ECLI:NL:RBOVE:2025:7260

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/08/339674 / KG ZA 25-251
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • H. Bottenberg-van Ommeren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 2 RvArt. 6 sub e RvArt. 254 lid 1 RvArt. 1019h Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage bedrijfsgevoelige informatie ex-werknemer in kort geding

Axign B.V. en Monolithic Power Systems Inc. (MPS) vorderen in kort geding inzage in bescheiden die onder conservatoir bewijsbeslag zijn gelegd bij een oud-werknemer, die gedetacheerd was bij Axign en inmiddels een eigen eenmanszaak heeft opgericht. Zij stellen dat de oud-werknemer bedrijfsgevoelige informatie onrechtmatig heeft verkregen en onder zich houdt, en verzoeken om medewerking en verbodsbepalingen om verdere schade te voorkomen.

De voorzieningenrechter onderzoekt eerst de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en bevestigt deze op grond van woonplaats en het feit dat het schadeveroorzakende feit zich in Nederland heeft voorgedaan. Vervolgens wordt het spoedeisend belang en de mate van aannemelijkheid van het onrechtmatig handelen beoordeeld. De eisers hebben onvoldoende feitelijke onderbouwing geleverd om aannemelijk te maken dat de oud-werknemer een norm heeft geschonden. Betwisting door de gedaagde en diens deskundige over het downloaden van bestanden en het feit dat het merendeel van de documenten niet als bedrijfsgevoelig is erkend, spelen hierbij een rol.

Ook de vordering tot gebod en verbod wordt afgewezen omdat de drempel daarvoor hoger ligt dan bij inzage. De oprichting van een eenmanszaak door de gedaagde en het bezit van foto’s van vertrouwelijke informatie zijn onvoldoende om onrechtmatig handelen aan te nemen. De eisers hebben een zogenoemde fishing expedition ondernomen door inzage te vorderen zonder voldoende concrete aanwijzingen.

Ten slotte worden de proceskosten aan de zijde van de eisers opgelegd, waarbij de voorzieningenrechter het beroep op specifieke kostenveroordelingen op grond van intellectuele eigendom en bescherming van bedrijfsgeheimen verwerpt. Het vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en op 10 december 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vorderingen van Axign c.s. worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/339674 / KG ZA 25-251
Vonnis in kort geding van 10 december 2025
in de zaak van

1.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AXIGN B.V.,

gevestigd in Hengelo,
hierna afzonderlijk te noemen: ‘Axign’,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
MONOLITHIC POWER SYSTEMS INC.,
gevestigd in Kirkland, Washington, Verenigde Staten,
hierna afzonderlijk te noemen: ‘MPS’,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Axign c.s.,
advocaten: mr. M.H.S. Berghuijs en mr. M.G. van de Langemheen,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonend in [woonplaats 1] , [staat], Verenigde Staten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mr. E.C. Menkhorst en mr. M.C. Wichhart.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 20 oktober 2025,
- de producties 1 tot en met 20 van Axign c.s., waarvan productie 19 later is vervangen,
- de conclusie van antwoord d.d. 26 november 2025,
- de producties 1 tot en met 21B van [gedaagde] ,
- de producties 21 tot en met 24 van Axign c.s.,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 november 2025,
- de pleitnota van Axign c.s.,
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is een oud-werknemer van het Amerikaanse MPS. [gedaagde] is uit hoofde van zijn arbeidsrelatie met MPS gedetacheerd geweest bij Axign in Nederland, een dochteronderneming van MPS.
2.2.
Tussen MPS en [gedaagde] is een arbeidsgeschil ontstaan. De detachering van [gedaagde] bij Axign is beëindigd per 15 juni 2025. De arbeidsrelatie tussen MPS en [gedaagde] is beëindigd per 9 juli 2025.
2.3.
[gedaagde] heeft op 29 juli 2025 zijn werklaptop ingeleverd bij MPS, nadat hij daartoe op 28 juli 2025 was bevolen door middel van een
Court Ordervan een rechtbank in Dallas County, Texas, Verenigde Staten.
