Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
van het leven te beroven, die [slachtoffer] (stevig) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (met kleding aan) in het nabij gelegen water (van ongeveer 120 centimeter diep en/of een temperatuur van ongeveer 5,5 graden Celsius) heeft gegooid en/of geduwd en/of geworpen (terwijl die [slachtoffer] niet in staat is te zwemmen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] (stevig) heeft vastgepakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (met kleding aan) in het nabij gelegen water (van ongeveer 120 centimeter diep en/of een temperatuur van ongeveer 5,5 graden Celsius) heeft gegooid en/of geduwd en/of geworpen (terwijl die [slachtoffer] niet in staat is te zwemmen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
ongeveer 120 centimeter diep en/of een temperatuur van ongeveer 5,5 graden Celsius) te gooien en/of te duwen en/of te werpen (terwijl die [slachtoffer] niet in staat is te zwemmen), ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van die [slachtoffer] teweeg heeft gebracht;
3.De voorvragen
4.De bewijsoverwegingen
subsidiairten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen maatregel
8.De schade van benadeelden
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
ontslaatverdachte
van alle rechtsvervolging;
ter beschikking wordt gesteld;
van overheidswege wordt verpleegd;
dadelijk uitvoerbaaris.
[slachtoffer] niet-ontvankelijkis in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
[benadeelde]van een bedrag van
€ 255,00 (tweehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2019;
[benadeelde]voor het meer of anders gevorderde
niet-ontvankelijkis in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 255,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2019 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
5 (vijf)dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;