AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking jachtakte wegens niet-naleving opbergvoorschriften wapens en munitie
Eiser beschikt al circa 25 jaar over een jachtakte en kreeg deze voor de periode van 1 april 2021 tot en met 31 maart 2022. Op 26 augustus 2021 voerde de politie een controle uit waarbij werd vastgesteld dat eiser de wapens en munitie niet op de voorgeschreven wijze had opgeborgen. Zo lag de sleutel van de munitiekluis in het slot en was de sleutel van de wapenkluis gemakkelijk bereikbaar voor onbevoegden.
De korpschef van politie trok daarop de jachtakte in, en de minister handhaafde deze intrekking in het administratief beroep. Eiser stelde onder meer dat er geen vrees voor misbruik was en dat een schriftelijke waarschuwing volstaan had moeten worden. Ook voerde hij strijd met diverse bestuursrechtelijke beginselen aan.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat het niet naleven van de opbergvoorschriften een ernstige veiligheidsrisico vormt en dat dit voldoende reden is om de jachtakte in te trekken. De overtredingen raken de betrouwbaarheid van eiser als houder van de jachtakte. De rechtbank verwierp de bezwaren van eiser, waaronder het beroep op het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod op détournement de pouvoir.
Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van een beslissing op het verzoek om proceskostenvergoeding niet leidt tot vernietiging van het besluit. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de jachtakte wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 22/1323
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. drs. P.M. Timmer-Arends),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister,
(gemachtigde: mr. F.H. Kamminga).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn jachtakte.
Bij besluit van 4 oktober 2021 heeft de korpschef van politie de jachtakte van eiser ingetrokken.
Bij uitspraak van 27 januari 2022 [1] heeft de voorzieningenrechter de door eiser gevraagde voorlopige voorziening hangende zijn administratief beroep afgewezen.
In het bestreden besluit van 13 juni 2022 heeft de minister het door eiser ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Aanleiding
3. Eiser beschikt ongeveer 25 jaar over een jachtakte. Op 15 maart 2021 heeft eiser zijn jachtakte verkregen voor de periode van 1 april 2021 tot en met 31 maart 2022. Deze akte geldt voor het ter beschikking hebben en gebruiken van vijf vuurwapens.
3.1.
Op 26 augustus 2021 hebben ambtenaren van de politie een controle wapenwetgeving uitgevoerd bij eiser. De bevindingen van deze controle hebben zij vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal.
3.2.
Gelet op de bevindingen tijdens de controle is volgens de korpschef van politie en de minister sprake van overtreding van de opbergvoorschriften door eiser. De korpschef heeft de akte ingetrokken en de minister heeft de intrekking in administratief beroep in stand gelaten.
Standpunten van partijen
4. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat met het niet op de voorgeschreven wijze opbergen van wapens en munitie een ongewenste en gevaarlijke situatie wordt geschapen en dat dit geen lichte onregelmatigheid betreft. Volgens de minister biedt de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen voldoende grondslag om te concluderen dat aan eiser het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd en is de jachtakte terecht ingetrokken. Volgens de minister leggen de omstandigheden dat eiser sterk hecht aan betrouwbaarheid, dat eiser al 25 jaar beschikt over een jachtakte en dat er in al die jaren geen incidenten zijn voorgevallen of onregelmatigheden zijn geconstateerd, onvoldoende gewicht in de schaal om anders te oordelen. Verder is naar de mening van de minister in de door eiser aangehaalde gevallen waarin anders is beslist, geen sprake van gelijke gevallen dan wel gelijke omstandigheden.
5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat vrees voor misbruik niet is aangetoond en dat volstaan had moeten worden met een schriftelijke waarschuwing. Volgens eiser is sprake van strijd met het motiveringsbeginsel, met het verbod op détournement de pouvoir, met het evenredigheidsbeginsel, met het rechtszekerheidsbeginsel en met het gelijkheidsbeginsel. Er is naar de mening van eiser ten onrechte geen beslissing genomen op zijn verzoek om toewijzing van een proceskostenvergoeding.
Overwegingen
6. Uit de door eiser toegestuurde brief van 29 juli 2022 ( de rechtbank leest: 2023)volgt onder meer dat op 10 mei 2023 weer een jachtakte aan eiser is verleend en dat eiser stelt schade te hebben geleden ten gevolge van het bestreden besluit. Tijdens de zitting heeft eiser bevestigd dat de brief van 29 juli 2023 niet bedoeld is als een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zoals ook niet in geschil is tussen partijen, heeft eiser procesbelang. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom inhoudelijk beoordelen.
7. Artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleent de bevoegdheid om een verleende vergunning, zoals de jachtakte, in te trekken als de vergunninghouder in strijd handelt met de vergunning of de daaraan verbonden voorschriften.
Op grond van artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wnb wordt een jachtakte in ieder geval ingetrokken als de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. In de Circulaire wapens en munitie 2019 (Cwm 2019) is hier een nadere invulling aan gegeven.
8. In onderdeel B/1.1 van de Cwm 2019 is vermeld dat ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ twee verschillende omschrijvingen zijn voor in feite dezelfde situatie. De invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.
Onderdeel B/1.2 van de Cwm 2019 geeft invulling aan het ‘vrees voor misbruik’ criterium. Daarin is onder andere opgenomen dat degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie in een bijzondere positie komt te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.
