ECLI:NL:RBOVE:2025:7608

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/08/304426 / FA RK 23-2760
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige beslissing over kinderalimentatie in een echtscheidingsprocedure met geschil over samenwonen en draagkracht

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 19 december 2025 een beschikking gegeven over de kinderalimentatie in een echtscheidingsprocedure tussen de vader en de moeder van een minderjarig kind. De vader, vertegenwoordigd door mr. S.H.G. Swennen, en de moeder, vertegenwoordigd door mr. E. Baldan, hebben beiden hun standpunten naar voren gebracht over de hoogte van de kinderalimentatie. De moeder heeft verzocht om een bijdrage van ten minste € 195,- per maand, terwijl de vader verweer heeft gevoerd en een nihilstelling voorstelde voor de duur van één jaar, gevolgd door een bijdrage van € 125,- per maand.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake was van samenwonen tussen de ouders, ondanks de beweringen van de moeder dat zij als een gezin functioneerden. De rechtbank heeft de behoefte van het kind berekend op basis van de inkomens van beide ouders en heeft vastgesteld dat de gezamenlijke draagkracht van de ouders € 1.209,- per maand bedraagt. De rechtbank heeft vervolgens het aandeel van de vader in de kinderalimentatie berekend, wat resulteerde in een voorlopige bijdrage van € 191,- per maand, die de vader moet betalen aan de moeder. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de vader de bijdrage moet betalen, ook als hij in hoger beroep gaat tegen deze beschikking.

De rechtbank heeft de beslissing over de definitieve kinderalimentatie aangehouden in afwachting van de uitkomst van de definitieve zorgregeling. De beschikking is openbaar uitgesproken en kan door belanghebbenden worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen drie maanden na de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familierecht
locatie Zwolle
zaaknummer: C/08/304426 / FA RK 23-2760
Beschikking van 19 december 2025
in de zaak van:
[de vader],
verder te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat mr. S.H.G. Swennen,
tegen
[de moeder],
verder te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat mr. E. Baldan.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 5 augustus 2025 de beslissing over de kinderalimentatie voor de minderjarige
[kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2019, aanhouden in afwachting van aanvullende stukken van de vader en de reactie van de moeder daarop.
1.2.
De rechtbank heeft (daarna) nog de volgende stukken ontvangen:
  • een brief van 23 juli 2025 met producties van de zijde van de vader;
  • een F9-formulier van 1 september 2025 van de zijde van de moeder;
  • een e-mailbericht van 20 oktober 2025 van de zijde van de moeder;
  • een e-mailbericht van 22 oktober 2025 van de zijde van de vader.
1.3.
De vader en de moeder hebben afgezien van een mondelinge behandeling.

2.De feiten

2.1.
De vader is op 30 juli 2024 gehuwd met [naam], nader te noemen [naam].
2.2.
Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar de eerder gegeven beschikkingen van 15 december 2023 en 5 augustus 2025.

3.Het (gewijzigde) verzoek

De moeder heeft bij brief van 24 juni 2025 het verzoek gewijzigd en de rechtbank verzocht de kinderbijdrage vast te stellen op ten minste € 195,- per maand.

4.Het verweer

De vader voert verweer en concludeert tot een nihilstelling voor de duur van één jaar na datum van de beschikking en daarna op € 125,- per maand.

