ECLI:NL:RBOVE:2025:7308

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ak_25_1221
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een fysiotherapeut na post-covid klachten

In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel op 15 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiser, een fysiotherapeut, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid per 9 april 2024, die door het UWV op 66,14% is vastgesteld. Eiser betoogt dat hij meer beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen, vooral als gevolg van aanhoudende klachten na meerdere coronabesmettingen. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld op 21 november 2025, waarbij eiser en zijn partner aanwezig waren, evenals de gemachtigde van het UWV.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed gemotiveerd zijn. De rechtbank concludeert dat er geen geobjectiveerde afwijkingen zijn die erop wijzen dat de beperkingen van eiser zijn onderschat. Eiser heeft weliswaar medische stukken ingebracht, maar deze zijn niet voldoende om aan te tonen dat hij volledig arbeidsongeschikt is. De rechtbank oordeelt dat het UWV op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser 66,14% arbeidsongeschikt is, en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht en geen vergoeding van proceskosten.

De uitspraak benadrukt het belang van objectieve medische gegevens in de beoordeling van arbeidsongeschiktheid en de rol van de verzekeringsarts in het vaststellen van beperkingen. De rechtbank volgt de lijn van de Centrale Raad van Beroep dat de subjectieve beleving van klachten niet beslissend is, maar dat alleen medisch te objectiveren beperkingen relevant zijn voor de beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1221

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

gemachtigde: [gemachtigde].

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Topfit fysiostherapie te Lelystad.

Samenvatting

1.1.
Het gaat in deze zaak over de vraag of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 9 april 2024 heeft vastgesteld op 66,14%. Volgens eiser heeft hij meer (medische) beperkingen dan het UWV heeft aangenomen. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de door hem aangevoerde argumenten (beroepsgronden).
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser is met het besluit van 9 april 2024 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar 65,87% arbeidsongeschiktheid. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
In de bezwaarprocedure heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het maatmanuurloon aangepast wegens een wijziging in de indexering. Als gevolg hiervan is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd en vastgesteld op € 66,14% met het besluit op bezwaar van 7 april 2025.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn partner [naam] en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
Eiser is fysiotherapeut en heeft in 1998 een eenmanspraktijk fysiotherapie overgenomen. Deze onderneming is uitgebreid naar drie locaties. In 2014 heeft een fusie plaatsgevonden waarbij eiser mede-eigenaar is geworden. In 2019 is de praktijk verkocht en is eiser fulltime als fysiotherapeut in loondienst gekomen op de locaties Zwolle en Kampen.
3.2.
Na een aantal ziekmeldingen, waarvan de eerste in februari 2020, heeft eiser zich op 12 april 2022 ziek gemeld. Tijdens de wachttijd heeft eiser tevergeefs getracht te re-integreren maar uiteindelijk heeft hij zijn werk volledig gestaakt.
3.3.
Op 27 december 2023 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV eiser met ingang van 9 april 2024 een loongerelateerde uitkering toegekend. Deze uitkering is in september 2024 omgezet in een vervolguitkering met een aanvullende toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Het standpunt van het UWV
4.1.
Volgens het UWV is eiser per 9 april 2024 in staat om vier uur per dag en twintig uur per week te werken, mits in dat werk rekening gehouden wordt met eisers beperkingen op fysiek en mentaal vlak. In de voor hem geselecteerde voorbeeldfuncties zou hij nog een zodanig loon kunnen verdienen dat hij voor 66,14 % arbeidsongeschikt wordt geacht. Eiser is nog in staat om bijvoorbeeld vier uur per dag te werken als schadecorrespondent, archiefmedewerker of als medewerker postverzorging (intern).
Eiser heeft weliswaar medische stukken ingebracht, maar hieruit blijkt volgens het UWV niet dat de ernst van de beperkingen op 9 april 2024 is onderschat. Het UWV heeft gewezen op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaruit volgt dat niet de subjectieve beleving van klachten beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen in objectieve zin bij de belanghebbende zijn vast te stellen, maar alleen de medisch te objectiveren beperkingen [1] .
Het standpunt van eiser
4.2.
In het beroepschrift en op de zitting heeft eiser zijn standpunt als volgt naar voren gebracht. Eiser heeft ernstige aanhoudende klachten na meerdere coronabesmettingen. Hij is als gevolg van die klachten niet in staat vier uur per dag en twintig uur per week te werken. Eiser begrijpt niet dat de arts van het UWV na een gesprek van een uur de voor eiser geldende beperkingen van eiser heeft vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML), zonder dat er testen zijn uitgevoerd. Ook is geen rekening gehouden met het feit dat er na inspanning altijd een lichamelijke reactie volgt. Zo moest eiser drie weken herstellen van de hoorzitting bij het UWV. Eiser heeft in beroep verwezen naar de medische informatie van zijn behandelaars. Zijn ergotherapeut heeft beschreven dat eiser na een coronabesmetting kampt met de gevolgen daarvan in de vorm van sterk verminderde energie en verminderd cognitief functioneren. Revalidatiearts Klatte heeft ook over eiser gerapporteerd, en daarin eisers klachten beschreven. Het betrof géén algemene opsomming van veel voorkomende klachten. De revalidatiearts kende eiser al beroepsmatig uit de tijd dat eiser nog niet ziek was, en heeft daarom uitgebreid over hem kunnen rapporteren. Ook uit de journaalgegevens van zijn huisarts blijkt dat eiser al lange tijd klachten heeft en dat deze zeker niet minder zijn geworden. In september 2025 is eiser voor een intake bij de Vermoeidheidkliniek geweest. Hem is een multidisciplinaire behandeling van 12 maanden voorgesteld. Eiser heeft erop gewezen dat de brieven van na de datum in geding dateren omdat hij ze in beroep heeft opgevraagd, maar de beschreven klachten had hij in april 2024 ook.
Eiser brengt zijn dagen grotendeels thuis zittend op de bank door. Als hij met zijn partner naar hun boot gaat, zoeken ze vooral de rust op. Drukte vermijdt hij. Ondanks dat hij zo zijn belastbaarheid probeert te managen zijn de klachten verergerd. Hij heeft daarom inmiddels een melding wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid gedaan.

