In deze zaak staat een geschil tussen broers centraal over de nalatenschap van hun ouders, waarbij de woning van de erflater verkocht moet worden en de overwaarde verdeeld. Eiser woonde in de woning en werd door eerdere vonnissen verplicht deze te ontruimen. Na diverse procedures en een schikking over gebruiksvergoeding ontstond onenigheid over de betaling daarvan.
Gedaagden legden executoriale beslagen op de woning van eiser en wilden deze op 2 september 2025 executoriaal verkopen. Eiser vorderde in kort geding een verbod op deze verkoop omdat hij anders dakloos zou worden en stelde dat gedaagden misbruik maakten van hun bevoegdheid.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser een spoedeisend belang had en dat de verkoop een disproportionele maatregel was gezien de beperkte vordering en het feit dat eiser geen gebruiksvergoeding meer verschuldigd is sinds de ontruiming. De verkoop werd daarom verboden en opgeschort voor zes maanden, met een dwangsom bij overtreding.