Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.
Inleiding
Totstandkoming van het bestreden besluit
30 augustus 2019, heeft verweerder op 17 oktober 2019 aan eiseres meegedeeld dat hij de aanvraag niet in behandeling neemt.
Beoordeling door de rechtbank
9 februari 2018, waar eiseres ter zitting naar heeft verwezen, bij haar onderzoek betrokken. Dat hieraan niet de waarde wordt gehecht die eiseres graag wil, betekent niet dat de medisch adviseur niet alle relevante medische informatie bij haar oordeel heeft betrokken. Uit de stukken volgt dat eiseres in 2016 is gevallen, in 2017 bij een fysiotherapeut in behandeling is geweest en dat zij in 2019 is geopereerd aan een hernia. De medisch adviseur heeft op grond van deze stukken geconcludeerd dat hieruit weliswaar volgt dat sprake is van langdurig bestaande klachten, maar dat hieruit niet volgt dat eiseres in de inburgerings-periode gedurende een periode van tenminste drie aaneengesloten maanden geen onderwijs heeft kunnen volgen. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van dit advies naar voren gebracht.
18 oktober 2019. Niet in geschil is dat eiseres op deze datum nog niet aan haar inburgeringsplicht had voldaan. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een overtreding van het bepaalde in artikel 7b, eerste lid, van de Wi. Verweerder is dan op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 34, aanhef en onder c, van de Wi, gehouden om een boete op te leggen van ten hoogste € 1250,-.