorporaties een maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen en in bijzondere gevallen onrechtmatig kunnen handelen door weigering. Eiser heeft een zwaarwegend belang bij een woning om zijn co-ouderschap uit te oefenen en zijn kinderen te ontvangen, wat wordt ondersteund door verklaringen van Veilig Thuis en Team Toegang Jeugd.

De huurachterstand van eiser is lager dan door de corporaties gesteld en hij lost deze af. Overlastmeldingen zijn sinds de zomer van 2025 niet meer voorgekomen, mede doordat het jongste kind onder toezicht is gesteld en elders woont. De kantonrechter weegt het belang van eiser zwaarder dan dat van de corporaties en oordeelt dat de weigering onrechtmatig is.

De vordering tot acceptatie als huurder wordt toegewezen, maar de gevorderde dwangsom en buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. De woningcorporaties worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Woningcorporaties worden veroordeeld eiser te accepteren als huurder vanwege onrechtmatige weigering ondanks urgentieverklaring.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11814236 \ CV EXPL 25-2256
Vonnis van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen,
tegen

1.STICHTING WOONBEDRIJF IEDER1,

te Deventer,
2.
STICHTING RENTREE,
te Deventer,
3.
WOONSTICHTING DE MARKEN,
te Schalkhaar,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de woningcorporaties,
gemachtigde: mr. M. Douwenga.

1.De zaak en het oordeel van de kantonrechter in het kort

1.1.
[eiser] heeft samen met zijn ex-partner een woning gehuurd van Stichting Woonbedrijf Ieder1, waar zij woonden met hun vijf kinderen. De relatie tussen [eiser] en zijn ex-partner is geëindigd, waarna [eiser] de huurwoning heeft verlaten. Sindsdien heeft hij geen eigen woning. [eiser] wil graag opnieuw een woning huren zodat hij daar zijn kinderen kan ontvangen. [eiser] heeft daarvoor een urgentieverklaring gekregen. De woningcorporaties weigeren een huurovereenkomst met [eiser] aan te gaan vanwege de overlast die door de kinderen van [eiser] en zijn ex-partner is veroorzaakt en een huurachterstand van [eiser] in het verleden. [eiser] wil met deze procedure bewerkstelligen dat hij weer een woning kan huren van (één van) de woningcorporaties.
1.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de woningcorporaties, gelet op de door [eiser] aangevoerde belangen én de gewijzigde omstandigheden, onrechtmatig handelen door [eiser] (langer) te weigeren als huurder. De kantonrechter zal de woningcorporaties daarom veroordelen [eiser] te accepteren als huurder, indien hij voor een sociale huurwoning in aanmerking komt. De kantonrechter legt dat hierna uit.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van 8 januari 2026 van [eiser] met producties 3 en 4;
- de brief van 12 januari 2026 van de woningcorporaties met producties 27 en 28;
- de brief van 16 januari 2026 van de woningcorporaties met productie 29;
- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Met ingang van 28 februari 2020 heeft Stichting Woonbedrijf Ieder1 de woning aan [adres] aan [eiser] en (zijn inmiddels ex-partner) [naam] verhuurd. [eiser] en [naam] woonden met hun vijf minderjarige kinderen in de woning. De affectieve relatie tussen [eiser] en [naam] is medio 2023 geëindigd. [eiser] heeft de huurovereenkomst vervolgens op 3 mei 2023 eenzijdig opgezegd en heeft de woning verlaten. [naam] is samen met de kinderen in de woning blijven wonen en was vanaf 3 juni 2023 de enige huurder van de woning.
3.2.
[eiser] en [naam] hebben sinds de aanvang van de huurovereenkomst de huur structureel niet volledig en niet op tijd betaald. Stichting Woonbedrijf Ieder1 is daarom een procedure tegen [eiser] en [naam] gestart. Bij verstekvonnis van de kantonrechter van 21 november 2023 zijn [eiser] en [naam] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur over de periode dat [eiser] nog in de woning woonde van € 1.789,40 (inclusief de al vervallen rente), te vermeerderen met de nog te vervallen rente en de proceskosten. [naam] is veroordeeld tot betaling van de huurachterstand over de periode dat zij enig huurder was. Daarnaast is de huurovereenkomst ontbonden en is [naam] veroordeeld om de woning te ontruimen. Op verzoek van de gemeente Deventer heeft Stichting Woonbedrijf Ieder1 vervolgens aan [naam] een andere woning in [plaats] aangeboden, zodat zij daar met de kinderen kan wonen.
