Eisers, ouders van een dochter met een neurologische aandoening, vroegen het college van B&W Zwolle om een maatwerkvoorziening in de vorm van een bakfiets op grond van de Wmo 2015. Het college wees een pgb voor de door eisers gewenste reguliere bakfiets af en bood een bruikleenvoorziening aan die eisers niet accepteerden. Na een extern advies bleek de reguliere bakfiets niet geschikt en adviseerde men een rolstoelbakfiets die aan specifieke eisen voldoet.
Het college handhaafde de afwijzing en bood een pgb aan van € 9.950,- voor een rolstoelbakfiets, maar eisers betwistten de hoogte van het bedrag vanwege discrepanties in de offertes. De rechtbank stelde vast dat eisers recht hebben op een pgb voor een geschikte bakfiets en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het lagere bedrag toereikend zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het vervangingsbesluit gegrond, vernietigde dit besluit en gaf het college de opdracht binnen twee weken een nieuw besluit te nemen met een onderbouwde hoogte van het pgb. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.