ECLI:NL:RBOVE:2022:2662

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 augustus 2022
Publicatiedatum
21 september 2022
Zaaknummer
8995934 EL 21-2
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 7:907 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering Dexia wegens verjaring tegen leaseovereenkomst

Dexia Nederland B.V. vordert dat de rechtbank verklaart dat zij met betrekking tot een leaseovereenkomst aan al haar verbintenissen heeft voldaan en niets meer verschuldigd is aan gedaagde. Gedaagde voert verweer en stelt dat zij nog een vordering heeft op Dexia, waardoor de vordering niet toewijsbaar zou zijn.

De rechtbank overweegt dat de verjaringstermijn is gestart in 2007 bij het einde van de overeenkomst, toen gedaagde bekend was met de schade en aansprakelijke partij. Hoewel gedaagde stelt dat de verjaring is gestuit door verschillende procedures en verklaringen, oordeelt de rechtbank dat deze stuitingen onvoldoende zijn om de verjaring te onderbreken. De vermeende sommatiebrief is niet ontvangen en de opt-out verklaring heeft geen stuitende werking.

De rechtbank concludeert dat de vorderingen van gedaagde in 2012 zijn verjaard en dat het beroep van Dexia op verjaring slaagt. Daarom wordt de vordering van Dexia toegewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door kantonrechter A. van Dijk op 4 augustus 2022.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Dexia toe wegens verjaring van de vorderingen van gedaagde.

Uitspraak

Vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer 8995934 EL 21-2
vonnis van de kantonrechter van 4 augustus 2022
in de zaak van
de besloten vennootschap
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.,
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces).
Partijen worden hierna Dexia en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 januari 2021;
  • de conclusie van antwoord;
  • de conclusie van repliek;
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald. Partijen zijn niet meer in de gelegenheid gesteld te reageren op de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) omdat die uitspraak, zoals hierna zal blijken, voor deze zaak niet van belang is.

2.2. De feiten

2.1.
Dexia Bank Nederland N.V. is na een fusie met haar aandeelhoudster verdwenen als rechtspersoon. Dexia is haar rechtsopvolgster onder algemene titel. Dexia is tevens de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.
2.2.
[gedaagde] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend waarop [gedaagde] als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
25501815
30-08-1999
Direct Rendement Effect
180 mnd
€ 45.232,92
2.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
23-04-2007
€ 604,36
Nvt
2.4.
Bij de totstandkoming van de overeenkomst is een tussenpersoon betrokken geweest, te weten Spaar Kredietcentrale, hierna te noemen: “de tussenpersoon”.
2.5.
Volgens opgave van Dexia heeft [gedaagde] op grond van de leaseovereenkomst
– al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 14.634,44 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. [gedaagde] heeft € 3.283,99 aan dividenden ontvangen en op 24 april 2007 heeft Dexia een bedrag van € 604,36 aan [gedaagde] uitgekeerd ter zake de eindafrekening.
2.6.
[gedaagde] heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.
2.7.
Bij brief van 26 november 2020 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om hetzij te bevestigen dat geen sprake meer is van enige vordering, hetzij toe te lichten waarom wel sprake is van een vordering. [gedaagde] heeft hierop niet (inhoudelijk) gereageerd.