3.3.
Op 23 januari 2024 heeft [eiser] een urgentieverklaring aangevraagd, zodat hij voorrang kan krijgen op andere woningzoekenden bij de toewijzing van een sociale huurwoning. Bij brief van 28 maart 2024 heeft de Urgentiecommissie van regio Stedendriehoek urgentie verleend. De urgentie was geldig in de regio Stedendriehoek vanaf 28 maart 2024 tot en met 28 juli 2024. In de brief staat verder het volgende:
“In de verhuurdersverklaring in uw urgentiedossier staat dat er sprake is geweest van huurachterstand en u overlast heeft veroorzaakt. We noemen dit een negatieve verhuurdersverklaring. Met een negatieve verhuurdersverklaring kan de woningcorporatie u als huurder weigeren. Ook al krijgt u nu urgentie van de urgentiecommissie.”
3.4.
Bij brief van 8 mei 2024 hebben de woningcorporaties aan [eiser] het volgende medegedeeld:
“(…)
In Deventer bespreken de gemeente, politie en de woningcorporaties eenmaal per maand de meest ernstige overlastadressen in de gemeente. In dit overleg is uw adres aan [adres] ook aan de orde gekomen. U bent hierover begin april geïnformeerd per brief. We hebben begrepen dat er naast het veroorzaken van overlast vanaf dat adres ook sprake is van huurachterstand. Dat maakt dat Woonbedrijf Ieder1 geen positieve verhuurdersverklaring kan opstellen.
Door de veroorzaakte overlast in het recente verleden en het ontbreken van een positieve verhuurdersverklaring is er dan ook door de gemeente en de woningcorporaties van de gemeente Deventer afgesproken dat u geen woning toegewezen krijgt.
(…)”
3.5.
[eiser] is daarop een kort geding procedure begonnen. Daarin heeft hij samengevat gevorderd om de woningcorporaties te gelasten hem één of meer passende woningen aan te bieden binnen [plaats]. Bij vonnis van 16 september 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] afgewezen.
3.6.
Na de uitspraak in kort geding heeft de Urgentiecommissie de urgentieperiode op verzoek van [eiser] verlengd tot 1 januari 2025. [eiser] heeft de woningcorporaties nogmaals verzocht om hem een woning toe te wijzen maar dat hebben zij geweigerd.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat, ondanks dat [eiser] urgentie had en heeft, het onrechtmatig is geweest van de woningcorporaties om [eiser] te weigeren als huurder, zoals in het lichaam van de dagvaarding beschreven;
II. de woningcorporaties te verplichten om [eiser] een woning in Deventer aan te bieden, en [eiser] te accepteren als huurder, binnen dertig dagen na het ten deze te wijzen vonnis, op laste van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 25.000,-;
III. de woningcorporaties te veroordelen, hoofdelijk, aan [eiser] te voldoen een bedrag ten titel van buitengerechtelijke kosten van € 450,-, kosten rechtens.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering – kort gezegd – ten grondslag dat het in de gegeven omstandigheden onrechtmatig is dat de woningcorporaties hem door de negatieve verhuurdersverklaring weigeren als huurder. Volgens [eiser] heeft hij een woning nodig om onderdeel te zijn van de opvoeding van zijn kinderen en weegt dat belang zwaarder dan het belang van de woningcorporaties om hem te weigeren als huurder. Daarbij komt dat de negatieve verhuurdersverklaring volgens [eiser] ten onrechte is afgegeven. Ook is er sprake van gewijzigde omstandigheden waardoor er al ruim een half jaar geen overlastmeldingen zijn geweest.
4.3.
De woningcorporaties voeren verweer. Zij voeren – kort gezegd – aan dat er sprake is van contractsvrijheid en zij niet onrechtmatig handelen jegens [eiser] omdat er, gelet op de voorgeschiedenis en de negatieve verhuurdersverklaring, gegronde vrees bestaat dat [eiser] opnieuw de huur niet op tijd betaalt en dat de kinderen van [eiser] op het nieuwe adres ook overlast zullen veroorzaken. De woningcorporaties concluderen daarom tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Contractsvrijheid
5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat bij het al dan niet aangaan van een huurovereenkomst het beginsel van contractsvrijheid het uitgangspunt is. Dat betekent dat de woningcorporaties – binnen de grenzen van de Woningwet – zelf kunnen bepalen of zij een huurovereenkomst met [eiser] willen aangaan.
