Wat betreft het aantal en de hoogte van de door de verdediging aan verzoeker in rekening gebrachte uren voor rechtsbijstand overweegt de raadkamer het volgende.
De raadkamer stelt voorop dat van raadslieden mag worden verwacht dat de urenspecificaties en declaraties in strafzaken zodanig worden ingericht dat deze, onder meer met het oog op een verzoek ex artikel 530 Sv, een helder en inzichtelijk beeld geven van de verrichte werkzaamheden.
Verzoeker heeft verzocht een vergoeding toe te kennen van € 116.739,69. Verzoeker heeft deze vergoeding onderbouwd door middel van specificaties die inzicht bieden in de verrichte werkzaamheden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding kan worden toegewezen.
De raadkamer is van oordeel dat na kennisneming en bestudering van het integrale dossier wel heel veel tijd genomen is voor de bestudering van het dossier, namelijk 173,75 uur aan dossierstudie. De raadkamer heeft hierbij in aanmerking genomen de omvang van het dossier in relatie tot de aan verzoeker tenlastegelegde feiten. Het betreft weliswaar een omvangrijk dossier met meerdere verdachten, maar verzoeker werd slechts verdacht van het hebben van een tweetal hennepkwekerijen, diefstal van stroom en deelname aan een crimineel samenwerkingsverband. Anders dan medeverdachten heeft verzoeker niet in voorlopige hechtenis gezeten.
Vooropgesteld wordt dat de raadkamer er zonder meer vanuit gaat dat de raadsman zijn cliënt niet meer uren in rekening heeft gebracht dan hij daadwerkelijk aan de zaak heeft besteed.
De vraag is evenwel of deze kosten ook noodzakelijk zijn gemaakt in het belang van de verdediging van verzoeker in aanmerking genomen de aan verzoeker tenlastegelegde feiten. Anders dan de officier van justitie is de raadkamer van oordeel dat door de raadsman wel zeer veel tijd is genomen om het dossier te bestuderen. De raadkamer heeft voor de berekening van een door de raadkamer redelijk geachte tijdsbesteding voor bestudering van het dossier aansluiting gezocht bij de momenten waarop getuigen in de zaak zijn gehoord en verder het moment van aanhouding en inverzekeringstelling van verzoeker en de zittingen van de meervoudige strafkamer ter behandeling van de zaak.
Op 15 maart 2024 zijn zeven getuigen gehoord, op 20 maart 2024 één getuige net als op 21 maart 2024, op 4 april 2024 zijn twee getuigen gehoord net als op 15 mei 2024, op 27 juni 2024 en 5 juli 2024 is telkens één getuige gehoord.
Op 5 juni en op 27 juni 2025 was de zitting. Verzoeker is op 9 mei 2022 aangehouden en op 12 mei 2022 in vrijheid gesteld en niet voorgeleid aan de rechter-commissaris. De raadkamer is van oordeel dat met de voorbereiding van de verdediging van verzoeker met het oog op de getuigenverhoren, de aanhouding en inverzekeringstelling en de behandeling op zitting een geschatte tijdsbesteding van 40 uur voor bestudering van het dossier - weliswaar nog ruim bemeten - maar te billijken is, in het bijzonder ook vanwege de verdenkingvan deelname aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven, te weten
strafbaar gesteld in de Opiumwet.