Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2024:857

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2024
Publicatiedatum
19 februari 2024
Zaaknummer
82.136000.22 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21b MeststoffenwetArt. 1, eerste lid, onder gg MeststoffenwetArt. 1a WEDArt. 2 WEDArt. 6 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken persoonlijk handelen als landbouwer bij overtreding Meststoffenwet

De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het produceren van meer fosfaat dan het fosfaatrecht toestond in 2018 en 2019. De tenlastelegging betrof overtreding van artikel 21b van de Meststoffenwet. De verdediging voerde verjaring aan en stelde dat verdachte niet als landbouwer in de zin van de wet kon worden aangemerkt.

De rechtbank oordeelde dat de feiten niet verjaard waren, maar dat verdachte niet persoonlijk als landbouwer handelde. Verdachte was vennoot in een landbouwvennootschap die het bedrijf exploiteerde. Hierdoor kon verdachte niet als pleger of medepleger worden aangemerkt van de overtredingen.

De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van beide tenlastegelegde feiten. De uitspraak werd gedaan na meerdere zittingen en na verwijzing door de politierechter. De beslissing is gebaseerd op de definitie van landbouwer in de Meststoffenwet en de feitelijke rol van verdachte binnen de vennootschap.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat hij niet persoonlijk als landbouwer handelde maar als vennoot binnen de landbouwvennootschap.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige economische kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 82.136000.22 (P)
Datum vonnis: 19 februari 2024
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1959 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres 1].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van de economische politierechter van 9 oktober 2023 en, na verwijzing door deze, op de openbare terechtzittingen van 25 januari 2024 en 5 februari 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. drs. M.J. Blotwijk en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.M.M. Kroon, advocaat in Veenendaal, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:als landbouwer op zijn bedrijf in 2018 meer fosfaat, namelijk 722 kilo, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht;
feit 2:als landbouwer op zijn bedrijf in 2019 meer fosfaat, namelijk 658 kilo, heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1.
hij in het kalenderjaar 2018 te Rouveen, gemeente Staphorst, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet
opzettelijk, als landbouwer op zijn bedrijf gelegen aan of nabij de [adres 2]
en/of de [adres 1] aldaar, meer dierlijke meststoffen met melkvee, te
weten (ongeveer) 722,00 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft/hebben
geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht;
2.
hij in het kalenderjaar 2019 te Rouveen, gemeente Staphorst, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet
opzettelijk, als landbouwer op zijn bedrijf gelegen aan of nabij de [adres 2]
en/of de [adres 1] aldaar, meer dierlijke meststoffen met melkvee, te
weten (ongeveer) 658,00 uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft/hebben
geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.

3.De voorvragen

3.1
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De verdediging heeft aangevoerd dat het recht tot strafvervolging is komen te vervallen door verjaring. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte de tenlastegelegde feiten in elk geval niet met opzet heeft gepleegd, dat van de tenlastelegging daarom alleen de overtreding resteert en dat deze overtreding, gelet op artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder sub 1, jo. artikel 2, eerste lid, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED), jo. artikel 70, eerste lid, aanhef en onder sub 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is verjaard. De verdediging heeft verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.
De rechtbank overweegt dat aan verdachte impliciet primair de opzetvariant ten laste is gelegd. Dat levert op grond van artikel 1a, aanhef en onder sub 1, jo. artikel 2, eerste lid, jo artikel 6 WED Pro een misdrijf op dat wordt bestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. Voor een dergelijk strafbaar feit geldt een verjaringstermijn van twaalf jaren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de tenlastegelegde feiten, voor zover zij misdrijven betreffen, niet verjaard zijn en verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. [1]

4.Vrijspraak

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten.
4.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om vrijspraak. De verdachte heeft niet te gelden als een landbouwer in de zin van artikel 1, eerste lid, onder gg Meststoffenwet.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte wordt verweten artikel 21b Meststoffenwet te hebben overtreden. In artikel 21b, eerste lid, Meststoffenwet is bepaald:
Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. De productie van dierlijke meststoffen door melkvee wordt forfaitair vastgesteld overeenkomstig de regels, bedoeld in artikel 35.
Een landbouwer is volgens artikel 1, eerste lid, onder gg Meststoffenwet:
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die of samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat enige vorm van landbouw uitoefent op een bedrijf.
De verdachte is één van de vennoten van [medeverdachte], een melkveebedrijf en varkenshouderij. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte] het landbouwbedrijf exploiteert. De rechtbank is van oordeel dat de vennootschap als landbouwer in de zin van artikel 1, eerste lid, onder gg Meststoffenwet moet worden aangemerkt. De verdachte verricht in zijn hoedanigheid als vennoot zijn werkzaamheden binnen het doel en kader van de vennootschap. In die hoedanigheid kan hij niet als pleger, noch als medepleger van de tenlastegelegde feiten worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte reeds daarom moet worden vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en
mr. H. Manuel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2024.
Buiten staat
Mr. H. Manuel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.