5.2.
De woningcorporaties hebben wel een maatschappelijke verantwoordelijkheid voor personen die behoren tot de doelgroep uit artikel 46 van Pro de Woningwet (zij die door omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting). Die maatschappelijke verantwoordelijkheid brengt met zich dat het in bijzondere gevallen onrechtmatig is om te weigeren een woning aan de woningzoekende te verhuren. Of een dergelijke bijzondere situatie zich voordoet, is afhankelijk van de gronden die de woningcorporaties aan hun weigering ten grondslag hebben gelegd, in relatie tot het woonbelang van de woningzoekende (Gerechtshof Den Haag, 24 mei 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ6606). Dat betekent dat de belangen van [eiser] moeten worden afgewogen tegen de belangen van de woningcorporaties.
Belangen van partijen
5.3.
[eiser] voert aan dat hij groot belang heeft bij een woning en dat hij daarom ook een urgentieverklaring heeft gekregen. Hij heeft sinds juni 2023 geen vaste woon- of verblijfplaats meer en verblijft afwisselend periodes bij familie en vrienden. Hij heeft belang bij één vaste eigen woonplaats zodat hij onderdeel kan zijn van het leven en de opvoeding van zijn kinderen. [eiser] en [naam] hebben co-ouderschap en hebben de zorg voor de kinderen bij helft verdeeld, maar [eiser] kan zijn kinderen niet ontvangen en geen (wezenlijk) onderdeel zijn van hun opvoeding omdat hij geen woning heeft, aldus [eiser]. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar diverse brieven van Veilig Thuis en Team Toegang Jeugd Deventer. In de brief van 10 juni 2024 van Veilig Thuis is onder andere het volgende opgenomen:
(…)
Aangezien de leeftijden van de 5 kinderen dichtbij elkaar liggen, 5 veel is, en één van de kinderen met gedragsproblemen kampt, is het onmogelijk voor moeder om de zorg alleen te dragen of de kinderen altijd bij elkaar te hebben.
Daarom is het vrij noodzakelijk dat [eiser] [[eiser]] zijn eigen woonplek heeft, waar hij als vader ook zijn kinderen kan laten verblijven en een stuk zorg dragen.
Duidelijk is dat dit van groot belang is voor de ontwikkeling van alle kinderen en het welzijn van de ouders.
(…)
In de brief van Team Toegang Jeugd van 17 juli 2024 is onder andere het volgende opgenomen:
(…)
De taakverdeling is dat zij co-ouderschap hebben maar de meeste dagelijkse zaken door moeder geregeld worden, en door de relatiebreuk zij niet beiden in dezelfde woning willen en kunnen wonen. Omdat vader wel zijn verantwoordelijkheid neemt en zeker wil nemen in de opvoeding is het belangrijk dat hij een eigen woning heeft om zijn vaderschap uit te kunnen voeren.
Dit komt ten goede aan de ontlasting van de moeder en voor de ontwikkeling van de kinderen.
(…)
5.4.
[eiser] voert verder aan dat de negatieve verhuurdersverklaring onterecht is afgegeven. Hij voert aan dat de huurachterstand in het verleden minimaal is, dat hij daar op aflost en dat hij bereid is nadere voorwaarden, zoals het zoeken van schuldhulpverlening, te aanvaarden. Ook voert hij aan dat de overlastmeldingen vooral zien op de periode dat hij niet meer in de woning aan [adres] woonde en dat er bovendien gewijzigde omstandigheden zijn. Hij zet daartoe uiteen dat het jongste kind inmiddels onder toezicht is gesteld en bij zijn tante woont, en dat het oudste kind bij haar oma woont. Zo is er meer rust bij [naam] thuis en zijn er al ruim een half jaar geen overlastmeldingen geweest. Volgens [eiser] heeft hij daarom recht op een tweede kans en mogen de woningcorporaties hem niet nog langer weigeren als huurder.
