ECLI:NL:RBOVE:2025:7271

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
11678536 \ EJ VERZ 25-123
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eindbeschikking over opzegging arbeidsovereenkomst tijdens proeftijd wegens chronische ziekte

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Overijssel op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [verzoeker] en Securitas Beveiliging B.V. De zaak betreft de opzegging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] tijdens de proeftijd, waarbij de werkgever, Securitas, niet heeft kunnen aantonen dat de chronische ziekte van [verzoeker] geen rol heeft gespeeld bij deze opzegging. De kantonrechter oordeelde dat Securitas in strijd heeft gehandeld met de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) en dat [verzoeker] recht heeft op een billijke vergoeding. De procedure begon met een verzoek van [verzoeker] om de opzegging te toetsen aan de wetgeving omtrent gelijke behandeling. In een eerdere tussenbeschikking op 7 oktober 2025 had de kantonrechter al geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen waren dat de ziekte van [verzoeker] een rol speelde bij de opzegging. Securitas kreeg de kans om bewijs te leveren dat dit niet het geval was, maar slaagde hier niet in. De kantonrechter concludeerde dat de ziekte van [verzoeker] wel degelijk een factor was in de beslissing van Securitas om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De kantonrechter stelde de billijke vergoeding vast op € 7.500,- bruto, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, waaronder de ernst van het handelen van Securitas en de schade die [verzoeker] had geleden. Daarnaast werden de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] toegewezen aan Securitas, die in het ongelijk werd gesteld.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 11678536 \ EJ VERZ 25-123
Beschikking van 2 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. S.B.H. Dijkstra,
tegen
SECURITAS BEVEILIGING B.V.,
te Breukelen,
verwerende partij,
hierna te noemen: Securitas,
procederend in persoon.

1.Het oordeel in het kort

1.1.
In de tussenbeschikking van 7 oktober 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat dat [verzoeker] voldoende feiten heeft aangevoerd die aanleiding geven voor het vermoeden dat zijn chronische ziekte een rol heeft gespeeld bij de beslissing van Securitas om de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] tijdens de proeftijd op te zeggen. Securitas is in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat zij niet in strijd de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (wgbh/cz) heeft gehandeld.
1.2.
De kantonrechter komt in deze beschikking tot het eindoordeel dat Securitas er niet in is geslaagd te bewijzen dat de chronische ziekte van [verzoeker] geen rol heeft gespeeld bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst en dat Securitas daarom een billijke vergoeding aan [verzoeker] moet betalen. De kantonrechter legt dat hierna uit.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de akte uitlating van Securitas;
- de antwoordakte van [verzoeker].
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
3. De verdere beoordeling
3.1.
Gelet op hetgeen partijen in het verzoekschrift, het verweerschrift en bij de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht staat vast dat ([naam 1] als leidinggevende bij) Securitas voor het eerst met de ziekte van [verzoeker] bekend werd tijdens het teamoverleg van 18 februari 2025 (bij welk overleg [verzoeker] niet aanwezig was), en dat deze ziekte door een collega ter sprake is gebracht. Ook staat vast dat [verzoeker] kort daarna is uitgenodigd voor een gesprek met Securitas op 27 februari 2025.
Verder staat, hoewel partijen over een aantal aspecten van dat gesprek een verschillende lezing hebben gegeven, vast dat:
  • i) ([naam 1] als leidinggevende bij) Securitas dat gesprek is aangevangen met de mededeling dat hij had vernomen dat [verzoeker] ziek is,
  • ii) [verzoeker] daarna de aard van zijn chronische ziekte heeft toegelicht en
  • iii) Securitas vervolgens heeft benoemd dat het vertrouwen in hem is geschaad om welke reden proeftijdontslag volgt (volgens [verzoeker] in verband met het verzwijgen van zijn ziekte, volgens Securitas in verband met het verzwijgen van het niet volledig lopen van de beveiligingsrondes).
3.2.
De kantonrechter heeft in verband met het voorgaande in rechtsoverweging 5.13 van de tussenbeschikking van 7 oktober 2025 geoordeeld dat [verzoeker] voldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven voor het vermoeden dat zijn chronische ziekte een rol heeft gespeeld bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd, zodat het (op grond van artikel 10 wgbh/cz) aan Securitas is om te bewijzen dat niet in strijd is gehandeld met die wet.