3.De beoordeling

De ingangsdatum
3.1.
De moeder heeft geen ingangsdatum verzocht. Nu zij zelf heeft gesteld dat de vader € 100,- per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] en gelet op de afspraak hierover (zie r.o. 5.10. beschikking 15 december 2023), ziet de rechtbank aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op de datum van deze beschikking.
De behoefte van [kind]
3.2.
De ouders verschillen van mening over de behoefte van [kind], met name over de vraag of zij met elkaar hebben samengewoond en dus over de manier waarop de behoefte moet worden berekend.
3.3.
De moeder is van mening dat de inkomens bij elkaar moeten worden opgeteld omdat er sprake was van een islamitisch huwelijk waarna de ouders fungeerden als één huishouden toen de moeder zwanger raakte van [kind]. Zo aten de ouders samen, sliepen zij doorgaans samen en gingen zij samen op vakantie. Ook hadden zij een gezamenlijke auto. Als de vader niet bij de moeder sliep, was hij overdag wel altijd bij de moeder aanwezig en aten zij samen. Voor het geval de rechtbank rekening houdt met de omstandigheid dat de vader een eigen woning had, blijft de moeder van mening dat de inkomens bij elkaar moeten worden opgeteld, waarbij eventueel rekening gehouden kan worden met hogere woonlasten.
3.4.
De vader betwist de stelling van de moeder dat de ouders hebben samengewoond.
3.5.
De rechtbank overweegt als volgt. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij een relatie met elkaar hadden.
3.6.
De vader heeft al in zijn verzoekschrift gesteld dat de ouders niet hebben samengewoond. De moeder heeft onder punt 5 van haar verweerschrift uiteengezet hoe de relatie van de ouders is verlopen. Volgens haar heeft zij met de vader afgesproken dat hij na het huwelijk zijn huis zou aanhouden en dat de ouders niet zouden gaan samenwonen zodat de vader zich kon terugtrekken wanneer hij dat graag wilde. In punt 6 vervolgt de moeder dat de vader vanaf de zomer van 2018 de helft van de week bij haar verbleef en de andere helft in zijn eigen woning. Vervolgens stelt de moeder dat de vader na de geboorte van [kind] nauwelijks aanwezig was en dat de vader zijn eigen woning had waardoor de ouders niet constant bij elkaar waren. Gelet op de eigen stellingen van de moeder in haar verweerschrift en de betwisting door de vader concludeert de rechtbank dat geen sprake was van een situatie waarin de ouders met [kind] in gezinsverband hebben samengeleefd. Dat zij een islamitisch huwelijk hadden, samen aten, samen sliepen, samen op vakantie gingen en een gezamenlijke auto hadden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders omdat dit ook mogelijk is in een situatie waarin ouders niet met elkaar in gezinsverband samenleven. Aan de stelling van de moeder dat eventueel nog rekening gehouden kan worden met hogere woonlasten gaat de rechtbank voorbij, nu woonlasten geen rol spelen bij het vaststellen van de behoefte.
3.7.
De rechtbank volgt de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatie om in het geval de ouders niet met het kind in gezinsverband hebben samengeleefd, de behoefte te berekenen door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte berekend op basis van het inkomen van de andere ouder. De rechtbank beoordeelt dus wat de kosten van [kind] bij iedere ouder afzonderlijk zijn in de fictieve situatie dat [kind] alleen bij die ouder opgroeit. Bij het inkomen van iedere ouder afzonderlijk wordt daarom ook (fictief) rekening gehouden met het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting als aan de voorwaarden wordt voldaan om hiervoor in aanmerking te komen.
3.8.
Vervolgens is de vraag van welk jaar moet worden uitgegaan voor het bepalen van de behoefte. De vader stelt dat de ouders een relatie met elkaar hebben gehad tot begin 2020. De advocaat van de moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling van 4 juli 2025 gesteld dat 2021 het laatste jaar is geweest dat de ouders samen waren. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de vader in de gelegenheid gesteld onder andere de IB-aangifte 2021 over te leggen. Vervolgens legt de vader bij brief van 23 juli 2025 de belastingaanslag van beide ouders van 2020 over. De rechtbank ziet aanleiding de behoefte van [kind] te berekenen aan de hand van de inkomensgegevens van 2020, nu dat het laatste volledige jaar is geweest dat de ouders een relatie hadden.
3.9.