5.5.
De woningcorporaties voeren aan dat zij vanwege de huurachterstand en de extreme woonoverlast die [eiser] en zijn gezin hebben veroorzaakt aan [adres] in [plaats], aan [eiser] geen woning zullen verhuren, ondanks zijn urgentieverklaring. Gelet op de omstandigheden in het verleden is er volgens de woningcorporaties gegronde vrees dat er opnieuw huurachterstanden zullen ontstaan en dat er ook op dat nieuwe adres overlast zal ontstaan door de kinderen van [eiser]. Zij hebben daarom een zwaarwegend belang [eiser] te weigeren als huurder. Verder voeren zij aan dat [eiser] bij zijn moeder woont en dat hij zijn kinderen daar kan ontvangen. Daarbij komt dat [eiser] nauwelijks op beschikbare huizen heeft gereageerd en ook weinig op woningen buiten Deventer heeft gereageerd, en dat het daarom aan hemzelf te wijten is dat hij nog geen woning heeft. Tot slot vrezen zij voor de veiligheid van de buurt vanwege het strafrechtelijk verleden van [eiser]. Ter onderbouwing daarvan verwijzen zij naar een krantenartikel van de Stentor van 12 januari 2026 en wat zij hebben vernomen in het Multidisciplinair Overleg (MDO) in Deventer.
Belangenafweging
5.6.
De kantonrechter oordeelt dat, gelet op alle omstandigheden, het belang van [eiser] bij een woning zwaarder weegt dan het belang van de woningcorporaties om [eiser] te weigeren als huurder. De kantonrechter legt dat als volgt uit. [eiser] heeft een zwaarwegend belang om na een zwervend bestaan van ruim tweeëneenhalf jaar, een vaste woonplaats te krijgen en daardoor onderdeel te kunnen zijn van het leven van zijn vijf minderjarige kinderen. Met de overgelegde verklaringen van Veilig Thuis en Team Toegang Jeugd heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat het in het belang van de kinderen is dat hij een eigen woning krijgt en in de gelegenheid wordt gesteld zijn co-ouderschap uit te voeren en een gezinsleven met zijn kinderen te hebben. Vanwege dat belang heeft hij ook urgentie verkregen bij het zoeken van een woning. De door de woningcorporaties aangevoerde belangen, die de kantonrechter hierna bespreekt, moeten daarvoor wijken.
5.7.
Zoals de woningcorporaties aanvoeren is er sprake van een huurschuld uit het verleden. Maar zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is de door de woningcorporaties opgegeven hoogte van € 8.460,95, onjuist. In het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 21 november 2023, zijn [eiser] en [naam] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.789,40, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proces- en nakosten. Hoewel daadwerkelijk sprake is van een huurschuld over de periode dat [eiser] nog in de woning aan [adres] woonde en [eiser] daarvoor (mede) verantwoordelijk is, is die schuld aanzienlijk lager dan de woningcorporaties stellen en dan het incasso overzicht van de deurwaarder aangeeft. In dat incasso overzicht is de veroordeling ten laste van [naam] – ten onrechte – ten laste van [eiser] gebracht. Bovendien hebben de woningcorporaties de proceskostenveroordelingen bij de huurachterstand opgeteld, maar die vallen niet onder de huurachterstand uit het verleden. Naar het oordeel van de kantonrechter is het bedrag tot betaling waarvan [eiser] is veroordeeld in de procedure naar aanleiding van de huurachterstand - € 1.789,40 - niet dusdanig hoog dat op basis daarvan op voorhand kan worden aangenomen dat [eiser] in de toekomst geen huur zal (kunnen) betalen. Daarbij komt dat [eiser] naar vermogen aflost op de schuld en ook stelt dat hij onverplicht aflost op de schuld van [naam]. Verder heeft [eiser] onweersproken aangevoerd dat hij in de toekomst in staat is zijn huur te voldoen omdat hij een Wajong uitkering heeft en inkomsten uit een bedrijf heeft (die verrekend worden met zijn uitkering).
5.8.
