ECLI:NL:RBOVE:2025:7062

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
AK_24_2380
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen omgevingsvergunning voor McDonald's in Deventer

In deze uitspraak van de Rechtbank Overijssel, gedateerd 8 december 2025, wordt het beroep van eisers tegen de omgevingsvergunning voor een McDonald's-vestiging in Deventer behandeld. De rechtbank had eerder op 11 april 2025 een tussenuitspraak gedaan waarin werd vastgesteld dat het college van burgemeester en wethouders van Deventer de toegenomen parkeerbehoefte als gevolg van de nieuwe McDonald's onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank gaf het college de kans om dit gebrek te herstellen. In de aanvullende motivering van 9 mei 2025 handhaafde het college de conclusie dat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie 8 parkeerplaatsen bedraagt, maar eisers betwistten deze conclusie en stelden dat de onderbouwing nog steeds gebrekkig was. De rechtbank oordeelde dat het college niet had voldaan aan de opdracht om de parkeerbehoefte opnieuw vast te stellen en dat de onderbouwing van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie niet in stand kon blijven. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Dit betekent dat de toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie van 8 parkeerplaatsen en de bijbehorende parkeerbijdrage van € 102.000,- voor McDonald's blijven gelden. De rechtbank wees ook het verzoek om schadevergoeding van eisers af, omdat er geen aanleiding was om te veronderstellen dat de overschrijding van de redelijke termijn hen tot veel spanning en frustratie had geleid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2380

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers,

en
het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder (het college),
gemachtigden: mr. A.M.M. Hutten-Bekemeijer en ing. [gemachtigde] .
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
McDonald's Nederland B.V., uit Utrecht (McDonald’s),
gemachtigde: mr. A.P. IJkelenstam.

Procesverloop

Voor het procesverloop van dit geschil verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 11 april 2025 (de tussenuitspraak) [1] . Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover het gaat om de vaststelling van de toegenomen parkeerbehoefte voor autoparkeren als gevolg van de komst van de McDonald’s (hierna: de nieuwe situatie) en daaraan gekoppeld de hoogte van de financiële bijdrage van McDonald’s om in die toegenomen parkeerbehoefte te voorzien, onvoldoende heeft gemotiveerd. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om dit gebrek binnen vier weken na de verzending van die tussenuitspraak te herstellen. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat het college, om het gebrek te herstellen, de toegenomen parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en de financiële bijdrage van McDonald’s opnieuw moet vaststellen en motiveren. Dat kan met een aanvullende motivering of, indien nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit.
Bij brief van 9 mei 2025 heeft het college een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend.
Bij brief van 12 juni 2025 hebben eisers op de aanvullende motivering gereageerd.
Op 2 juli 2025 heeft McDonald’s een reactie ingediend. Bij die reactie is een nadere notitie gevoegd van verkeerskundig adviesbureau [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf]) van 30 juni 2025.
Bij brief van 31 juli 2025 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat mr. V.P.K. van Rosmalen de behandeling van deze zaak overneemt van mr. L. Lok. Daarbij is aangegeven dat de rechtbank van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak wederom een zitting te houden. Aangegeven is dat, als één van de partijen opnieuw op een zitting wil worden gehoord, zij dat binnen twee weken moet laten weten. Hierop hebben eisers de rechtbank meegedeeld dat zij opnieuw op een zitting willen worden gehoord. Die tweede zitting heeft vervolgens op 31 oktober 2025 plaatsgevonden. Hierbij was namens eisers [eiser 2] aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor McDonald’s was [naam] bij de zitting aanwezig, bijgestaan door mr. A.P. IJkelenstam.