3.3.
In rechtsoverweging 5.14 en 6.1 van de tussenbeschikking is (anders dan in rechtsoverweging 5.13) vervolgens door de kantonrechter abusievelijk overwogen dat Securitas (gelet op het door Securitas gedane (getuigen)bewijsaanbod)
tegenbewijs dient te leveren, en in zoverre komt de kantonrechter daarop terug. Redengevend daarvoor is dat uit de wgbh/cz volgt dat Securitas in een dergelijke situatie dient te bewijzen dat
nietin strijd met de bepalingen van de wgbh/cz is gehandeld (tegen
deelbewijs) en niet slechts het bewijsvermoeden dient te ontzenuwen (tegenbewijs). [2] Dat volgt ook uit artikel 10 van de richtlijn waarop de wgbhz/cz is gebaseerd. [3]
3.4.
Securitas voert in haar akte samengevat aan dat zij geen wetenschap had van de chronische ziekte van [verzoeker] en dat zij niet in strijd met de wgbh/cz heeft gehandeld omdat het niet volledig lopen van zijn beveiligingsronde en het verzwijgen daarvan door [verzoeker] de reden was voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Zij verwijst daarbij naar drie (geanonimiseerde) verklaringen van oud-collega’s van [verzoeker] die zij bij de akte heeft overgelegd. Securitas heeft – ondanks haar ter zitting specifiek gedane aanbod tot het doen horen van getuigen – afgezien van verdere bewijslevering.
3.5.
[verzoeker] concludeert bij antwoordakte dat Securitas niet in de bewijslevering is geslaagd. [verzoeker] voert in zijn akte ook aan dat de verklaringen buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat die anoniem zijn en hij zich daar niet goed tegen kan verweren. De kantonrechter volgt [verzoeker] daarin niet. Omdat de verklaringen anoniem zijn moeten zij met de nodige terughoudendheid worden bezien, maar dat betekent niet dat de verklaringen niet kunnen meewegen in de beoordeling.
3.6.
In de door Securitas overgelegde verklaringen is het volgende opgenomen.
Verklaring in de e-mail van 1 mei 2025:
“Toen wij opnieuw aankwamen bij de receptie (gebouw A) zei [verzoeker][[verzoeker] – kantonrechter]
tegen mij, als je het niet erg vind dan wacht ik even hier. Ik stond al op de wentel trap en keek [verzoeker] aan en zei maar dan zie je het dak niet en het first data centre niet. Hierop reageerde hij nogal nonchalant en ongeïnteresseerd. (…)
Diezelfde dienst, rond 15:15 uur. Vertelde hij gelijk aan mij en [naam 2] dat hij lymfklierkanker heeft maar dat wij dat niet mochten delen met [naam 3] en jou omdat hij het bewust niet heeft verteld aan jullie en hij anders bang was dat hij ontslag zou krijgen.”
Verklaring in de e-mail van 14 oktober 2025 8:59 uur:
“Het enige wat ik kan zeggen hierover is dat dhr. [verzoeker] is dat hij ongeïnteresseerd over kwam. Ik hoop dat je hier iets aan hebt.”
Verklaring in de e-mail van 14 oktober 2025 7:01 uur:
“Het enige wat ik hierover kan zeggen is dat wat ik gisteren ook gezegd heb. Ik was een verhaal aan het afsteken over Genetec tegen [verzoeker] en hij vond op dat moment wat er buiten gebeurde belangrijker dan het verhaal wat ik te melden had over Genetec dus had zijn aandacht er niet bij.”
Securitas is niet in de bewijslevering geslaagd
3.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter is Securitas niet in geslaagd in haar bewijslevering. Vooropgesteld overweegt de kantonrechter dat de overgelegde verklaringen alleen zien op de inhoud van het teamoverleg van 18 februari 2025 en dat Securitas geen bewijs heeft overgelegd van de inhoud van het gesprek op 27 februari 2025. Zij heeft [naam 4] en [naam 1], die namens Securitas aanwezig waren bij dat gesprek, niet onder ede laten horen en heeft ook geen schriftelijke verklaringen van dat gesprek overgelegd.