Het gezin van [eiser] en [naam] heeft in het verleden overlast veroorzaakt. Anders dan [eiser] stelt zien de overlastmeldingen ook op de periode dat hij nog woonde in de woning aan [adres]. Dat kan aan [eiser] worden toegerekend. Ook is duidelijk dat na zijn vertrek nog sprake is geweest van overlast op het adres waar zijn kinderen woonden. Zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken is er echter sprake van nieuwe omstandigheden. Het jongste kind van [eiser] en [naam] is in de zomer van 2025 onder toezicht gesteld en woont inmiddels bij zijn tante, waar het, naar [eiser] stelt, goed met hem gaat. Het oudste kind woont bij haar oma. Er is daardoor meer rust bij [naam] thuis en is er geen sprake meer van overlast door de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de woningcorporaties ook bevestigd dat er sinds de zomer van 2025 geen overlastmeldingen meer zijn geweest. Zoals [eiser] aanvoert zal zijn jongste kind in ieder geval nog een half jaar bij zijn tante wonen en is niet uitgesloten dat hij daar langer zal blijven. Hoewel het volgens de woningcorporaties op dit moment een wankel evenwicht is, constateert de kantonrechter dat er al langere tijd geen sprake meer is van overlast op het huidige adres van [naam]. Daarbij komt dat het volgens de betrokken instanties juist in het belang van de kinderen is dat [eiser] een eigen woning heeft waar hij zijn kinderen kan ontvangen en dat dat ook zal zorgen voor de nodige rust op het woonadres van [naam].
5.9.
De kantonrechter volgt de woningcorporaties niet in hun stelling dat zij gegronde vrees hebben voor de leefbaarheid van de nieuwe buurt vanwege het strafrechtelijke verleden van [eiser]. De woningcorporaties hebben onvoldoende onderbouwd dat de leefbaarheid in de buurt in het geding komt. Er is sprake van een nog niet onherroepelijke straf omdat [eiser] in hoger beroep is gegaan en bovendien kan niet op basis van alleen een krantenartikel worden aangenomen dat [eiser] vuurwapengevaarlijk is of een bedreiging voor de leefbaarheid van de buurt is. Ook is onvoldoende duidelijk geworden wat tijdens het MDO over [eiser] naar voren is gekomen en of op basis daarvan kan worden aangenomen dat hij een gevaar voor de leefbaarheid van de buurt zal zijn.
5.10.
Tot slot voeren de woningcorporaties aan dat [eiser] bij zijn moeder woont en de kinderen daar kan ontvangen. Ook voeren zij aan dat hij te weinig heeft gereageerd op het woningaanbod van de woningcorporaties en te weinig buiten de regio heeft gezocht. De kantonrechter overweegt dat in het midden kan blijven of [eiser] op dit moment bij zijn moeder woont. Zoals [eiser] aanvoert is het voor hem onmogelijk zijn vijf kinderen daar (of op de andere adressen waar hij verblijft) op structurele basis te ontvangen en zijn zorgtaken uit te voeren.
5.11.
Ook volgt de kantonrechter de woningcorporaties niet in het verwijt dat [eiser] te weinig heeft gereageerd op het woningaanbod van de woningcorporaties en te weinig buiten de regio heeft gezocht. [eiser] had immers, ondanks zijn urgentieverklaring, geen reële kans op een woning binnen Deventer. Vaststaat dat de woningcorporaties [eiser] per brief hebben medegedeeld dat zij geen woning aan hem zullen verhuren vanwege de negatieve verhuurdersverklaring. Ook heeft [eiser] voldoende onderbouwd dat hij geen reële kans heeft (gehad) op een woning buiten de regio vanwege de negatieve verhuurdersverklaring. Zoals [eiser] tijdens de mondelinge behandeling onweersproken heeft aangevoerd, heeft hij meerdere keren met succes op een woning buiten de regio gereageerd, maar hebben de woningcorporaties na contact met Stichting Woonbedrijf Ieder1, afgezien van het verhuren van de woning aan [eiser]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Stichting Woonbedrijf Ieder1 bevestigd dat zij inderdaad een (negatieve) verhuurdersverklaring heeft afgegeven over [eiser] en dat zij dat als daar om wordt verzocht, ook telefonisch op hoofdlijnen toelicht waarop die negatieve verhuurdersverklaring is gebaseerd.
5.12.
