Eiser verzocht het college om de standplaatsvergunning, oorspronkelijk verleend aan zijn vader voor onbepaalde tijd, op zijn naam over te schrijven onder dezelfde voorwaarden. Het college schreef de vergunning over, maar beperkte de looptijd tot tien jaar. Eiser stelde dat deze beperking onrechtmatig was omdat de overschrijving slechts een administratieve wijziging van tenaamstelling betreft en geen nieuwe vergunningverlening.
De rechtbank stelde vast dat het college de grondslag van de aanvraag had verlaten door de vergunning om te zetten in een vergunning voor bepaalde tijd zonder instemming van eiser. De Dienstenrichtlijn en Dienstenwet verplichten het college niet om een bestaande vergunning bij overschrijving te beperken in looptijd. De overschrijving leidt niet tot verlening van een nieuwe vergunning, maar tot wijziging van tenaamstelling.
Verder oordeelde de rechtbank dat het college niet deugdelijk had gemotiveerd waarom eiser anders werd behandeld dan andere marktondernemers met vergunningen voor onbepaalde tijd, wat strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.