Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2023:1011

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 maart 2023
Publicatiedatum
21 maart 2023
Zaaknummer
ak_22_989
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag wegens geen afname in 2013-2014

Eiseres verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag, maar verweerder wees de aanvraag af omdat zij over 2013 en 2014 geen kinderopvang had afgenomen en geen toeslag was uitbetaald. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat haar verzoek betrekking had op 2009 en 2010, wat als een nieuwe aanvraag werd gezien.

De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden omdat de hoorzitting was uitgesteld en eiseres hierover was geïnformeerd. De aanvraag voor herbeoordeling over 2013 en 2014 was het enige formeel ingediende verzoek, en het verzoek over 2009 en 2010 was een nieuwe aanvraag die in behandeling werd genomen.

Omdat eiseres zelf aangaf geen recht te hebben op toeslag over 2013 en 2014, was het afzien van een hoorzitting gerechtvaardigd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van compensatie kinderopvangtoeslag over 2013-2014 is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 22/989

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de compensatieregeling in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 21 januari 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 april 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 1 maart 2023 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .

Feiten

Op 1 juni 2020 heeft eiseres verweerder verzocht om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag.
Bij besluit van 21 januari 2021 heeft verweerder besloten dat eiseres geen recht heeft op compensatie, omdat zij over de jaren 2013 en 2014 geen kinderopvang heeft afgenomen, geen kinderopvangtoeslag is uitbetaald en weer is teruggevorderd.
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij zij heeft aangegeven dat het verzoek om herbeoordeling niet ziet op de jaren 2013 en 2014, maar op de jaren 2009 en 2010.
Eiseres en haar gemachtigde zijn uitgenodigd voor een hoorzitting op 18 maart 2022.
Op 7 april 2022 heeft de bezwaarschriftenadviescommissie (BAC) advies uitgebracht. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

Beoordeling door de rechtbank

Tussen partijen is in geschil of verweerder de hoorplicht heeft geschonden.
Eiseres heeft aangevoerd dat de BAC op 14 maart 2022 eiseres per e-mail voorgesteld heeft de hoorzitting van 18 maart 2022 tot nader order uit te stellen vanwege het feit dat de herbeoordeling over de jaren 2009 en 2010 nog niet heeft plaatsgevonden en derhalve niet in de bezwaarprocedure kan worden betrokken. Eiseres is hiermee akkoord gegaan en per e-mail van 16 maart 2022 heeft de BAC bevestigd dat de hoorzitting van 18 maart 2022 niet door zou gaan. Eiseres zou zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden over het verdere verloop van de bezwaarprocedure. Vervolgens heeft eiseres op 28 april 2022 een beslissing op bezwaar ontvangen. Nu eiseres niet in de gelegenheid is gesteld om haar bezwaren mondeling toe te lichten is sprake van schending van de hoorplicht, zoals neergelegd in artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht niet geschonden is, nu eiseres in haar bezwaarschrift zelf aangegeven heeft dat de toeslagjaren 2013 en 2014 geen onderdeel uitmaken van de aanvraag om compensatie in het kader van de Hersteloperatie toeslagen. Het verzoek van eiseres, zoals verwoord in haar bezwaarschrift, om de toeslagjaren 2009 en 2010 te betrekken in de herbeoordeling, dient te worden gezien als een nieuwe aanvraag.
En deze is in behandeling genomen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Zoals ter zitting door de gemachtigden van verweerder is gesteld, en door eiseres niet is betwist, is eiseres door verweerder uitgenodigd om middels het formulier ‘verzoek om herbeoordeling’ aan te geven of zij wil dat haar persoonlijke situatie opnieuw beoordeeld wordt. Dit formulier is aan eiseres toegezonden in het kader van het CAF onderzoek Lanai.
Dit onderzoek, zoals weergegeven in de UHT werkinstructies analyse CAF-vergelijkbaar, ziet op de toeslagjaren 2013 en 2014.
Hieruit volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat het aan eiseres toegezonden formulier betrekking had op een herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over de kalenderjaren 2013 en 2014.
Eiseres heeft dus niet eerder dan in haar bezwaarschrift van 1 februari 2021 aangegeven heeft dat zij een herbeoordeling wil over de jaren 2009 en 2010. Niet is gebleken van een eerdere door eiseres ingediende aanvraag voor herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag. Het gestelde in het bezwaarschrift is dan ook door verweerder op juiste gronden aangemerkt als een nieuwe aanvraag.
Omdat eiseres in haar bezwaarschrift eveneens aangegeven heeft dat zij in de jaren 2013 en 2014 inderdaad geen recht had op kinderopvangtoeslag, heeft verweerder op juiste gronden af kunnen zien van het houden van een hoorzitting.
Hieruit volgt dat het beroep van eiseres niet kan slagen.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.H. van Meegen, rechter, in aanwezigheid van
Y. van Arnhem, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.