Partijen hadden een geschil over het bestaan van een koopovereenkomst voor een pand. Eisers stelden dat op 19 december 2023 een mondeling akkoord was bereikt, terwijl gedaagde dit betwistte en de onderhandelingen in januari 2024 beëindigde waarna het pand aan een derde werd verkocht.
De rechtbank stelde vast dat er geen wilsovereenstemming was over essentiële onderdelen van de koop, namelijk de financieringstermijn en de overname van het leasecontract van de zonnepanelen. Deze punten waren voor gedaagde cruciaal vanwege zijn financiële situatie en het belang van zekerheid over de verkoop.
Omdat er geen overeenstemming was over deze essentiële punten, kwam er geen bindende koopovereenkomst tot stand. Tevens mocht gedaagde de onderhandelingen afbreken, omdat eisers niet gerechtvaardigd mochten vertrouwen op het tot stand komen van de overeenkomst.
De vorderingen van eisers werden daarom afgewezen. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis werd gewezen door D.K. ten Cate op 19 maart 2025.