3.De vordering en het verweer

3.1.
Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst met nummer 25501815 aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van Partij in de kosten van het geding.
3.2.
[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van Dexia en concludeert tot
niet-ontvankelijkverklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4.4. Beoordeling van de vordering4.1. Over effectenleaseovereenkomsten zijn reeds vele procedures gevoerd. De veelheid van procedures heeft geleid tot jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:11363.30). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.2.
Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
4.3.
Als meest verstrekkend verweer voert [gedaagde] aan dat zij nog een vordering op Dexia heeft, waardoor de vordering van Dexia niet toewijsbaar is. Dexia betwist dit en stelt zich op het standpunt dat, mocht [gedaagde] nog een vordering op Dexia hebben, deze vordering is verjaard nu [gedaagde] nimmer aan Dexia kenbaar heeft gemaakt een vordering op haar te hebben.
4.4.
[gedaagde] voert aan dat de verjaring van haar vordering in eerste instantie is gestuit door de WCAM-procedure in november 2005. Nadien is de verjaring volgens [gedaagde] opnieuw gestuit in 2007 door zijn opt-out verklaring ter zake van de algemeen verbindend verklaarde regeling (de WCAM-overeenkomst). Binnen de termijn van vijf jaar zijn de brieven uit 2009, 2012, 2015, 2016 en 2017 verstuurd, waarvan Dexia heeft erkend deze te hebben ontvangen en waarin de vorderingen van [gedaagde] wederom zijn gestuit, aldus [gedaagde] . Volgens [gedaagde] heeft Dexia in 2011 ook erkend dat zij in verband met het schenden van haar zorgplicht schade diende te vergoeden.
4.5.
Dexia stelt dat zij van [gedaagde] nimmer de vermeende sommatiebrief (eerste brief) heeft ontvangen, terwijl de algemene stuitingsbrieven die Leaseproces in de tussentijd namens al haar klanten heeft verstuurd ook en met name in het geval van [gedaagde] geen stuitende werking hebben gehad. Volgens Dexia dient voorts aan de WCAM-procedure voorbij te worden gegaan en heeft de opt-out verklaring geen stuitende werking.
4.6.
Overwogen wordt dat de verjaringstermijn in ieder geval een aanvang heeft genomen in 2007, bij het einde van de overeenkomst. Dit was immers het moment waarop [gedaagde] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon of personen (artikel 3:310 lid 1 BW Pro). De kantonrechter is tevens van oordeel dat mogelijke schadevergoedingsvorderingen van [gedaagde] in eerste instantie zijn gestuit door de WCAM-procedure op grond van artikel 7:907 lid 5 BW Pro (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3925). In 2007 is vervolgens tijdig en geldig verklaard dat [gedaagde] niet gebonden wenste te zijn aan de Duisenberg-regeling. Op de dag na het uitbrengen van die verklaring is een nieuwe verjaringstermijn ex artikel 7:907 lid 5 BW Pro gaan lopen. Die verjaringstermijn bedroeg destijds vijf jaren en is dus geëindigd in 2012.
4.7.
Voorts wordt overwogen dat [gedaagde] heeft erkend dat in casu geen (eerste) sommatiebrief is verzonden (nummer 14 conclusie van dupliek). Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] voorafgaand aan 2012 een brief heeft gestuurd die voldoet aan de eisen die in artikel 3:317 lid 1 worden Pro gesteld aan een stuitingshandeling. Dit brengt verder mee dat de brieven uit 2009 en 2012, die als vervolgbrieven na een sommatiebrief moeten worden aangemerkt, daarom evenmin aan de vereisten voor een stuitingshandeling voldoen (vgl. de hiervoor genoemde uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden-Arnhem van 15 november 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:9914)). Dit betekent dat de vorderingen van [gedaagde] in 2012 zijn verjaard.
4.8.
De stelling van [gedaagde] dat Dexia in 2011 -kennelijk in het algemeen- heeft erkend dat zij in verband met het schenden van haar zorgplicht schade dient te vergoeden, leidt zonder nadere toelichting, die [gedaagde] niet heeft gegeven, niet tot de conclusie dat Dexia daarmee heeft erkend in het specifieke geval van [gedaagde] nog een schadevergoeding te zijn verschuldigd en kan dus aan het voorgaande niet afdoen.
4.9.
Dit alles leidt tot de slotsom dat het beroep van Dexia op verjaring van mogelijke vorderingen van [gedaagde] slaagt. De vordering van Dexia zal daarom worden toegewezen.
proceskosten
4.10.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten, zoals hierna te melden.

5.Beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst met nummer 25501815 aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Dexia tot op heden vastgesteld op:
a. kosten dagvaarding € 105,77
b. griffierecht € 126,00
c. salaris gemachtigde
€ 498,00(2 x tarief € 249,00)
€ 729,77
5.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.
type: ksf