ECLI:NL:RBOVE:2025:7308
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een fysiotherapeut na post-covid klachten
In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 15 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiser, een fysiotherapeut, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid per 9 april 2024, die door het UWV op 66,14% is vastgesteld. Eiser betoogt dat hij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen, vooral als gevolg van aanhoudende klachten na meerdere coronabesmettingen. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld op 21 november 2025, waarbij eiser en zijn partner aanwezig waren, evenals de gemachtigde van het UWV.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed gemotiveerd zijn. De rechtbank concludeert dat er geen geobjectiveerde afwijkingen zijn die erop wijzen dat de beperkingen van eiser zijn onderschat. Eiser heeft weliswaar medische stukken ingebracht, maar deze zijn niet voldoende om aan te tonen dat hij volledig arbeidsongeschikt is. De rechtbank oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser 66,14% arbeidsongeschikt is, en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht en geen vergoeding van proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van objectieve medische gegevens in de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en de rol van de verzekeringsarts in het vaststellen van beperkingen. De rechtbank volgt de lijn van de Centrale Raad van Beroep dat de subjectieve beleving van klachten niet beslissend is, maar dat alleen medisch te objectiveren beperkingen relevant zijn voor de beoordeling.