Het standpunt van de woningcorporaties dat [eiser] na verval van de negatieve verhuurdersverklaring na drie jaar waarschijnlijk wel voor een woning in aanmerking komt, volgt de kantonrechter niet. De woningcorporaties hebben tijdens de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat zij ook na verval van de negatieve verhuurdersverklaring niet aan [eiser] zullen verhuren, vanwege de kennis over [eiser] uit het verleden. Het is naar het oordeel van de kantonrechter ook niet de verwachting dat [eiser] dan wel bij andere woningcorporaties in de regio kan huren, omdat de voorkennis over [eiser] ook bij hen bestaat en bovendien meerdere keren is gebleken dat [eiser] een woning niet heeft gekregen na contact tussen de woningcorporaties binnen de regio. Het gevolg daarvan is dat [eiser] ondanks de urgentieverklaring en het door de betrokken instanties onderschreven belang van zijn kinderen, geen woning kan huren en ook in de toekomst geen daadwerkelijk uitzicht heeft op een woning.
5.13.
Gelet op het voorgaande weegt het belang van [eiser] bij een woning zwaarder dan het belang van de woningcorporaties om hem te weigeren als huurder. De woningcorporaties handelen daarom in dit geval, gelet op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, onrechtmatig door [eiser] niet te accepteren als huurder.
Geen onrechtmatig handelen in het verleden
5.14.
[eiser] vordert onder I. een verklaring voor recht dat de woningcorporaties in het verleden onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door hem, ondanks zijn urgentieverklaring, te weigeren als huurder. De kantonrechter wijst die vordering af. Het handelen van de woningcorporaties is in het verleden niet onrechtmatig geweest omdat er pas sinds de zomer van 2025 sprake is van gewijzigde omstandigheden.
Uitvoerbaarheid van de vordering onder II
5.15.
De woningcorporaties voeren aan dat de vordering onder II. afgewezen moet worden omdat die niet uitvoerbaar is. Volgens de woningcorporaties kunnen zij [eiser] geen woning aanbieden omdat zij geen gezamenlijk woningbestand hebben en zij bovendien wettelijk verplicht zijn een inkomens- en passendheidstoets te doen.
5.16.
De kantonrechter is van oordeel dat de woningcorporaties niet gehouden zijn om [eiser] actief een woning aan te bieden, maar dat zij hem niet langer mogen weigeren op basis van de negatieve verhuurdersverklaring. De kantonrechter zal de woningcorporaties daarom veroordelen om [eiser] te accepteren als huurder, zoals [eiser] ook onder II. vordert. De kantonrechter voegt daaraan toe dat zij [eiser] moeten accepteren als huurder wanneer hij voor een woning in aanmerking komt op basis van urgentie, inschrijfduur of loting en daarnaast alle noodzakelijke procedures bij de woningcorporatie zijn doorlopen, zodat de betreffende woningcorporatie aan haar (wettelijke) verplichtingen kan voldoen.
Dwangsom
5.17.
De kantonrechter zal de door [eiser] gevorderde dwangsom onder II. afwijzen omdat de kantonrechter geen reden heeft om aan te nemen dat de woningcorporaties niet aan de veroordeling zullen voldoen.
Buitengerechtelijke kosten
5.18.
[eiser] vordert € 450,- aan buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter wijst die vordering af omdat [eiser] niet heeft onderbouwd welke buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en of er daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt.
Geen schending art. 21 Rv Pro
5.19.
De woningcorporaties voeren nog aan dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij in strijd met artikel 21 Rv Pro de feiten niet volledig en naar waarheid heeft aangevoerd. Volgens de woningcorporaties volgt uit het feit dat zij, in tegenstelling tot [eiser], een grote hoeveelheid producties in het geding hebben gebracht, dat [eiser] de feiten onvolledig heeft aangevoerd. Daarin volgt de kantonrechter hen niet. [eiser] heeft de feiten (summier) aangevoerd en heeft die ook tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht.
Proceskosten
5.20.
De woningcorporaties zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) hoofdelijk betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
439,47
5.21.
De veroordeling wordt deels hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt de woningcorporaties [eiser] te accepteren als huurder, indien hij voor een woning in aanmerking komt en alle voor het verkrijgen van de woning noodzakelijke procedures bij de betreffende woningcorporatie zijn doorlopen,
6.2.
veroordeelt de woningcorporaties hoofdelijk in de proceskosten van € 439,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de woningcorporaties niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.(mb)