2.4.
Op 6 oktober 2025 is, op verzoek van Axign c.s., door de deurwaarder – mede in aanwezigheid van een hulpofficier van Justitie en een forensisch IT-deskundige – conservatoir bewijsbeslag gelegd. Voor deze beslaglegging hadden Axign c.s. verlof gekregen van de rechtbank Overijssel bij beschikkingen van 17 september 2025 en 25 september 2025.
2.5.
Het bewijsbeslag is volgens het daarvan gemaakte proces-verbaal gelegd op kopieën van bescheiden van een iPhone 14 Pro, een Microsoft Surface en een iPad Pro 11. Die apparaten behoorden alle in eigendom toe aan [gedaagde] . De kopieën zijn in gerechtelijke bewaring gegeven bij de IT-deskundige die bij de beslaglegging aanwezig was.
2.6.
Op 12 juni 2025 heeft [gedaagde] de eenmanszaak [bedrijf] opgericht. Op 29 oktober 2025 is in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de onderneming [bedrijf] is opgeheven met ingang van 13 juni 2025.

3.Het geschil

3.1.
Axign c.s. vorderen, samengevat:
( i) inzage en afschrift van (een deel van) de bescheiden die in gerechtelijke bewaring zijn gegeven, op de voet van artikel 194 lid 1 Rv Pro;
( ii) een veroordeling van [gedaagde] om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan het verkrijgen van inzage, op straffe van een dwangsom;
( iii) [gedaagde] te verbieden om de bescheiden onder (i) te vernietigen, aan te passen, te kopiëren en/of te delen met derden, op straffe van een dwangsom;
( iv) [gedaagde] te gebieden om de bescheiden onder (i) te verwijderen op eerste verzoek daartoe van Axign c.s., op straffe van een dwangsom.
3.2.
Axign c.s. leggen aan hun vordering het standpunt ten grondslag dat zij vermoeden dat [gedaagde] ten opzichte van hen onrechtmatig heeft gehandeld en handelt, doordat hij op onrechtmatige wijze bedrijfsgevoelige informatie van Axign c.s. heeft verkregen en onder zich houdt. Inzage is volgens Axign c.s. nodig om de aard en omvang van het onrechtmatige handelen van [gedaagde] in beeld te krijgen, en verdere schade te voorkomen. Omdat volgens Axign c.s. sprake is van een stelselmatig en doorlopend onrechtmatig handelen, is in hun ogen een onmiddellijke voorziening bij voorraad (die ziet op inzage) vereist.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van Axign c.s. Indien de vorderingen van Axign c.s. (deels) zouden worden toegewezen, is het subsidiaire standpunt van [gedaagde] dat in de omvang van het recht op inzage en de gebod/verbod-vordering beperkingen moeten worden aangebracht.
3.4.
[gedaagde] betwist dat hij op enig moment een norm ten opzichte van Axign c.s. heeft geschonden. [gedaagde] betoogt dat – mede daarom – niet is voldaan aan de vereisten van artikel 194 lid 1 Rv Pro, met als gevolg dat Axign c.s. geen recht hebben op inzage in de bescheiden die onder het beslag vallen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Rechtsmacht Nederlandse rechter
4.1.
MPS is een Amerikaanse onderneming en [gedaagde] heeft de Amerikaanse nationaliteit. Omdat deze zaak internationale elementen bevat, moet de voorzieningenrechter ambtshalve onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
4.2.
Artikel 2 Rv Pro bepaalt dat in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de gedaagde in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. Tussen partijen staat niet ter discussie dat op het moment dat de dagvaarding in deze zaak werd uitgebracht, 20 oktober 2025, [gedaagde] in [woonplaats 2] zijn woonplaats of gewone verblijfplaats had. Gelet daarop heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
4.3.