3.8.
Als van de juistheid van de verklaring van 1 mei 2025 wordt uitgegaan, volgt daaruit dat één collega tijdens het teamoverleg van 18 februari 2025 heeft aangegeven dat [verzoeker] zijn beveiligingsronde niet volledig heeft gelopen, maar dat is op zichzelf onvoldoende om te bewijzen dat de ziekte van [verzoeker] géén rol heeft gespeeld bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst op 27 februari 2025. Vast staat dat [naam 1] tijdens het teamoverleg van 18 februari 2025 ook voor het eerst bekend raakte met de ziekte van [verzoeker] en [naam 1] hem kort daarna heeft uitgenodigd voor het gesprek op 27 februari 2025. Dat gesprek is aangevangen met de mededeling van [naam 1] dat hij heeft vernomen dat [verzoeker] ziek was, waarna [verzoeker] een toelichting op zijn ziekte heeft gegeven, en aan [verzoeker] vervolgens is meegedeeld dat hij in verband met geschaad vertrouwen wordt ontslagen. De omstandigheid dat zijn ziekte (als eerste) aan de orde komt in het gesprek dat als doel had hem van het proeftijdontslag op de hoogte te brengen, vormt een (sterke) aanwijzing dat de ziekte wel een rol heeft gespeeld bij het ontslag.
Daarbij komt dat – gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoeker] – niet is vast komen dat Securitas in dat gesprek de reden van ontslag – geschaad vertrouwen – heeft gekoppeld aan de omstandigheid dat [verzoeker] had verzwegen dat hij zijn rondes niet volledig liep. Volgens [verzoeker] heeft Securitas het verzwijgen van zijn ziekte tijdens het gesprek op 27 februari 2025 aangegeven als de oorzaak van het geschaad vertrouwen. De verklaring van [verzoeker] wordt juist bevestigd door de door Securitas overgelegde verklaring van 1 mei 2025. Die houdt immers onder meer in dat [verzoeker] zijn collega heeft gevraagd zijn ziekte voor zijn leidinggevenden te verzwijgen.
3.9.
Gelet op het voorgaande is Securitas er niet in geslaagd te bewijzen dat de ziekte van [verzoeker] geen rol heeft gespeeld bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd. De kantonrechter moet er dus van uitgaan dat Securitas verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte.
3.10.
Securitas voert in haar conclusie van antwoord en akte nog aan dat zij geen verdere toelichting op het functioneren van [verzoeker] hoefde te geven omdat het haar vrij stond de arbeidsovereenkomst op te zeggen tijdens de proeftijd. De kantonrechter overweegt dat een werkgever in beginsel de arbeidsovereenkomst mag opzeggen tijdens de proeftijd zonder daarbij het functioneren van de werknemer te betrekken, maar dat zij bij een vermoeden van verboden onderscheid op grond van artikel 10 van de wgbh/cz, wel moet bewijzen dat de handicap of chronische ziekte van de werknemer geen rol heeft gespeeld bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst.
3.11.
Securitas voert in haar akte ook aan dat zij niet wist dat [verzoeker] ziek was (in de zin van de wgbh/cz). Daarin volgt de kantonrechter haar niet. Zoals hiervoor is overwogen wist zij dat [verzoeker] aan kanker lijdt. Ook voor zover Securitas bedoelt te stellen dat zij er niet mee bekend was dat de ziekte waaraan [verzoeker] lijdt chronisch is, volgt de kantonrechter haar niet. [verzoeker] heeft tijdens het gesprek op 27 februari 2025 zijn ziekte toegelicht, en voor zover ook op dat moment de chronische aard daarvan Securitas niet bekend was, komt dat voor haar risico omdat zij er wel mee bekend was dat [verzoeker] aan een vorm van kanker lijdt en dus aan een ziekte die in ieder geval chronisch van aard kan zijn.
