ECLI:NL:CRVB:2025:276
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van het UWV om haar een WIA-uitkering toe te kennen per 10 oktober 2019, omdat zij volgens het UWV minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank had eerder het besluit van het UWV vernietigd wegens een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek, waarna het UWV een aanvullend onderzoek liet uitvoeren. Dit leidde tot een nieuw besluit waarin de weigering werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde dit nieuwe besluit vervolgens gegrond.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek nog steeds onvoldoende zorgvuldig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het aanvullend onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en gedegen was, met een uitgebreide medische anamnese en psychisch onderzoek. De Raad stelt vast dat er geen aanwijzingen zijn dat de vastgestelde belastbaarheid onjuist is of dat er medische informatie ontbreekt.
Daarnaast is de arbeidskundige beoordeling dat appellante geschikt is voor haar eigen werk, voldoende gemotiveerd. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, waardoor de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.