Profinco verzocht in kort geding om schorsing en opheffing van de executie van een Spaans vonnis waarbij zij werd veroordeeld tot betaling van bijna €19.000 aan de tegenpartij. Profinco was niet verschenen in de Spaanse procedure en stelde dat de dagvaarding niet tijdig en op juiste wijze was betekend.
De tegenpartij betwistte dit en verwees naar een bericht van de Spaanse rechtbank dat de dagvaarding per internationale aangetekende post was verzonden, maar Profinco had deze geweigerd. De voorzieningenrechter oordeelde dat niet voldoende aannemelijk was dat de betekening aan Profinco voldeed aan de vereisten van de Betekeningsverordening, met name omdat geen vertaling of formulier L was meegezonden en onduidelijk was of de dagvaarding duidelijk maakte dat de zittingsdatum was gewijzigd.
De rechtbank stelde vast dat Profinco voldoende belang had bij schorsing omdat het beslagbedrag nog bij de deurwaarder lag en niet aan de tegenpartij was overgemaakt. De schorsing van de executie werd daarom toegewezen totdat een definitieve beslissing in de lopende vernietigingsprocedure in Spanje is genomen. De overige vorderingen, waaronder opheffing van het beslag en afgifte van vertalingen, werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.