Bovendien geldt, op grond van artikel 6 sub e Rv Pro dat de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht heeft in zaken die gaan over een verbintenis uit onrechtmatige daad, indien het schadeveroorzakende feit zich in Nederland heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Deze zaak betreft een inzagevordering op de voet van artikel 194 lid 1 Rv Pro, maar de onderliggende vorderingen gaat over een (gestelde) verbintenis uit onrechtmatige daad. Het gestelde schadeveroorzakende feit in deze zaak – het verkrijgen en behouden van bedrijfsgevoelige informatie – heeft zich voorgedaan in [plaats] (de toenmalige werkplek van [gedaagde] ) en/of [woonplaats 2] (de toenmalige woonplaats van [gedaagde] ). Ook via die band heeft de Nederlandse rechter dus rechtsmacht.
Spoedeisend belang
4.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter moet daarom eerst beoordelen of Axign c.s. ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (artikel 254 lid 1 Rv Pro).
Voor de toets of sprake is van een zodanig spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening moet worden getroffen, is onder meer het voorlopige karakter van de gevraagde voorziening een factor, alsmede de ingrijpendheid van de gevolgen van het toewijzen dan wel afwijzen van de gevraagde voorziening.
4.5.
In dat licht hangt, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in deze zaak het antwoord op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, gelet op de ingrijpendheid van de gevolgen van de gevraagde voorziening, die immers onomkeerbaar zijn, onlosmakelijk samen met het antwoord op de vraag of het voldoende aannemelijk is dat Axign c.s. recht hebben op inzage als bedoeld in artikel 194 Rv Pro. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom eerst of Axign c.s. recht hebben op inzage.
Recht op inzage
4.6.
Uit artikel 194 lid 1 Rv Pro vloeit voort dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel daarvan, als zij daarbij voldoende belang heeft.
4.7.
In deze zaak hebben Axign c.s. aan hun vordering tot inzage ten grondslag gelegd de stelling dat [gedaagde] (i) is tekortgeschoten in de nakoming van verplichtingen voortvloeiend uit de (inmiddels beëindigde) arbeidsrelatie en (ii) onrechtmatig heeft gehandeld. Het tekortschieten en/of het onrechtmatig handelen bestaat er volgens Axign c.s. uit dat [gedaagde] bedrijfsgevoelige informatie van Axign c.s. onrechtmatig heeft verkregen en onrechtmatig onder zich houdt, waarbij het vermoeden bestaat dat [gedaagde] Axign c.s. onrechtmatig beconcurreert of zal gaan beconcurreren.
4.8.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, dat de maatstaf voor de beoordeling van vorderingen als deze inhoudt dat het bestaan van de rechtsbetrekking waarop de vordering ziet, voldoende aannemelijk moet zijn. Die maatstaf stelt de rechter in staat een evenwicht te vinden tussen het belang van de eiser of verzoeker om de waarheid te kunnen achterhalen en zijn bewijspositie te versterken, en het belang van de verweerder om geen vertrouwelijke informatie prijs te hoeven geven en om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verlangt om een door hem vermoede tekortkoming of onrechtmatige daad te kunnen aantonen, zal derhalve gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden dienen te stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat die tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen. [1]
4.9.
In het verlengde daarvan heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag wat bij een gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad als een voldoende mate van aannemelijkheid kan worden beschouwd, niet in algemene zin kan worden beantwoord. Het komt steeds aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het eventueel reeds overgelegde bewijsmateriaal. Daarbij is enerzijds uitgangspunt dat niet behoeft te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing van een op (dreigend) tekortschieten of onrechtmatig handelen gebaseerde (ge- of verbods)vordering of vordering tot schadevergoeding; anderzijds dienen aan de mate van aannemelijkheid van de gestelde tekortkoming of onrechtmatige daad bij de beoordeling van een inzagevordering hogere eisen te worden gesteld dan bij de beoordeling van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal. [2]
4.10.