Beoordeling door de rechtbank

1. Voor een weergave van de feiten, de standpunten van partijen, het juridisch kader en haar overwegingen verwijst de rechtbank allereerst naar de tussenuitspraak. Wat in de tussenuitspraak is overwogen maakt deel uit van deze (eind)uitspraak. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen, waarvan hier geen sprake is. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704, en
15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat het college bij het bepalen van de toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie niet kon uitgaan van de parkeernorm voor een cafetaria, omdat de McDonald’s het midden houdt tussen een cafetaria en een restaurant. Ook oordeelde de rechtbank dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom is aangesloten bij de parkeernorm voor een cafetaria in de richtlijnen in de CROW (publicatie 381, toekomstbestendig parkeren) (hierna: de CROW) en niet bij de parkeernorm voor een cafetaria in de gemeentelijke 'Nota Parkeernormen Deventer 2013, Auto en fiets' (hierna: de Nota parkeernormen).
3. In de aanvullende motivering van 9 mei 2025 heeft het college de conclusie in het bestreden besluit, dat de toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie 8 parkeerplaatsen bedraagt, gehandhaafd. In de oude situatie bedroeg de parkeerbehoefte volgens het college 17 parkeerplaatsen en in de nieuwe situatie bedraagt die 25 parkeerplaatsen. Deze conclusie heeft het college met name gebaseerd op regels uit de gemeentelijke documenten ‘Beleidsregels Parkeren bestemmingsplannen Deventer, versie 2015’ (hierna: de Beleidsregels) en de Nota parkeernormen, en op kengetallen in de CROW.
4. Eisers zijn van mening dat het gebrek in het bestreden besluit niet tijdig dan wel niet behoorlijk is hersteld. De toegenomen parkeerbehoefte is volgens hen nog steeds niet juist vastgesteld en nog steeds onvoldoende gemotiveerd. Eisers hebben tegen de aanvullende motivering verschillende gronden aangevoerd. Die bespreekt en beoordeelt de rechtbank hieronder afzonderlijk.
De aanvullende motivering is te laat ingediend
5.1
Eisers hebben aangevoerd dat de aanvullende motivering is ingediend na afloop van de termijn die de rechtbank daarvoor in de tussenuitspraak heeft gesteld. Volgens eisers is procederen per e-mail namelijk niet toegestaan, zodat moet worden uitgegaan van de datum waarop de rechtbank de aanvullende motivering per post heeft ontvangen. Uit de toegestuurde stukken is eisers gebleken dat de rechtbank het postexemplaar van de aanvullende motivering pas op 12 mei 2025 heeft ontvangen, terwijl uit de tussenuitspraak (van 11 april 2025) volgt dat de termijn voor het indienen van de aanvullende motivering eindigde op 9 mei 2025.
5.2
De rechtbank stelt voorop dat de in de tussenuitspraak gestelde termijn voor het indienen van de aanvullende motivering een zogenoemde termijn van orde is. Dat betekent dat aan het eventueel overschrijden van die termijn door het college niet het gevolg kan worden verbonden dat eisers voor ogen hebben. Het gevolg daarvan zou niet zijn dat aan de aanvullende motivering geen waarde kan worden toegekend of dat die buiten beschouwing moet worden gelaten. Dat zou slechts anders zijn wanneer sprake is van handelen in strijd met de goede procesorde, maar dat is hier niet het geval. Alleen al om deze reden slaagt deze beroepsgrond niet. Verder ziet de rechtbank niet in waarom moet worden gezegd dat de aanvullende motivering te laat zou zijn ingediend, nu het college dat stuk op 9 mei 2025 (ook) per e-mail bij de rechtbank heeft ingediend.
Parkeerbehoefte niet opnieuw vastgesteld
6.1
Volgens eisers heeft het college de toegenomen parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en de daarmee samenhangende parkeerbijdrage die McDonald’s moet betalen niet opnieuw vastgesteld. Daarmee heeft het college niet voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak, aldus eisers.
6.2
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In de tussenuitspraak is het college de mogelijkheid gegeven om het geconstateerde gebrek – een onvoldoende onderbouwing van de vastgestelde toegenomen parkeerbehoefte in de nieuwe situatie – te herstellen. Dat kon onder meer door daarvoor een aanvullende motivering te geven. Voor deze optie heeft het college gekozen. De rechtbank dient te beoordelen of het college met de aanvullende motivering nu voldoende heeft onderbouwd dat de realisatie van de McDonald’s in het pand aan de Keizerstraat 2 en het aangrenzende pand aan de Walstraat in Deventer ertoe leidt dat de parkeerbehoefte toeneemt met 8 parkeerplaatsen ten opzichte van de oude situatie.
Strijd met gemeentelijk beleid
7.1
Eisers voeren aan dat het hanteren van parkeercijfers uit de CROW in dit geval in strijd is met de Nota parkeernormen, omdat uit paragraaf 3.4, onder b, van die nota volgt dat als voor een ontwikkeling geen specifieke parkeernorm is bepaald, zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de gemeentelijke normen van vergelijkbare functies. Daarbij wijzen zij erop dat de gemeentelijke norm voor een cafetaria 6 parkeerplaatsen per 100 m² bruto-vloeroppervlakte (bvo) is en die voor een restaurant 10 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Eisers zijn van mening dat in dit geval voor het bepalen van de toename van de parkeerbehoefte moet worden uitgegaan deze laatstgenoemde parkeernorm, omdat deze vestiging van McDonald’s zich met name richt op het eten ter plaatse. Daarbij hebben zij tevens gewezen op het bepaalde in artikel 284.5.1 van het bestemmingsplan ‘Chw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel B’. Verder hebben eisers gesteld dat de cijfers uit de CROW niet kunnen worden beoordeeld, omdat daarvoor de nadere context ontbreekt en omdat de CROW niet openbaar is. Uitgaande van een parkeernorm van 10 parkeerplaatsen per 100 m² bvo, bedraagt de toegenomen parkeerbehoefte in dit geval 33 parkeerplaatsen, aldus eisers.
7.2
Het college heeft, kort samengevat, in de aanvullende motivering het volgende overwogen en geconcludeerd.
7.2.1
In artikel 3.1.1 van de Beleidsregels is bepaald dat de parkeerbehoefte wordt berekend aan de hand van de door de gemeenteraad vastgestelde parkeernormen. Dat zijn de parkeernormen die zijn neergelegd in de Nota parkeernormen. Verder staat onder ‘Beleidsregel 7.2 Interpretatie van parkeernormen’ in de Beleidsregels dat als voor een specifieke functie geen rechtstreeks toepasbare parkeernorm beschikbaar is, de parkeerbehoefte door het college wordt bepaald aan de hand van door de aanvrager aan te reiken gegevens, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de te verwachten parkeerbehoefte op basis van vergelijkbare functies waarvoor wel normen beschikbaar zijn. In de toelichting op die bepaling staat dat in dat geval de ontwikkelaar met een onafhankelijk onderzoek van een extern bureau moet onderbouwen wat de parkeerbehoefte is. Ook is aangegeven dat dat onderzoek kan plaatsvinden op basis van globale kencijfers, onderzoeksgegevens van vergelijkbare situaties of een uitgebreide omschrijving van het gebruik van de functie. Het onderzoek moet vooraf door de gemeente worden goedgekeurd. Dit uitgangspunt voor een situatie waarvoor in het gemeentelijk beleid geen specifieke parkeernorm is vastgesteld staat ook in paragraaf 3.4, onder b, van de Nota parkeernormen. In de parkeernormentabel in de Nota parkeernormen staat geen specifieke norm voor (auto)parkeerplaatsen voor een fastfoodrestaurant, wel voor ‘café/bar/cafetaria’ en voor ‘restaurant’. Daarbij is aangegeven dat gemotiveerd van die parkeernormen kan worden afgeweken (voetnoot 12 op p. 10 van de Nota parkeernormen).
7.2.2
Omdat in de Nota parkeernormen geen specifieke parkeernorm staat voor een fastfoodrestaurant, heeft het college McDonald’s gevraagd om met een onafhankelijk onderzoek van een extern bureau te onderbouwen wat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is. Daarop heeft McDonald’s het rapport van [bedrijf] van 9 oktober 2022 overgelegd. Daarin concludeert [bedrijf] dat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie niet toeneemt ten opzichte van de oude situatie. Ondanks dat het college veel overwegingen uit het rapport van 9 oktober 2022 onderschrijft, sluit het college niet uit dat de nieuwe situatie een aantrekkende werking voor auto’s kan hebben. Daarom heeft het college het onderzoek van [bedrijf] niet (geheel) goedgekeurd en de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie zelf vastgesteld, op basis van de volgende bevindingen.
7.2.3
Omdat het gemeentelijke beleid geen specifieke parkeernorm voor de nieuwe situatie bevat en omdat dat beleid bovendien is verouderd, heeft het college voor het bepalen van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie aansluiting gezocht bij de actuelere richtlijnen in de CROW. Daarin zijn de parkeernormen voor een cafetaria én een restaurant bepaald op 4 tot 6 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. De van toepassing zijnde delen uit de CROW heeft het college als bijlage bij de aanvullende motivering overgelegd. Op basis van deze kengetallen uit de CROW én omdat de nieuwe vestiging van McDonald’s in de binnenstad in voetgangersgebied ligt, geen McDrive heeft, uitstekend te bereiken is met het openbaar vervoer en er twee andere McDonald’s met gratis parkeermogelijkheden in Deventer zijn, heeft het college de parkeernorm voor de nieuwe situatie vastgesteld op 5 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Deze parkeernorm leidt ertoe dat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie 8 parkeerplaatsen is.
7.3
De rechtbank is van oordeel dat het college met de aanvullende motivering het gebrek in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft hersteld. Zowel in het door eisers genoemde artikel 284.5.1 van het bestemmingsplan ‘Chw bestemmingsplan Deventer, stad en dorpen deel B’ als in het gemeentelijk beleid zelf is vastgelegd dat de parkeerbehoefte zoveel mogelijk moet worden bepaald op basis van de normen in de Nota parkeernormen. Daarin staan normen voor een cafetaria en een restaurant. Daarom valt niet in te zien waarom het college de parkeerbehoefte voor de nieuwe situatie zou kunnen vaststellen op basis van de parkeernormen die in de CROW zijn opgenomen voor een cafetaria en een restaurant. Eisers voeren terecht aan dat de enkele omstandigheid dat het gemeentelijk beleid verouderd zou zijn daarvoor onvoldoende is. Als dat zo zou zijn, had het op de weg van het college of de gemeenteraad gelegen om die documenten eerder te actualiseren. Het college heeft verklaard dat binnenkort een nieuw gemeentelijk parkeernormenbeleid wordt vastgesteld, maar dat is nu nog niet gedaan of van toepassing, zodat nog steeds van het ‘oude’ beleid moet worden uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de onderbouwing van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie dan ook nog steeds gebrekkig, nu de aanvullende motivering mede is gebaseerd op de normen in de CROW en het college onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom die normen in dit geval kunnen worden toegepast.
7.4
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is vastgesteld op 8 parkeerplaatsen, omdat de onderbouwing van die parkeerbehoefte niet in stand kan blijven. Als gevolg van het voorgaande is ook de onderbouwing van de aan McDonald’s opgelegde bijdrage voor het autoparkeren van € 102.000,- (€ 12.750,- per parkeerplaats) onvoldoende. De rechtbank zal daarom de hoogte van die bijdrage ook vernietigen.
Zelf in de zaak voorzien
8. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit in stand blijven. In het rapport van
9 oktober 2022 heeft [bedrijf] namelijk op basis van een vergelijking met locaties van McDonald’s in andere binnensteden uiteengezet waarom zij van mening is dat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie niet zal toenemen ten opzichte van de oude situatie en waarschijnlijk zelfs lager is dan in de oude situatie. Daarbij spelen onder meer een rol de overwegingen die het college in de aanvullende motivering heeft onderschreven en die hiervoor, in overweging 7.2.3, zijn vermeld. Verder is niet in geschil dat het gemeentelijk beleid geen parkeernorm voor een fastfoodrestaurant bevat en in voetnoot 12 van de Nota parkeernormen staat inderdaad dat gemotiveerd kan worden afgeweken van de in dat document vastgestelde parkeernormen voor ‘café/bar/cafetaria’ en ‘restaurant’. Op basis van de inhoud van het rapport van [bedrijf] van 9 oktober 2022 en de locatie en kenmerken van de McDonald’s-vestiging waar het in deze zaak om gaat, komt de vastgestelde toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie van 8 parkeerplaatsen de rechtbank zeker niet te laag voor. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit (zijnde de vaststelling van de toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie van 8 parkeerplaatsen en de op basis daarvan vastgestelde parkeerbijdrage van € 102.000,-) in stand blijven.
Belang van eisers
9. Ter zitting heeft het college de vraag opgeworpen welk belang eisers hebben bij de vraag of de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en de daaraan gekoppelde parkeerbijdrage van McDonald’s juist zijn vastgesteld. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank hierover al geoordeeld dat het belang van eisers bij dit onderdeel van het beroep is gelegen in de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de verhuurbaarheid van hun pand, dat op korte afstand van de McDonald’s is gelegen. De rechtbank ziet in wat het college hierover ter zitting naar voren heeft gebracht geen reden om op dat oordeel terug te komen.
Overschrijding redelijke termijn
10.1
Eisers hebben ter zitting verzocht om een schadevergoeding van € 500,-, wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
10.2
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat - bij zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan - de procedure tot de uitspraak van de rechtbank in beginsel ten hoogste twee jaar mag duren. Deze termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Of de redelijke termijn is overschreden dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. [2]
10.3
Eisers hebben hun bezwaar op 30 augustus 2023 bij het college ingediend. Het college heeft daar op 27 februari 2024 op besloten. Tegen dat besluit hebben eisers op
9 april 2024 beroep ingesteld. Op 11 april 2025 heeft de rechtbank de tussenuitspraak gedaan.
10.4
De rechtbank stelt vast dat deze (eind)uitspraak inderdaad wordt gedaan iets meer dan drie maanden nadat de termijn van twee jaar na het indienen van het bezwaar bij het college is geëindigd. Voor het toekennen van schadevergoeding daarvoor ziet de rechtbank echter geen aanleiding. Een dergelijke schadevergoeding wordt doorgaans toegekend, omdat verondersteld wordt dat een overschrijding van de redelijke termijn spanning en frustratie oplevert bij de indiener van het bezwaar en het beroep. In dit geval heeft het college echter binnen een half jaar na de indiening daarvan besloten op het bezwaar van eisers. Vervolgens heeft de rechtbank ongeveer een jaar na de indiening van het beroep door eisers de tussenuitspraak gedaan. Na de indiening van de aanvullende motivering door het college heeft de rechtbank het vervolg van de procedure redelijk voortvarend opgepakt. Daarnaast gaat het in deze einduitspraak alleen nog om de toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie en de daaraan gekoppelde parkeerbijdrage van McDonald’s. Hiervóór heeft de rechtbank overwogen dat zij ervan uitgaat dat eisers hierbij (ook) belang hebben, maar heel zwaarwegend is dat belang niet. Feitelijk gaat het in deze einduitspraak voornamelijk om de hoogte van de parkeerbijdrage die McDonald’s moet betalen. Op basis van deze bevindingen is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de duur van de behandeling van het bezwaar en beroep bij eisers tot zoveel spanning en frustratie heeft geleid dat daarvoor een schadevergoeding (van € 500,-) moet worden betaald. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom afwijzen.

Conclusie en gevolgen

11.1
Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin de toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is vastgesteld op 8 parkeerplaatsen en de daaraan gekoppelde parkeerbijdrage van McDonald’s is vastgesteld op € 102.000,-. De reden daarvoor is dat de onderbouwing daarvan in het bestreden besluit en de aanvullende motivering onvoldoende is. De rechtbank zal echter ook bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat feitelijk blijft gelden dat de toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie 8 parkeerplaatsen bedraagt en dat McDonald’s een parkeerbijdrage van € 102.000,- moet betalen. Voor het overige blijft het bestreden besluit onveranderd in stand. Het verzoek om schadevergoeding zal de rechtbank afwijzen.
11.2
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoeden. Daarnaast moet het college de proceskosten van eisers vergoeden. Deze bestaan alleen uit kosten die zijn gemaakt voor het bijwonen van de zittingen. Voor het bijwonen van de zitting op 28 februari 2025 is in de uitspraak op het beroep met zaaknummer ZWO 24/2928 al een kostenvergoeding toegekend. De kosten voor het bijwonen van die zitting hoeft het college niet nogmaals te vergoeden. De vergoeding voor de reiskosten voor het bijwonen van de zitting op 31 oktober 2025 stelt de rechtbank, conform de door eisers overgelegde specificatie, vast op € 50,50. Daarnaast heeft [eiser 2] gevraagd om vergoeding van verblijfskosten ten behoeve van lunch (zijnde een ‘BigArch Voordeelmenu bij McDonald’s, dat volgens de door [eiser 2] overgelegde prijslijst € 17,55 kost). Deze kosten merkt de rechtbank echter niet aan als ‘verblijfskosten’ als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat die niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de toename van de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie is vastgesteld op 8 parkeerplaatsen en de daaraan gekoppelde parkeerbijdrage van McDonald’s is vastgesteld op € 102.000,-;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;
  • gelast het college om het griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 50,50;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5367.