De ouders hebben een geschil voorgelegd over de uitvoering van de ondertoezichtstelling van hun twee kinderen, waarbij zij een oordeel van de kinderrechter wensen over het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling (GI) en verzoeken om diagnostisch onderzoek bij de kinderen en een deskundigenonderzoek naar hun opvoedvaardigheden.
De kinderrechter stelt vast dat op grond van de Hoge Raad het perspectiefbesluit niet via de geschillenregeling van artikel 1:262b BW kan worden getoetst, waardoor de ouders in dit onderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard. Over het verzoek tot diagnostiek bij de kinderen is overeenstemming dat dit noodzakelijk is; de kinderen staan op korte termijn bij een door de ouders aangedragen instelling op de wachtlijst.
Het verzoek tot benoeming van een deskundige via het NIFP voor onderzoek naar de opvoedcapaciteiten van de ouders wordt afgewezen omdat het NIFP dit onderzoek niet meer uitvoert en omdat de kinderrechter dit onderzoek op dit moment niet noodzakelijk acht. De machtiging tot uithuisplaatsing van het ene kind wordt verlengd, terwijl het andere kind uiterlijk 4 mei 2025 terugkeert naar de ouders. De kinderrechter benadrukt dat hulpverlening in de thuissituatie essentieel is om te beoordelen of de ouders voldoende opvoedvaardigheden bezitten.
De kinderrechter besluit de ouders niet-ontvankelijk te verklaren voor het perspectiefbesluit en wijst de overige verzoeken af, waarbij hij de belangen van de kinderen en het belang van praktische hulpverlening centraal stelt.