Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
Met betrekking tot de invoeraangifte over maart 2017 van [bedrijf 1]
Met betrekking tot de overige invoeraangiften van [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
voortbordurenop de toepassing van de verleggingsregeling niet teweeg kan brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Er is immers – juist omdat de btw in de invoeraangiften door [bedrijf 4] is verlegd – door [bedrijf 3] wél btw aangegeven in de aangiften omzetbelasting. Aangezien de te betalen omzetbelasting en de in vooraftrek te brengen omzetbelasting in één aangifte worden verantwoord, vallen deze tegen elkaar weg. Dit betekent dat het onterecht toepassen van de verleggingsregeling
an sichniet leidt tot een fiscaal nadeel als gevolg van de (tenlaste-gelegde)
aangiften omzetbelasting, maar tot een (achteraf) onterecht genoten liquiditeits-voordeel
bij invoerals gevolg van het verleggen van de btw in de
invoeraangiften.
aan deze bedrijven. De rechtbank is daarom van oordeel dat in de tenlastegelegde aangiften omzetbelasting ten onrechte het nultarief voor intracommunautaire leveringen is toegepast, waardoor een te laag bedrag aan te betalen belasting is opgegeven.
plegervan het primair tenlastegelegde worden aangemerkt, nu zij:
medeplegerkan worden aangemerkt. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier geen, althans onvoldoende bewijs van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] enerzijds en [bedrijf 3] en [bedrijf 14] BV anderzijds ten aanzien van het
opzettelijk onjuistdoen van de aangiften omzetbelasting, aangezien het bewijs van opzet daartoe aan de zijde van [bedrijf 3] (en [bedrijf 14] BV) ontbreekt.