Het voorgaande betekent dat Axign c.s. gemotiveerd zodanige feiten en omstandigheden moeten stellen (en met eventueel voorhanden bewijsmateriaal moeten onderbouwen) dat daaruit volgt dat aannemelijk is dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld of tekort is geschoten. Daarbij komt het aan op een waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van het al overgelegde bewijsmateriaal.
4.11.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben Axign c.s. niet aan de in rechtsoverweging 4.10 van dit vonnis omschreven maatstaf voldaan. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
4.12.
Axign c.s. hebben ter onderbouwing van hun vermoeden van onrechtmatig handelen door [gedaagde] aangevoerd dat [gedaagde] bedrijfsgevoelige informatie van Axign c.s. vanaf zijn werklaptop heeft gedownload naar privé-apparaten, terwijl hij wist dat zijn arbeidsrelatie met MPS zou worden beëindigd en hij een eigen eenmanszaak, [bedrijf] , had opgericht. Volgens Axign c.s. is het downloaden naar privé-apparaten gebleken uit forensisch onderzoek dat Axign c.s. hebben laten verrichten aan de werklaptop van [gedaagde] , die door hem op 29 juli 2025 is ingeleverd. Axign c.s. verwijzen naar de bestanden omschreven in productie 15 bij de dagvaarding.
4.13.
[gedaagde] heeft het (actief) downloaden van gegevens vanaf zijn werklaptop naar privé-apparaten gemotiveerd betwist, althans voor veruit het grootste deel van de documenten. Onder verwijzing naar de door hem ingeschakelde IT-deskundige PSG Recherche, voert [gedaagde] aan dat het feit dat bij bestanden genoemd in productie 15 de term “FileDownloaded” staat, niet betekent dat de gebruiker het bestand daadwerkelijk heeft benaderd of gedownload. Als dat laatste wel het geval zou zijn geweest, zou volgens (de deskundige van) [gedaagde] de term “FileAccess” bij het document moeten staan, maar juist die term komt bij de bestanden genoemd in productie 15 niet voor.
4.14.
In het licht van deze gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , hebben Axign c.s. onvoldoende feiten gesteld waaruit volgt dat [gedaagde] de in productie 15 genoemde documenten actief heeft gedownload naar privé-apparaten. Weliswaar hebben Axign c.s. via de door hen ingeschakelde deskundige FTI aangevoerd dat het nog wel mogelijk is dat er bestanden naar de privé
iPadzijn gedownload, maar dat is door [gedaagde] aan de hand van een reactie van zijn deskundige, ter zitting gemotiveerd betwist. Bij die stand van zaken, en in aanmerking nemend dat een kort geding zich niet leent voor nadere bewijsvoering, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] op dit punt een norm heeft geschonden ten opzichte van Axign c.s.
4.15.
Ten aanzien van 11 documenten uit productie 15 heeft [gedaagde] erkend dat hij deze actief heeft gedownload en opgeslagen op de werklaptop, in de periode gelegen tussen 16 april 2025 en 29 mei 2025. [gedaagde] betwist dat hij deze documenten naar privé-apparaten heeft gekopieerd.
4.16.
Met betrekking tot deze 11 documenten heeft [gedaagde] onbetwist aangevoerd dat het geen bedrijfsgevoelige informatie betreft. Evenmin is het downloaden van deze bestanden op de werklaptop in strijd met het
policy handbookwaar alleen verboden gesteld is om gegevens naar
personal storage deviceste downloaden. Gelet daarop kan niet worden geoordeeld dat op dit punt voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] , door deze bestanden te downloaden uit de MPS-omgeving en op te slaan op zijn werklaptop, ten opzichte van Axign c.s. een norm heeft geschonden.
4.17.
Axign c.s. maken [gedaagde] ook het verwijt dat hij met zijn iPad en/of iPhone foto’s heeft gemaakt van bedrijfsgevoelige informatie die op het beeldscherm stond van zijn werklaptop. Axign c.s. geven aan dat in ieder geval foto’s zijn gemaakt op 25 juli 2025. Axign c.s. wijzen er daarbij op dat [gedaagde] in de procedure in de Verenigde Staten onder ede heeft verklaard dat hij een aantal MPS/Axign-documenten onder zich heeft en ook weet dat dit vertrouwelijke documenten zijn.