Billijke vergoeding
3.12.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het opzeggen in strijd met de daarvoor geldende regels de werkgever ernstig valt aan te rekenen (
Kamerstukken II 2013/14, 33818, 4 p.61), zodat in die zin sprake is van ernstige verwijtbaarheid. [verzoeker] kan dan ook op grond van het bepaalde in artikel 9 Wgbh/cz juncto artikel 7:681 lid 1 sub c BW aanspraak maken op een billijke vergoeding.
3.13.
Volgens [verzoeker] moet de hoogte van de billijke vergoeding worden vastgesteld op € 15.000,-. [verzoeker] licht dat als volgt toe. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is aangegaan voor onbetaalde tijd en [verzoeker] had geen intentie die arbeidsovereenkomst op te zeggen. De arbeidsovereenkomst zou in ieder geval nog twee jaar hebben geduurd, en dan zou hij bruto ongeveer (26 × € 3.101,80 =) € 80.646,80 bruto hebben verdiend. [verzoeker] voert daarnaast aan dat hij schade heeft geleden omdat hij twee maanden een beroep moest doen op een WW-uitkering van 70% van zijn loon. Die schade bedraagt (€ 3.360,28 × 0,3 =) € 1.008,08 bruto per maand. Verder voert [verzoeker] aan dat hij daarna een arbeidsovereenkomst voor 20 uur per week is aangegaan en hij inkomensschade leed omdat hij bij Securitas 36 uur per week werkte. Een billijke vergoeding van € 15.000,- is volgens [verzoeker] redelijk om recht te doen aan zijn gederfde inkomsten en als compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen van Securitas.
3.14.
De kantonrechter stelt de billijke vergoeding vast op € 7.500,- (bruto) en licht dat als volgt toe. Hoewel de aangeboden arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was, houdt de kantonrechter bij de berekening van de hoogte van de billijke vergoeding rekening met het feit dat [verzoeker] weer een (fulltime) arbeidsbetrekking heeft gevonden. De kantonrechter overweegt dat [verzoeker] twee maanden (maart en april 2025) een WW-uitkering heeft ontvangen van 70% van zijn loon, waardoor hij in die maanden in totaal afgerond € 2.000,- bruto schade heeft geleden. [verzoeker] heeft daarna een arbeidsbetrekking gevonden voor 20 uur per week, waardoor hij inkomensschade heeft geleden. Omdat [verzoeker] het verschil in loon niet heeft toegelicht, begroot de kantonrechter dat verschil op € 1.000,- bruto per maand. Omdat [verzoeker], zoals hij heeft toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, per september 2025 een arbeidsbetrekking heeft gevonden voor 40 uur per week, heeft hij die inkomensschade vier maanden (mei tot en met augustus 2025) geleden. De inkomensschade begroot de kantonrechter in totaal op € 4.000,- bruto. Daarnaast houdt de kantonrechter bij de berekening van de billijke vergoeding rekening met het feit dat Securitas een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat van de billijke vergoeding een afschrikwekkende werking uit moet gaan, daarvoor acht de kantonrechter in dit geval een bedrag van € 1.500,- redelijk. Dat brengt de billijke vergoeding op (€ 2.000,- + € 4.000,- + € 1.5000 =) € 7.500,- bruto.
Specificatie
3.15.
[verzoeker] vordert overlegging van een (deugdelijke) bruto/netto specificatie van de billijke vergoeding op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag. De kantonrechter zal Securitas veroordelen de verzochte specificatie te overleggen maar zal de gevorderde dwangsom afwijzen omdat er geen reden is om aan te nemen dat Securitas niet aan de veroordeling zal voldoen.
Proceskosten
3.16.
De proceskosten komen voor rekening van Securitas omdat zij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.175,00 (€ 226,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt Securitas om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 7.500,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
4.2.
veroordeelt Securitas om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoeker] te overleggen een bruto/netto specificatie van hetgeen Securitas uit hoofde van deze beschikking aan [verzoeker] zal voldoen,
4.3.
veroordeelt Securitas tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoeker] tot en met vandaag vaststelt op € 1.175,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Securitas niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.(mb)

Voetnoten

1.Zie de tussenbeschikking van 7 oktober 2025 onder 5.12. en 5.13
2.Zie voor dit onderscheid ook Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1666
3.Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep