ECLI:NL:RBOVE:2025:5753

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
ak_24_3897
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbAlgemene Kinderbijslagwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit SVB weigering dubbele kinderbijslag wegens onvoldoende zorgbehoefte beoordeling

Eiseres heeft voor haar kind een aanvraag gedaan voor dubbele kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft deze aanvraag afgewezen op basis van een medisch advies van het CIZ waarin geen sprake werd geacht van een zware zorgbehoefte. Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde eerder dat het medisch advies onvoldoende zorgvuldig was opgesteld, omdat niet was onderzocht of de door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden toch een zware zorgbehoefte konden aantonen.

Na een nieuw medisch advies bleef de SVB bij haar standpunt, waarop eiseres opnieuw beroep instelde. De rechtbank heeft het beroep behandeld en geoordeeld dat het nieuwe medisch advies wederom onvoldoende onderbouwd was. De medisch adviseur had nagelaten een eigen medische analyse te maken van de beschikbare gegevens en had onvoldoende rekening gehouden met de situatie van het kind, dat vanwege gedragsproblematiek wel begeleiding nodig heeft maar waarvoor geen actuele medische gegevens beschikbaar zijn.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Daarom wordt het besluit vernietigd en wordt de SVB opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast moet de SVB het griffierecht en de proceskosten van eiseres vergoeden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de SVB wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3897

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. K. Aslan,
en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (de SVB),

gemachtigde: mr. E.M. Mulder.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 11 augustus 2023 (primair besluit) heeft de SVB eiseres meegedeeld dat zij voor [naam 1] geen recht heeft op dubbele kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf het tweede kwartaal van 2023.
1.2
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Bij besluit van 12 maart 2024 is de SVB bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer ZWO 24/2296. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 26 juli 2024 gegrond verklaard en de SVB opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. [1]
1.3
Met het bestreden besluit van 4 november 2024 op het bezwaar van eiseres is de SVB opnieuw bij het primair besluit gebleven.
1.4
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de SVB.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1
[naam 1] is geboren op [geboortedatum] 2007. Eiseres ontving voor haar enkelvoudige kinderbijslag. Eiseres heeft eerder in februari 2022 voor (onder meer) [naam 1] dubbele kinderbijslag aangevraagd. Die aanvraag heeft de SVB afgewezen. Het bezwaar dat eiseres daartegen heeft gemaakt, is ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank in de uitspraak van 7 februari 2023 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
2.2
Op 24 mei 2023 heeft eiseres voor [naam 1] dubbele kinderbijslag aangevraagd. Daarna heeft de SVB de besluiten genomen zoals hierboven onder ‘Procesverloop’ is weergegeven.

De uitspraak van 26 juli 2024

3. In de uitspraak van 26 juli 2024 heeft de rechtbank het bestreden besluit in strijd geacht met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft geoordeeld dat de adviezen van het CIZ niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Daarbij geeft de rechtbank van belang geacht dat de medisch adviseur de situatie van [naam 1] heeft beoordeeld en op de items gedrag, communicatie, alleen thuis zijn, begeleiding buitenshuis en bezighouden/handreikingen geen score heeft toegekend. Bij die beoordeling heeft de medisch adviseur zich beperkt tot de vraag of strikte toepassing van het Beoordelingskader leidt tot het toekennen van een punt op die items. De medisch adviseur heeft zich ten onrechte niet de vraag gesteld of de door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden ertoe leiden dat, in weerwil van de criteria van het Beoordelingskader, toch sprake is van een zware zorgbehoefte en daarom een punt moet worden toegekend op de genoemde items. Daarvoor was gelet op de situatie van [naam 1] en de overgelegde documenten in samenhang met de rechtspraak van de CRvB, wel aanleiding. [2] Dat geldt te meer, nu eiseres erop heeft gewezen dat volgens een medewerker van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit recent onderzoek is gebleken dat het Beoordelingskader in sommige gevallen onvoldoende passend is om intensieve zorg te beoordelen bij kinderen met een psychiatrische aandoening. De rechtbank heeft de SVB opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Standpunten van partijen

4.1
De SVB stelt zich op het standpunt dat eiseres geen dubbele kinderbijslag kan krijgen vanaf het tweede kwartaal van 2023 voor [naam 1] . Er is opnieuw gekeken of [naam 1] een positief advies kan krijgen. De SVB is van mening dat ook buiten de strikte omschrijving van het Beoordelingskader om geen punten kunnen worden toegekend op de verschillende items.
De SVB heeft hierbij gewezen op het nieuwe medisch advies van 14 oktober 2024 van
L. Cornelissen-Houben, de medisch adviseur van het CIZ. Dit nieuwe CIZ-advies heeft 0 punten. Dit is te weinig voor een kind dat op 1 april 2023, de eerste dag van het kwartaal, 16 jaar is. In beroep is alsnog het machtigingsformulier voor het opvragen van informatie bij behandelaren verleend. Vervolgens heeft de medisch adviseur opnieuw gerapporteerd op
21 maart 2025 en heeft het CIZ in de situatie van [naam 1] een negatief advies Buk-bezwaar gegeven. De totaalscore per leeftijdscategorie bepaalt de uitkomst van het advies. [naam 1] viel ten tijde van het advies in bezwaar binnen de leeftijdscategorie 10 tot en met 17 jaar. In deze leeftijdscategorie is het advies positief als bij 3 functies een score is toegekend. In de situatie van [naam 1] is bij geen van de functies een score toegekend, waardoor het advies negatief is. In de situatie van [naam 1] ziet het CIZ geen redenen om te komen tot een ander oordeel. Het CIZ wil met bovenstaande argumentatie de situatie van [naam 1] niet te kort doen of bagatelliseren. Het CIZ maakt echter een zorginhoudelijke afweging.
4.2
Eiseres stelt dat het CIZ geen hernieuwde inhoudelijke beoordeling/onderzoek heeft uitgevoerd naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank. Eiseres kan niet begrijpen dat het CIZ niet op basis van de verslagen/rapportages die zij heeft aangeleverd een hernieuwde beoordeling heeft kunnen uitvoeren. Eiseres is van mening dat het CIZ wederom een onzorgvuldige en onvolledige beoordeling heeft uitgevoerd. Er is door het CIZ niet gehandeld conform de opdracht van de rechtbank, zoals verwoord in de uitspraak van 26 juli 2024. Eiseres is van mening dat de SVB en het CIZ voldoende gelegenheid hebben gehad om een zorgvuldige beoordeling uit te voeren. De SVB en het CIZ is het niet gelukt om een dergelijke beoordeling te verrichten. Eiseres heeft de rechtbank verzocht daarom zelf in de zaak te voorzien door te oordelen dat eiseres in aanmerking komt voor dubbele kinderbijslag voor [naam 1] .

Beoordelingskader

5. Voor het beoordelingskader en de toepasselijke rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep verwijst de rechtbank naar de eerdere uitspraak van 26 juli 2024 van deze rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de SVB de aanvraag om dubbele kinderbijslag voor [naam 1] terecht en op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt als volgt.
6.1
Partijen zijn met name verdeeld over de vraag of bij [naam 1] sprake is van een zware zorgbehoefte op de items, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg, op grond waarvan sprake is van intensieve zorg.
6.2
De SVB heeft voor de onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar de (nadere) rapporten van de medisch adviseur van het CIZ.
6.2.1
Naar aanleiding van de uitspraak van 26 juli 2024 heeft de SVB het CIZ opnieuw verzocht te adviseren. Medisch adviseur L. Cornelissen-Houben heeft op 14 oktober 2024 een medisch advies uitgebracht. De medisch adviseur heeft op basis van de beschikbare gegevens geen dwingende medische reden gezien om haar medisch advies van 24 mei 2024 te wijzigen. Onderzoek werd verricht om te beoordelen of in de situatie van [naam 1] aan de hand van concrete verifieerbare, objectieve feiten en omstandigheden aannemelijk is dat er wel sprake is van een intensieve zorgbehoefte. Voor dit onderzoek is informatie nodig van de ter zake deskundig behandelaren van [naam 1] . Echter, ondanks herhaald verzoek, werd noch die informatie ontvangen, noch werd toestemming verleend om die behandelaren om gerichte informatie te vragen.
6.2.2
In beroep is alsnog het machtigingsformulier voor het opvragen van informatie bij behandelaren verleend. Vervolgens heeft de medisch adviseur opnieuw gerapporteerd op
21 maart 2025. De medisch adviseur heeft informatie ingewonnen bij [naam 2] van Stichting Timon en bij de Raad voor de Kinderbescherming.
De medisch adviseur heeft geconcludeerd dat er geen dwingend medische reden is om het medisch advies van 14 oktober 2024 te wijzigen. Dit medisch advies is nog steeds als relevant en actueel te beschouwen. Nieuwe medische informatie is niet op te maken uit de huidige gegevens. Nieuwe medische feiten zijn niet beschikbaar gesteld en zijn niet te verkrijgen uit onderzoek in de huidige situatie. Actueel onderzoek en op basis daarvan behandeling vanuit de GGZ of andere ter zake deskundige behandelaars, gericht op de gedragsproblematiek is aangewezen. Objectivering van de actuele gedragsproblematiek heeft nog niet plaatsgevonden. Er zijn geen geobjectiveerde gegevens beschikbaar over de actuele ernst en mate van de gedragsproblematiek, afkomstig van een ter zake deskundige, zoals een psychiater of GZ-psycholoog. Evenmin staat ter discussie dat [naam 1] vanwege de gedragsproblematiek aangewezen is op regelmatige begeleiding van derden, op hulp bij dagstructuur etc. Echter op basis van de beschikbare gegevens kan een medische noodzaak voor voortdurende, over de gehele dag toezicht of begeleiding niet vastgesteld worden.
6.3
De rechtbank is van oordeel dat met het vorenstaande onvoldoende is gemotiveerd dat [naam 1] geen zware zorgbehoefte heeft op de items die genoemd zijn in artikel 3, eerste lid, van Regeling uitvoering dubbele kinderbijslag bij intensieve zorg. Dat het oordeel gebaseerd moet zijn op objectieve stukken, betekent niet meteen dat altijd sprake moet zijn van medische informatie uit de behandelende sector. Dit zou immers betekenen dat in het geval van zorg mijdende kinderen nooit sprake zou kunnen zijn van dubbele kinderbijslag. De rechtbank acht dit een onredelijke wetsuitleg. Het ligt op de weg van de aanvrager om de zorgbehoefte zoveel mogelijk met objectieve stukken te onderbouwen en het is aan de medisch adviseur om na te gaan of de zorgbehoefte te relateren is aan ziekte. Dat er geen medische informatie is uit de behandelende sector, betekent echter niet dat er in een dergelijk geval geen sprake is van een causaal verband. Het is in dat geval aan de medisch adviseur om zelf onderzoek te doen en zich een oordeel te vormen op basis van de informatie die wel voorhanden is. Met de conclusie dat er geen medische gegevens beschikbaar zijn over de actuele ernst en mate van de gedragsproblematiek, afkomstig van een ter zake deskundige, zoals een psychiater of GZ-psycholoog, doordat [naam 1] vanaf 2015 niet meer onder behandeling is geweest, heeft de medisch adviseur ten onrechte nagelaten een eigen medische analyse van de wel voorhanden zijnde gegevens uit te voeren en is het medisch advies daarmee onvoldoende onderbouwd. De rechtbank benadrukt hierbij dat de medisch adviseur zo nodig ook een persoonlijk gesprek met [naam 1] of moeder kan voeren, als de voorhanden zijnde schriftelijke informatie onvoldoende duidelijkheid biedt.
6.4
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het (nadere) advies van de medisch adviseur onvoldoende grondslag biedt voor het standpunt van de SVB dat eiseres geen dubbele kinderbijslag kan krijgen vanaf het tweede kwartaal van 2023 voor [naam 1] .
6.5
Ook stelt de rechtbank vast dat de SVB geen navolging heeft gegeven aan de overwegingen in de uitspraak van 26 juli 2024 van deze rechtbank. De SVB verwijst opnieuw naar de wet- en regelgeving, terwijl de rechtbank in voornoemde uitspraak juist heeft geoordeeld dat de medisch adviseur zich ten onrechte niet de vraag had gesteld of de door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden ertoe leiden dat, in weerwil van de criteria van het Beoordelingskader, toch sprake is van een zware zorgbehoefte en daarom een punt moet worden toegekend op de genoemde items. Verwezen wordt in het bijzonder naar rechtsoverweging 4.6.2 van die uitspraak. De SVB, althans de medisch adviseur, zal ook in dat opzicht dus nog nader onderzoek moeten doen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomene en onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de SVB een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de SVB hiervoor acht weken.
9. Omdat het beroep gegrond is moet de SVB het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De SVB moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 november 2024;
- draagt de SVB op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de SVB het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de SVB tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.De uitspraak van 12 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:90.