Overwegingen

5.1.
Het geschil gaat in de kern om de vraag of het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiser op 9 april 2024 wel arbeidsongeschiktheid is, maar niet volledig.
5.2.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijk geven van een zorgvuldig onderzoek en deugdelijk gemotiveerd, duidelijk en concludent zijn. Uit de rapporten blijkt ook dat de artsen een volledig beeld hebben gehad van de medische situatie. De door eiser naar voren gebrachte klachten zijn op een zorgvuldige en duidelijke manier betrokken bij de beoordeling. Dat geldt ook voor de door eiser ingebrachte medische informatie.
5.3.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het medisch oordeel onjuist is. De rechtbank vindt dat de artsen van het UWV voldoende overtuigend hebben gemotiveerd dat eiser weliswaar forse beperkingen heeft als gevolg van post-covid, maar dat er op de datum in geding geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden. Op 12 maart 2024 heeft de verzekeringsarts de functionele mogelijkheden van eiser vastgesteld. Geconcludeerd is dat eiser slechts beperkt belastbaar is, zowel fysiek als mentaal. Hij kan wel werken, maar alleen in werk dat past bij zijn belastbaarheid en maar maximaal vier uren per dag c.q. twintig per week. Het moet daarom gaan om regelmatig en fysiek niet te zwaar werk, zonder nacht- en late avonddiensten. In het werk mag geen sprake zijn van overmatige auditieve en visuele prikkels/ afleiding door anderen, geen veelvuldige storingen en onderbrekingen, geen veelvuldige productiepieken of deadlines, geen dwingend hoog handelingstempo. Ook is het sociaal functioneren beperkt (zoals conflict hanteren en leidinggeven) en moeten er geen intensieve cliënt- of patiëntcontacten zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapporten van 20 maart 2025 bevestigd dat rekening gehouden is met de door eiser ervaren klachten en beperkingen, inclusief cognitieve problemen, overgevoeligheid voor prikkels en beperkte inspanningstolerantie. Het ontbreekt aan geobjectiveerde afwijkingen om nog meer beperkingen te stellen.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat uitgebreide beperkingen zijn aangenomen, zowel fysiek als mentaal, zodat de geduide functies niet zwaar belastend zullen zijn. Ook is een forse urenbeperking gesteld waarbij eiser maximaal vier uur per dag en twintig uur per week belastbaar wordt geacht in (licht) passend werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er terecht op gewezen dat er geen rapporten of onderzoeken zijn ingebracht die objectieve gegevens bevatten waaruit volgt dat de aangenomen beperkingen zijn onderschat. De ingebrachte rapporten gaan met name in op de door eiser ervaren klachten, maar de subjectieve beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak niet beslissend. Van belang zijn alleen de medisch te objectiveren beperkingen. De rechtbank is er niet van overtuigd dat met de nu aangenomen belastbaarheid van eiser de medische feiten onvoldoende zijn gewogen.
5.5.
De rechtbank vindt ook van belang dat de arbeidsdeskundige in het rapport van 9 april 2024 uitvoerig heeft gemotiveerd welke functies aan de gestelde voorwaarden voldoen. Daarbij heeft de arbeidsdeskundige in het bijzonder aandacht besteed aan de werkomgeving in de voorgestelde functies. Hij heeft toegelicht dat in die functies op eenvoudige wijze aanpassingen zijn te plegen indien nodig en ook veelal de gelegenheid bestaat om vanuit huis te werken. Voor de rechtbank is duidelijk dat er in ieder geval voorbeeldfuncties zijn geselecteerd die passen bij eisers medische problematiek. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in het rapport van 2 april 2025 berekend dat vergelijking van het inkomen dat eiser in die voorbeeldfuncties zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, een verlies aan verdienvermogen te zien geeft van 66,14 %. Tegen de arbeidsdeskundige beoordeling van het bestreden besluit heeft eiser overigens geen afzonderlijke beroepsgronden naar voren gebracht.
5.6.
Op de zitting heeft eiser toegelicht hoe in zijn dagelijkse leven iedere inspanning te veel is. De rechtbank kan zich goed voorstellen dat het voor eiser frustrerend moet zijn dat hij dit dagelijks ervaart, en dat de huidige beoordeling voor hem geen recht doet aan zijn situatie. De rechtbank ziet hierin echter geen aanknopingspunten om het beroep van eiser gegrond te achten en het besluit van het UWV te vernietigen.

Conclusie en gevolgen

6. Het UWV heeft eiser per 9 april 2024 op goede gronden 66,14 % arbeidsongeschikt geacht. Het beroep eiser is ongegrond. Dit betekent dat hij geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
De griffier is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verwezen wordt naar de uitspraak van de CRvB van 19 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:276