4.18.
[gedaagde] heeft ook in deze procedure erkend dat hij beschikt over documenten van Axign c.s. [gedaagde] geeft aan dat het grootste deel daarvan foto’s betreft, die zijn genomen van berichten, documenten en e-mails. Volgens [gedaagde] liggen deze documenten bij zijn Amerikaanse advocaat en zijn deze bestemd voor zijn verdediging in de Amerikaanse procedure ten aanzien van zijn arbeidsgeschil met MPS.
4.19.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het feit dat [gedaagde] foto’s heeft genomen van vertrouwelijke informatie uit de MPS-omgeving, op zichzelf niet genoeg om te kunnen aannemen dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] ten opzichte van Axign c.s. een norm heeft geschonden. Feit is immers ook dat er in de Verenigde Staten een arbeidsgeschil loopt tussen MPS en [gedaagde] en dat [gedaagde] zich daarin noodzakelijkerwijs zal moeten verdedigen. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat Axign c.s. tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet hebben kunnen aangeven dat er concrete aanwijzingen zijn dat [gedaagde] de MPS-documenten, waarvan hij erkent dat hij deze in bezit heeft, heeft gedeeld met andere personen dan zijn Amerikaanse advocaat.
4.20.
Ook het feit dat [gedaagde] op 12 juni 2025 de eenmanszaak [bedrijf] heeft opgericht, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat aannemelijk is dat [gedaagde] ten opzichte Axign c.s. onrechtmatig handelt of tekortschiet. [gedaagde] heeft onbetwist aangevoerd dat dit oprichting van dit bedrijf een ander doel had en dat er bovendien geen activiteiten zijn ontplooid vanuit [bedrijf] . De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat Axign c.s. tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd niet hebben kunnen aangeven dat er – afgezien van de oprichting van [bedrijf] – concrete aanwijzingen zijn dat [gedaagde] hen beconcurreerde of van plan zou zijn om hen te gaan beconcurreren.
4.21.
De voorzieningenrechter verwerpt het betoog van Axign c.s. dat inhoudt dat zij de gevorderde inzage in de bescheiden juist nodig hebben om het door hen vermoede onrechtmatig handelen van [gedaagde] te onderbouwen. Axign c.s. draaien daarmee de zaak om. Het ligt op de weg van Axign c.s. om een bepaald minimumniveau aan feitelijke onderbouwing te geven voor hun vermoeden dat sprake is (geweest) van een normschending door [gedaagde] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben Axign c.s. dit minimumniveau aan feitelijke onderbouwing niet gegeven, in ieder geval niet in het licht van de betwistingen van de zijde van [gedaagde] . Indien desondanks het betoog van Axign c.s. zou worden gevolgd, zou de inzage meer het karakter krijgen van een
fishing expedition– en daarvoor is artikel 194 lid 1 Rv Pro niet bedoeld.
4.22.
De conclusie is dat Axign c.s. geen recht hebben op inzage. De vorderingen van Axign c.s. op dit punt worden afgewezen.
Vorderingen tot gebod/verbod
4.23.
De ge- en verbodsvordering van Axign c.s. worden eveneens afgewezen. Uit de in rechtsoverweging 4.9 van dit vonnis aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad, volgt dat de drempel voor toewijzing van dergelijke vorderingen in kort geding hoger ligt dan de drempel voor toewijzing van een inzagevordering. Omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet is voldaan aan de drempel voor toewijzing van de inzagevordering, kan evenmin zijn voldaan aan de drempel voor toewijzing van het ge- en verbod.
Vorderingen tegen [bedrijf]
4.24.
In het petitum van de dagvaarding zijn vorderingen ingesteld tegen specifiek [bedrijf] . [bedrijf] is een eenmanszaak en daarom geen rechtssubject. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat ook deze vorderingen – vanuit juridisch oogpunt – zijn ingesteld tegen [gedaagde] als natuurlijk persoon.