De vader had blijkens de aanslag IB 2020 een verzamelinkomen van € 29.476,-. De rechtbank gaat ervan uit dat dit alleen inkomen uit arbeid is, zoals de vader zelf ook heeft gedaan in zijn berekening. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de (belasting)tarieven van 2020 berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vader op € 2.044,- per maand. Bij het inkomen moet het kindgebonden budget van € 318,- per maand worden opgeteld. Nu de rechtbank weet wat de vader te besteden had, kan de rechtbank berekenen wat dus de behoefte van [kind] is in de fictieve situatie dat [kind] alleen bij hem opgroeit. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt de vader bij een inkomen van € 2.362,- (2.044 + 318), gemiddeld € 284,- per maand zou uitgeven voor [kind] in 2020.
3.10.
De moeder had blijkens de aanslag IB 2020 een verzamelinkomen van € 45.978,-. Uit andere stukken leidt de rechtbank af dat de moeder een eigen woning heeft, maar voor de rechtbank is niet na te gaan welk deel van dit inkomen ziet op de eigen woning. Daarom zal de rechtbank bij gebrek aan andere inkomensgegevens van 2020 uitgaan van het gehele verzamelinkomen. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de (belasting)Tarieven van 2020 berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de moeder op € 2.770,- per maand. Bij het inkomen moet het kindgebonden budget van € 227,- per maand worden opgeteld. Uit die tabellen volgt de vrouw bij een inkomen van 2.997,- (2.770 + 227), gemiddeld € 380,- per maand zou uitgeven voor [kind] in 2020.
3.11.
Het gemiddelde van de behoefte op basis van het inkomen van de vader en van de behoefte op basis van het inkomen van de moeder bedraagt dan € 332,- [(284 + 380) / 2] per maand. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat per 1 januari 2025 € 408,- per maand.
Draagkracht van de vader
Inkomen
3.12.
Tussen de ouders is in geschil de vraag of rekening gehouden moet worden met een tweede baan. De moeder heeft van gemeenschappelijke vrienden begrepen dat de vader twee werkgevers heeft. De vader heeft betwist dat hij ook nog ander werk heeft. Uit de overgelegde salarisspecificaties van de vader blijkt dat hij fulltime werkt. De rechtbank ziet daarom geen reden om ervan uit te gaan dat de vader nog een baan heeft. Voor de draagkracht van de vader gaat de rechtbank daarom uit van de door hem bij brief van
23 juli 2025 overgelegde salarisspecificaties. Hieruit blijkt een inkomen van € 3.018,37 bruto, een ploegentoeslag van € 845,14 bruto, een pensioenpremie van € 187,71, een premie WIA van € 2,39 een premie AOV-Hiaat van € 7,77 en een premie PAWW van € 7,57, alles per maand. Verder heeft de vader recht op vakantietoeslag en heeft hij onweersproken gesteld dat hij een dertiende maand ontvangt van € 525,- per jaar. Gelet op dit bedrag in relatie tot zijn bruto maandinkomen gaat de rechtbank ervan uit dat dit een belaste gratificatie is en zal die opnemen onder post 48. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de (belasting)tarieven van 2025 berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vader op € 3.147,- per maand.
Kosten van levensonderhoud
3.13.
Tussen de ouders is verder in geschil of rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de vader opnieuw is gehuwd met [naam] en dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien omdat zij nog een inburgeringscursus moet volgen.
3.14.
Uit de toelichting van artikel 1:404 van het Burgerlijk Wetboek blijkt het volgende. Heeft de onderhoudsplichtige een nieuw gezin dan geldt als uitgangspunt dat het enkele feit dat de vader een leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, die tot een ongunstige verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de kinderalimentatie op een lager bedrag te stellen dan voordien het geval zou zijn geweest. De omstandigheden van het concrete geval kunnen echter wel tot een aanpassing leiden. Daarbij gaat het om de mate waarin de voor het kind gevraagde bijdrage een redelijk bestaansniveau van het nieuwe gezin aantast, de aanwezigheid van kinderen in het nieuwe gezin en de mogelijkheden voor inkomensvermeerdering van vader en diens nieuwe partner (HR 2 december 1994,
NJ 1995/287; HR 18 februari 2000, NJ 2000/308 en HR 21 december 2007,
ECLI:NL:HR:2007:BC0658, NJ 2008/28, RFR 2008/28).
3.15.
Als de nieuwe partner zelf voldoende inkomsten heeft of kan verwerven om in het eigen levensonderhoud te voorzien, wordt volgens de aanbevolen rekenwijze de onderhoudsplichtige als een alleenstaande aangemerkt. De nieuwe partner kan dan een bijdrage leveren in de gemeenschappelijke woonlasten, in beginsel de helft van het woonbudget. Als de nieuwe partner geen vergunning tot verblijf heeft en om die reden in Nederland geen arbeid mag verrichten, kan deze niet door arbeid in het eigen levensonderhoud voorzien.
