Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De vordering van de officier van justitie
2.De procedure
3.De beoordeling van de vordering
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A en B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
4.De wettelijke voorschriften
5.De beslissing
wederrechtelijk verkregen voordeelwordt geschat vast op
€ 416.911,13;
betaling van € 416.911,13 aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt dat veroordeelde
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op