ECLI:NL:RBOVE:2020:1241

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 maart 2020
Publicatiedatum
23 maart 2020
Zaaknummer
08-910003-19 (P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs openlijk geweld in vereniging

Op 2 februari 2019 vond in een horecagelegenheid te Beckum een vechtpartij plaats waarbij meerdere personen betrokken waren, waaronder de verdachte en zijn medeverdachten. Tijdens deze confrontatie werden ook schoten gelost door een medeverdachte. Verdachte ontkent het ten laste gelegde en stelt dat zijn handelen gericht was op de-escalatie.

De rechtbank heeft het dossier en de zitting van 10 maart 2020 zorgvuldig bestudeerd. Hoewel er aanwijzingen zijn dat verdachte betrokken was bij geweldshandelingen, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om vast te stellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld.

De rechtbank concludeert dat niet kan worden uitgesloten dat het handelen van verdachte gericht was op het voorkomen of verminderen van het geweld. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel te Almelo op 24 maart 2020.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor openlijk geweld in vereniging.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer 08-910003-19 (P)
Datum vonnis: 24 maart 2020
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 maart 2020.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. K.J.L. de Valk en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. T.R. Oude Veldhuis, advocaat te Hengelo, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging op 10 maart 2020, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 2 februari 2019 te Beckum, gemeente Hengelo (O), openlijk, te weten in (de hal van) horecagelegenheid [bedrijf] en/of op de parkeerplaats bij horecagelegenheid [bedrijf] (gelegen aan de openbare weg, te weten de [straat 1] en/of de [straat 2] ), in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en/of een of meer (andere) bezoeker(s)/aanwezige(n) van/op een bruiloft, door tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n)
- in te dringen op [slachtoffer] en/of (andere) bezoeker(s)/aanwezige(n) en/of
- ( vervolgens) te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of de trappenen/of te duwen tegen, althans in de richting van, die [slachtoffer] en/of (andere)bezoeker(s)/aanwezige(n) en/of
- ( vervolgens) met een (scherp) vuurwapen een of meerdere kogels af te vuren in de richting van die [slachtoffer] en/of (andere) bezoeker(s)/aanwezige(n) en/of
- ( vervolgens) op voornoemde parkeerplaats (meermalen) met een (scherp)vuurwapen (in de lucht) te schieten.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4.De bewijsoverwegingen

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, zoals in de door hem overgelegde schriftelijke aantekeningen is uiteengezet, kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen de in de tenlastelegging genoemde personen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde nu niet bewezen kan worden dat hij opzet op het in vereniging plegen van openlijk geweld heeft gehad noch dat hij daaraan een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Uit het dossier blijkt het volgende. Verdachte was samen met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 2 februari 2019 op een bruiloft in [plaats] . Zij hebben vrijwel de gehele avond in elkaars nabijheid verkeerd. Op enig moment zijn zij gedrieën vertrokken van de bruiloft, om kort daarna samen terug te keren. Vlak na binnenkomst in de hal van de feestlocatie is het tot een confrontatie gekomen tussen [medeverdachte 1] en één van de aanwezige bruiloftsgasten, [slachtoffer] . Er ontstond een vechtpartij, waarbij ook anderen betrokken waren. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben zich in dit gevecht gemengd. De vechtpartij eindigde op het moment dat door [medeverdachte 1] in de hal schoten werden gelost met een vuurwapen. Ook buiten op de parkeerplaats werden door [medeverdachte 1] schoten gelost. Verdachte is samen met [medeverdachte 1] en [verdachte] vertrokken in een auto.
Verdachte ontkent hetgeen hem ten laste is gelegd. Zijn aandeel in de vechtpartij was volgens hem louter gericht op de-escaleren.
De rechtbank komt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek op de zitting van 10 maart 2020 tot het oordeel dat niet kan worden bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe dat er weliswaar aanwijzingen in het dossier zijn voor de betrokkenheid van verdachte bij geweldshandelingen, maar dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het strafbare karakter daarvan, nu niet kan worden uitgesloten dat het handelen van verdachte was gericht op de-escaleren. Verdachte wordt vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes en mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van S. Wongsokerto, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2020.
Buiten staat
Mr. B.W.M. Hendriks en mr. M.A.H. Heijink zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.