3.16.
De vader heeft bij brief van 17 maart 2025 een brief van de IND van 6 maart 2025 overgelegd, waaruit blijkt dat [naam] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd krijgt met als verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [de vader]’ en dat de arbeidsmarktaantekening is: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’. Hieruit leidt de rechtbank af dat [naam] in Nederland arbeid mag verrichten en gaat de rechtbank ervan uit dat zij door arbeid in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank de vader als alleenstaande zal aanmerken.
Berekening draagkracht
3.17.
De rechtbank berekent de draagkracht van de vader als volgt 70% [3.147 – (0,3 x 3.147 + 1.310)]. Hieruit volgt een bedrag van € 625,- per maand.
Draagkracht van de moeder
3.18.
Voor de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van de door de vader bij brief van 23 juli 2025 overgelegde salarisspecificaties. Hieruit blijkt een inkomen van
€ 2.452,- bruto, een premie OP van € 248,62, een premie AP van € 1,21, alles per maand. Daarnaast heeft de moeder recht op vakantietoeslag. Ten slotte ontvangt de moeder een eindejaarsuitkering. Over de periode van april tot en met juni 2025 is die berekend op
€ 581,33 bruto. Geëxtrapoleerd naar een heel jaar bedraagt de eindejaarsuitkering dan
€ 2.325,32 bruto. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de (belasting)tarieven van 2025 en het kindgebonden budget inclusief éénouderkop berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de moeder op € 3.063,- per maand.
3.19.
De rechtbank berekent de draagkracht van de moeder dan als volgt: 70% [3.063– (0,3 x 3.063 + 1.310)]. Hieruit volgt een bedrag van € 584,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht en aandeel van de ouders
3.20.
De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt € 1.209,- (625 + 584) per maand. Omdat de gezamenlijke draagkracht van de ouders groter is dan de behoefte van [kind] moet een draagkrachtvergelijking worden gemaakt. Het aandeel van de ouders berekent de rechtbank als volgt: eigen draagkracht / totale draagkracht x behoefte.
Het aandeel van de vader bedraagt dan afgerond € 211,- (625 / 1.209 x 408) per maand.
Het aandeel van de moeder bedraagt dan afgerond € 197,- (584 / 1.209 x 408) per maand.
Zorgkorting
3.21.
Tussen de ouders is de zorgkorting in geschil. De vader stelt dat uitgegaan moet worden een zorgkorting van 25% omdat zowel de rechtbank als de raad nogmaals hebben herhaald dat er geen reden is om af te wijken van de normale omgang waarbij [kind] om het weekend en de helft van de vakanties bij de vader is. Een afwijking van dit percentage is in de ogen van de vader een bonus voor de moeder om niet mee te werken aan de omgang.
3.22.
De vrouw stelt dat een zorgkorting van 5% recht doet aan de zorgregeling die er nu ligt. Een zorgkorting van 25% vindt de moeder veel te voorbarig.
3.23.
De rechtbank ziet, gelet op de huidige situatie waarin sprake is van begeleide omgang, aanleiding om nu uit te gaan van een zorgkorting van 5%. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 20,- per maand. Dit bedrag brengt de rechtbank in mindering op het aandeel van de vader.
Conclusie
3.24.
Gelet op al het voorgaande bedraagt de door de vader te betalen bijdrage met ingang van heden € 191,- (211 – 20) per maand. De rechtbank acht deze bijdrage op dit moment in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal deze bijdrage als voorlopige bijdrage opleggen en de beslissing over de definitieve kinderbijdrage aanhouden in afwachting van de beslissing over de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank zal beslissen dat de vader de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.25.
De rechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals
is verzocht. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechter geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beslist dat de vader met ingang van heden een bedrag van € 191,- per maand moet betalen aan de moeder, als
voorlopigekinderbijdrage;
4.2.
beslist dat de vader deze bijdrage steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
houdt de beslissing over de
definitievekinderbijdrage aan in afwachting van de beslissing over de definitieve zorgregeling.
Dit is de beslissing van (kinder)rechter mr. A.M. Mensink, in tegenwoordigheid van J.C. Bouman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.