Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
nietals geneesmiddel in de zin van de Geneesmiddelenwet aanprijst. De verdediging meent dan ook dat het bewijs ontoereikend is voor de tenlastegelegde onderdelen “geneesmiddelen […] waarvan onder meer via de website en/of informatiebrochure en/of bijsluiter van verdachte de indruk is gewekt dat deze […] een profylactische en/of therapeutische werking hadden”. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit aangegeven dat bewijsrechtelijk niet ter discussie staat dat de stichting de Opiumwet heeft overtreden door cannabis te verwerken in cannabisolie en andere producten.
geneesmiddelin de zin van de betreffende wettelijke bepalingen zijn te kwalificeren.
dan welop enigerlei wijze wordt gepresenteerdals zijnde geschikt voor:
aangediendals hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens;
of
toegediendom hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen.”
"Voldoet het onderzoeksmateriaal aan de omschrijving van een geneesmiddel in artikel 1 eerste Pro lid onder b van de Geneesmiddelenwet?"wordt na tussenkomst van de forensisch officier van justitie en de zaaksofficier niet beantwoord.
[website]). [16] De andere versie is op 22 januari 2019 geraadpleegd via diezelfde website. In beide versies van de informatiebrochure staat op p. 5 onder meer het volgende: [17]
.De rechtbank acht het opzet van de rechtspersoon ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op de door de bestuurder, zijnde [verdachte] , feitelijk verrichte handelingen en het door hem uitgezette en gevoerde beleid zoals hiervoor beschreven.
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18, eerste lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, eerste lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; en
in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd; en
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
geen straf of maatregelwordt opgelegd.