Onderdeel B/8. van de Cwm 2019 schrijft voor dat wapens en munitie worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen. De wapens dienen dus gescheiden van de munitie te worden opgeborgen. Als een deugdelijke bergplaats voor wapens en/of munitie wordt uitsluitend aangemerkt een speciaal voor de opslag van wapens vervaardigde wapenkast/wapenkluis of een andere kluis die qua uitvoering en inbraakwerendheid daarmee kan worden gelijkgesteld. Een kluis dient deugdelijk te worden verankerd in de vloer of de muur van het gebouw tenzij de kluis van een dusdanig gewicht is (minimaal 200 kilo) dat het zo goed als uitgesloten is dat de kluis bij een inbraak kan worden meegenomen.
9. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen [2] , strekt de bevoegdheid om een jachtakte in te trekken tot het treffen van een maatregel ter bescherming van de veiligheid van de samenleving en niet tot het opleggen van een strafrechtelijke sanctie. Tegen de achtergrond van dat grote maatschappelijke veiligheidsbelang is reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het beschikken over een jachtakte voldoende reden om een jachtakte in te trekken, mits deze twijfel objectief toetsbaar is.
10. In het proces-verbaal van bevindingen van de controle op 26 augustus 2021 bij eiser staat onder andere:
“Wij zagen dat de wapenkluis van betrokkene op de eerste etage van de woning in een kledingkast stond.
Ik, verbalisant …, zag dat betrokkene de kluissleutel boven de kluis weg pakte. Ik zag dat net boven de kluis een legplank van de kast zat. Daarop lag een stapel kleding van ongeveer 15 kleding stukken.
Ik zag dat onder deze stapel kleding de kluissleutel lag.
Toen betrokkene de wapenkluis opende zagen wij, verbalisanten, dat de kluissleutel van de interne munitiekluis in het slot van deze kluis zat.”
11. Eiser heeft deze bevindingen niet betwist.
12. De rechtbank overweegt dat eiser op 26 augustus 2021 de munitie niet gescheiden van de jachtwapens bewaarde doordat de kluissleutel van de interne munitiekluis in het slot van deze kluis zat. Naar het oordeel van de rechtbank was de sleutel van de wapenkluis daarnaast niet op een voor onbevoegden moeilijk te bereiken bergplaats opgeborgen, omdat deze dicht bij de kluis lag en gemakkelijk te pakken was. Hiermee is niet voldaan aan de opbergvoorschriften, zoals beschreven in de Cwm 2019. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat de opbergvoorschriften onvoldoende duidelijk zijn, waardoor sprake zou zijn van rechtsonzekerheid. Zoals is voorgeschreven in onderdeel B/8. van de Cwm 2019 moeten wapens en munitie worden opgeborgen in afzonderlijke, deugdelijk afgesloten, en voor onbevoegden niet gemakkelijk bereikbare bergplaatsen en dienen de wapens gescheiden van de munitie te worden opgeborgen.
13. Het niet veilig opbergen van jachtwapens en munitie vormt een potentieel ernstig gevaar voor de veiligheid van de samenleving. Gelet daarop heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van een lichte onregelmatigheid, waarvoor met een schriftelijke waarschuwing had moeten worden volstaan. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het op twee manieren schenden van de opbergvoorschriften voldoende reden geeft voor geringe twijfel of eiser het voorhanden hebben van wapens of munitie langer kan worden toevertrouwd. De overtreding van de opbergvoorschriften raakt immers de betrouwbaarheid van eiser als houder van een jachtakte. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het ook niet onevenredig dat de minister heeft geconcludeerd dat eiser het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Het gaat weliswaar niet om een bewuste handeling van eiser, maar het handelen heeft er wel toe geleid dat vijf jachtwapens, inclusief munitie, voor onbevoegden te gemakkelijk te bereiken waren. Nu in artikel 5.4 van de Wnb is bepaald dat een jachtakte in elk geval wordt ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd aan een persoon, is de minister terecht overgegaan tot intrekking van de jachtakte.
14. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. De relevante omstandigheden van het geval zijn inzichtelijk betrokken en de minister heeft in het bestreden besluit afdoende uiteengezet waarom in de door eiser aangehaalde rechterlijke uitspraken geen sprake is van gelijke gevallen. Ook is gemotiveerd waarom in de door eiser aangehaalde gevallen, waarin volstaan is met een schriftelijke waarschuwing, sprake was van in relevante opzichten andere situaties. De rechtbank volgt de minister in deze overwegingen. Eisers beroep op strijd met het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel slaagt daarom niet.
14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister haar bevoegdheid om tot intrekking van de jachtakte van eiser over te gaan zou hebben gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is.
16. De rechtbank volgt eiser in het betoog dat in het bestreden besluit geen beslissing is opgenomen over het verzoek om toewijzing van een proceskostenvergoeding. Uit het bestreden besluit volgt echter wel dat het administratief beroep ongegrond wordt verklaard en dat het primaire besluit in stand blijft. Op grond van artikel 7:28, tweede lid, van de Awb kunnen kosten in verband met de behandeling van het (administratief) beroep uitsluitend worden vergoed voor zover het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Aangezien het primaire besluit niet is herroepen, is de minister terecht niet overgegaan tot een proceskostenveroordeling. Hoewel de minister op grond van artikel 7:28, vierde lid, van de Awb in het bestreden besluit op het verzoek had moeten beslissen, is de rechtbank van oordeel dat eiser door het achterwege laten hiervan niet is benadeeld. Dit gebrek wordt met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb gepasseerd en leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb geen aanleiding om de minister te veroordelen in de gemaakte proceskosten voor het beroep gelet op de aard van het geconstateerde gebrek.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond.
18. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft.
19. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.