4.25.
De voorzieningenrechter constateert dat de vorderingen gericht tegen [bedrijf] niet van een nadere of andere onderbouwing zijn voorzien dan de vorderingen gericht tegen [gedaagde] als natuurlijk persoon. Gelet daarop worden ook de vorderingen die in het petitum gericht zijn tegen [bedrijf] afgewezen.
Proceskosten
4.26.
Axign c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] vordert een volledige proceskostenveroordeling van Axign c.s., en doet daarbij een beroep op de artikelen 1019h Rv en 1019ie Rv. [gedaagde] heeft een overzicht van zijn advocaatkosten overgelegd in de producties 21A en 21B.
4.27.
Artikel 1019h Rv is gesitueerd in Titel 15 van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 1019 Rv Pro bepaalt dat Titel 15 van toepassing is op de handhaving van rechten van intellectuele eigendom ingevolge de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten, de Databankenwet en nog een aantal specifiek aangeduide wetten. Artikel 1019h Rv bepaalt vervolgens dat een in het ongelijk gestelde partij – indien gevorderd – wordt veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.
4.28.
[gedaagde] heeft terecht aangegeven dat artikel 1019h Rv ook ziet, althans kan zien, op inzagevorderingen. Dat blijkt uit de wettekst en ook uit jurisprudentie van de Hoge Raad. [3] Een noodzakelijk vereiste voor de toepasselijkheid van artikel 1019h Rv is echter wel dat het onderwerp van geschil ziet op de handhaving van rechten van intellectuele eigendom als bedoeld in artikel 1019 Rv Pro.
4.29.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze zaak aan dit noodzakelijke vereiste niet voldaan. De stellingen en verweren die door partijen in deze procedure in kort geding zijn ingenomen zijn, bezien in het licht van de handhaving van rechten van intellectuele eigendom, te prematuur om te kunnen oordelen dat dat het onderwerp van geschil betreft. Het valt niet uit te sluiten dat het geschil in potentie kan uitgroeien tot een geschil over handhaving van rechten van intellectuele eigendom, maar op dit moment wijst het partijdebat onvoldoende concreet in die richting. Het beroep van [gedaagde] op artikel 1019h Rv wordt daarom verworpen.
4.30.
Artikel 1019ie Rv is gesitueerd in Titel 15a van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 1019ia Rv bepaalt dat Titel 15a van toepassing op gerechtelijke procedures tot bescherming van bedrijfsgeheimen op basis van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Artikel 1019ie Rv bepaalt vervolgens dat een in het ongelijk gestelde partij – indien gevorderd – wordt veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.
4.31.
Het beroep van [gedaagde] op artikel 1019ie Rv wordt door de voorzieningenrechter eveneens verworpen. Het beroep stuit af op de argumentatie genoemd in de rechtsoverwegingen 4.28 en 4.29 van dit vonnis, met die nuancering dat het bij Titel 15a niet gaat om de handhaving van rechten van intellectueel eigendom, maar om procedures tot bescherming van ‘bedrijfsgeheimen’ in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen.
4.32.
De conclusie is dat Axign c.s. een proceskostenveroordeling krijgen langs de lijn van artikel 237 e.v. Rv.
4.33.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
331,00
- salaris advocaat
1.661,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.170,00
4.34.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Axign c.s. af,
5.2.
veroordeelt Axign c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.170,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Axign c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg-van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2020:1251, rov. 3.1.4. Deze jurisprudentie van de Hoge Raad is gewezen onder artikel 843a Rv, de voorganger van het huidige artikel 194 Rv Pro. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er echter geen aanleiding te veronderstellen dat de maatstaf van artikel 194 Rv Pro op dit specifieke punt anders is dan onder artikel 843a (oud) Rv.
2.ECLI:NL:HR:2020:1251, rov. 3.1.5.
3.ECLI:NL:HR:2018:721, rov. 3.3.5.