Uitspraak
1.[partij B1],
[partij B2],
[partij B3],
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over?
3.De feiten
“Ik kan de desbetreffende huuropzegging dan ook als niet verzonden beschouwen”.Daar heeft [partij B] niet meer op gereageerd.
Rechtbank Overijssel
In deze zaak verhuurt [partij B] een ruimte aan [partij A], die daar een schoonheidssalon exploiteert. De kern van het geschil betreft de kwalificatie van de bedrijfsruimte: is het een 290-bedrijfsruimte met uitgebreide huurbescherming of een 230a-bedrijfsruimte met minder bescherming? [partij B] heeft de huurovereenkomst opgezegd omdat hij de ruimte zelf wil gebruiken.
De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomst is aangegaan onder het regime van artikel 7:230a BW en dat de schoonheidssalon geen 290-bedrijfsruimte is. Dit oordeel baseert de rechter op de aard van de onderneming, de beperkte zichtbaarheid van de salon vanaf de openbare weg en het feit dat klanten vooral op de deskundigheid van de schoonheidsspecialiste afgaan, waardoor er geen sprake is van een plaatsgebonden praktijk zoals bedoeld in artikel 7:290 BW Pro.
Vervolgens weegt de kantonrechter de belangen af omtrent de ontruimingstermijn. Hoewel [partij B] de ruimte zelf wil gebruiken, heeft hij onvoldoende onderbouwd waarom een korte ontruimingstermijn van twee weken gerechtvaardigd is. [partij A] heeft een belang bij verlenging vanwege investeringen en het moeizame vinden van een vergelijkbare praktijkruimte. Daarom wordt de ontruimingstermijn met één jaar verlengd tot 18 februari 2024.
Tot slot worden de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: De ontruimingstermijn wordt met één jaar verlengd tot 18 februari 2024.